Gesprekken I - Oefening 9 - 19 (42-82)

Wat is het verbond en welke effecten heeft dit?

9. Hoe doet U zich kennen in werkverbond en verbondsbreuk? (42-45)

 

9.42. Welke positie gaf U, HEER, de paradijsbewoners?
Ik gaf hun de sleutelpositie van vertegenwoordigers van de mensheid en van kandidaten van leven of dood.
Ik testte hun gehoorzaamheid: ďU mag van alle bomen in de hof overvloedig eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u sterven.ď, Gen. 2:16-17.
Ik voltrok als Rechter aan hen, die geloof hechtten aan de oerleugenaar het doodvonnis, en in hen ook aan u, Gen. 3:7-19; Rom. 5:12-15; 8:18-22.

 

9.43. Is de collectieve straf niet in strijd met de eigen verantwoordelijkheid?
Ik reken ieder mens verantwoordelijk voor zijn daden maar de afspraken met het eerste paar, van wie allen stammen, gelden heel de mensheid.
Zoals Ik allen om Adams overtreding ter dood veroordeelde, zo heb Ik allen door Christusí gehoorzaamheid gerechtvaardigd tot leven, Rom. 5:12-21.

 

9.44. Is het paradijs een fictieve uitbeelding van een veelbelovend begin?
Ik begon de familie mensheid bij hun stamouders van vlees en bloed; mijn. Zoon is de zoon van Maria, zoon van David, zoon van Abraham, zoon van Noach, zoon van Set, zoon van Adam, de zoon van God, Gen. 5:1-32; 11:10-32; 1 Kron. 1:1-24; Luc. 3:23-38.

 

9.45. Voltrekt er zich in ieders leven niet iets soortgelijks als bij Adam en Eva?
Ik signaleer ongehoorzaamheid in ieder mens, maar Adam kon kiezen tussen goed en kwaad, na hem kon niemand dit meer zonder mijn hulp. Omdat de mensheid na hem slaaf van Satan werd, roeide Ik deze uit behalve Noach en de zijnen om met hen een nieuw begin te maken, Gen. 6-9.
Ik schonk u als het enig-afdoende geneesmiddel tegen uw erfzondige, corrupte, aard mijn Zoon, de enige zondeloze, die uw schuld bedekt en u doet opstaan uit uw geestelijke dood van haat en de liefde in u uitstort.
Ik bewerk tweestrijd in u tussen de oude en nieuwe mens en help u met mijn Geest om het drietal Satan, slechte mensheid en zwakke ik te overwinnen, Joh, 8:31-59; Rom. 7-8; Openb. 12:9-12; Heid. Cat. zondag 52.

 


 

Wilt u meer weten over het werkverbond en de gevolgen van de breuk kijk dan bij Gesprekken II, Oefening 9, bij de vragen en antwoorden 168-200.

 

10. Wat beloofde U in het welzijnsverbond? (46-48)

 

10.46. Wat verkondigt U, HEER, ons in het natuur- of welzijnsverbond?
Ik richtte dit verbond op met Noach, die Ik met zijn gezin had uitverkoren om gered te worden uit de zondvloed, Gen. 6-9.
Ik bestemde hem tot stamvader van de tweede mensheid en betrok in het verbond met hem alle levende wezens, ook alle dieren, Gen. 9:8-10.

 

10.47. Waarvan maakte U de regenboog tot teken?
Ik stelde deze tot teken mijn goedheid, geduld en gerechtigheid.
Ik toon u daarin mijn goedheid, trouw en zorg door de jaargetijden, de vruchtbaarheid en de cultuur voortgang te doen vinden, Gen. 8:20-22;
Ik laat u daarin zien mijn lankmoedigheid en geduld dat Ik de mensheid Ė hoe slecht ook Ė niet meer zal vernietigen door een vloed, Gen. 8:21; 9:11-15.

 

10.47.1, Waarom is dit het teken van uw gerechtigheid?
Ik stelde bij deze gelegenheid in de wet van de vergelding of het terugeisen van vergoten bloed van de misdadiger.
Ik eis van de mens en overheden dat zij misdadigers bestraffen met straffen die evenredig zijn aan de begane misdaden en dat zij daarmee mijn beelddragers tegen hen beschermen, Gen. 9:5-6.

 

10.48. Bevat dit verbond ook opdrachten voor ons?
Ik beval aan Noach en in hem aan de mensheid de aarde te bevolken en gaf deze het recht om dierlijk voedsel te nuttigen, Gen. 9:1-3.
Ik hernieuwde mijn opdracht om de aarde, het milieu en vooral de dieren, die Ik in de ark had laten plaatsen, zorgvuldig te beheren, Gen. 9:1,7,8,9; 7:1-16.
Ik herinner u door dit verbond aan de dag van het eindgericht waarop Ik de mensheid zal overvallen en mijn Zoon zal zenden om de grote scheiding aan te brengen tussen de mensen, Mat. 24:12-52..
Ik roep u daarom op vruchtbaar te zijn voor mijn Koninkrijk, Mat. 25.

 


 

Wilt u meer over het noachitisch verbond weten, kijk dan bij Gesprekken II Oefening 10 bij de vragen en antwoorden 201-217.

 

11. Hoe openbaarde U zich in het verbond met Abraham? (49-51)

 

11.49. Met welk doel hebt U, HEER, Abraham geroepen zijn land te verlaten?
Ik koos hem uit om mijn wereldomspannend heilsproject te gaan uitvoeren.
Ik beloofde hem op zijn vijfenzeventigste jaar:
  • - Ik zal u tot een groot volk maken en u zegenen.
  • - Ik zal uw naam groot maken en u tot zegen stellen.
  • - Ik zal zegenen die u zegenen maar wie u verwenst zal Ik vervloeken.
  • - In u zullen alle geslachten op aarde gezegend worden, Gen. 12:1-3.

 

11.50. Waarom richtte U als Almachtige met Abraham een verbond op?
Ik deed dit om mijn gedane beloften te bevestigen en zijn geloof in Mij te versterken dat Ik bij machte ben te doen wat hij amper meer verwachtte.
Ik kondigde hem op zijn negenennegentigste jaar als verrassing aan: ĎIk maak u op uw honderdste tot vader van een zoon van uw onvruchtbare vrouw Sarai, die moeder wordt op haar negentigste!í, Gen. 17:15-22; 21:1-7.

 

11.51. Welke drie beloften stelde U, Getrouwe, hem in het vooruitzicht?
Ik maak u tot vader van een menigte volken.
Ik zal voor u en uw nageslacht tot-God zijn als trouwe Helper.
Ik zal u Kanašn geven tot eeuwig erfelijk eigendom, Gen. 17:1-14.

 

11.51.1. Hoe hebt U deze drie verbondsbeloften in de mensheid vervuld?
Ik entte op het volk van Abraham heidenen, die geloven in zijn en mijn grote zoon Jezus Christus, een maakte hen tot mede-erfgenamen van mijn beloften, Hand. 10-11:1-18; Ef. 2 en 3; Rom. 4; 9-11.
Ik verbond ouders en kinderen en de volken met elkaar in het geloof dat Ik, God-van-Abraham, God-van-Isaak en God-van-Jakob dezelfde ben als God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest, Mat. 22:23-33; Hand. 10.
Ik doe deze gelovigen het hemelse eeuwige Kanašn beŽrven, Hebr.11:8-16.

 


 

Wie zich verder in dit verbond wil verdiepen dient te kijken bij Gesprekken II en op te slaan Oefening 11 bij de vragen en antwoorden 218 tot 235.

 

12. Hoe zet U uw verbond met Abraham door? (52-54)

 

12.52. Geldt, HEER, uw verbond met IsraŽl nog steeds of verbrak U dit?
Ik blijf de Getrouwe, wiens verbond met beloften en bedreigingen nog steeds voor het volk van mijn eerste liefde geldt, Jer. 31:35-37; Rom. 9:1-5.
Ik zie in welbehagen neer op eenvoudigen die mijn profeten en mijn Zoon als door Mij gezondenen erkennen, Mat. 11:25-30, maar keer mij af van profetenmoordenaars, Ps. 105-106; Jer. 1-28; Mat. 23:29-39; Luc. 21:5-28.
Ik ben bij machte takken van IsraŽl te enten op de oorspronkelijke, edele stam op mijn tijd, Luc. 21:24; Rom. 11.

 

12.53. Valt, Vader, uw verbond samen met uw uitverkiezing tot kinderen Gods?
Neen, Ik trek de kring van het verbond als trouwverbintenis met mijn volk met beloften en bedreigingen breder dan de kring van de uitverkorenen.
Ik behoud uit een brede verbondskring de vitale Ďrestí van getrouwen, uit welke Ik een nieuw volk formeer, Jes. 1:9; Mat. 13:13-16; Rom. 11:5.
Ik roep u op u te verheugen omdat Ik uw namen in mijn welbehagen optekende in het boek van het leven, Luc. 10:17-20; Mat. 11:25-30; Openb. 20:12

 

12.54. Hoe bereiken wij dat wij Ťn aan het verbond Ťn de uitverkiezing recht doen?
Ik roep u op mijn beloften te verkondigen aan ieder die op uw weg komt en deze niet te beperken tot hen die tekenen van liefde tot Mij vertonen, Mat. 10:27 (Ďvan de dakení), Mat. 28:18-20; Luc. 24:27.
Ik zeg u met nadruk: beschouw besnedenen of gedoopten niet automatisch als wedergeboren; dring er bij ieder op aan zich mijn beloften toe te eigenen en zich te toetsen op de vruchten, Mat. 3:1-12;7:13-23.
Ik waarschuw u voor de voorstelling dat uitverkorenen en verworpenen niets aan hun bestemming kunnen veranderen en zich daarom passief moeten opstellen. Want Ik blijf in mijn verbond Ė contra het noodlot Ė iedereen verantwoordelijk stellen voor zijn keuze voor Mij of tegen Mij.

 


 

Wie meer weer wil weten van de verbanden tussen verbond en verkiezing raden we aan te kijken bij Gesprekken II en bij hoofdstuk 12 verder te lezen onder de vragen en antwoorden 236 tot 252.

 

13. Doet U ook de islam aan dit verbond deelhebben? (55-57)

 

13.55. Beroept, Getrouwe, de islam zich terecht op Abraham?
Ik waardeer het dat zij Abraham erkent als vereerder van de Ene tegenover vereerders van afgoden en dat de koran tweehonderd verzen van de zesduizend aan mijn vriend wijdt.
Ik neem afstand van de islam waar zij deze aartsvader naar zich toe trok als aanhanger van het zuivere geloof (chanif), eerste moslim en bouwer van het gebedshuis bij de Kaíaba in Mekka, s. 6:74-83, 3:96-97; 4:125; 22:26; 14.

 

13.56. Kent de islam aan IsmaŽl terecht een centrale plaats toe?
Ik zegende IsmaŽl als de eerstgeboren zoon van mijn vriend Abraham, maar zette mijn genadeverbond niet met hem maar met Isaak voort.
Ik sprak vier maal een belofte over IsmaŽl uit, tweemaal tot Hagar, Gen. 16:10-12, 21:18, twee maal tot Abraham, Gen. 17:20; 21:13, en redde hem twee maal van de dood door dorst.
Ik schonk hem twaalf zonen en talrijk nageslacht, maar wijs af de arabisering tot bevoorrechte zoon van Abraham of gelijkwaardige van Isaak, s. 2:131-134.

 

13.57. Kent U, Vader, soorten van kinderen van Abraham?
Ik beschouw als mijn kinderen alle door mijn Geest herborenen, die mijn Zoon als Verlosser en Heer belijden, Mat. 3:1-12; Joh. 3:1-13; 8:31-39; Gal. 3:29.
Ik ken ook besnedenen en gedoopten met verbondsrechten die nog niet tot geloof gekomen zijn; de geestelijke besnijdenis hoort bij de lichamelijke, Mat. 3:9-12; 13:19-15; Joh. 1:13; Rom. 8.
Ik ken ook van Mij afkerige, verharde kinderen van mijn toorn, Mat. 23.
Ik plaats moslims in een wijdere kring rondom mijn verbond met Abraham.

 

Koran:
ďWij geloven in God, in wat naar ons is neergezonden en in wat naar Abraham, IsmaŽl, Isaak, Jakob en de stammen is neergezonden en in wat aan Mozes en Jezus is gegeven en in wat aan de profeten door hun Heer is gegeven.
Wij maken geen verschil tussen ťťn van hen en wij hebben ons aan Hem overgegeven.
Als zij dan in hetzelfde geloven als waarin u gelooft, dan hebben zij zich op het goede pad laten brengen, maar als zij zich afkeren, dan zijn zij het oneens.
Allah zal dan voor u genoeg zijn tegen hen. Hij is de Horende, de Wetende.Ē
soera 2:136-137

 

Wie meer hiervan wil weten kijkt bij Gesprekken II, Oefening 13, 253-269

 

14. Wat beoogt U met de komst van de islam in ons midden? (58-60)

 

14.58. Waarom liet U, Koning der koningen, zes eeuwen na uw troonsbestijging de islam           opkomen en groeien tot meer dan miljard aanhangers?
Ik vervulde de raad van mijn Vader, waarin Hij met de opkomst van de islam ook de val van Byzantium en de ondergang van de tweelingtorens in New York in 2001 opnam.
Ik liet Mohammed de Arabische vele goden vererende stammen verenigen onder de koepel van Allah als ťťn godheid.
Ik gebruikte de islam om christenen wakker te schudden of om hen te beproeven op hun geloofsvolharding, Richt. 2 en 3:1-6; Mat. 24:1-14.

 

14.59. Waarom zond U moslims in de 20/21ste eeuw naar West-Europa?
Ik roep door moslims, die overtuigd zijn van het bestaan van ťťn God, hen die Mij de rug toekeerden of het christendom achterhaald achten, terug tot Mij.
Ik toets mijn Kerk op haar veerkracht, daag haar uit Mij vrijmoedig te belijden en de bijbel door te geven aan moslims en anderen.
Ik leer christenen en moslims met elkaar om te gaan in geduld en vrede, ook daar waar de overtuigingen botsen in een indringende getuigende dialoog.

 

14.60. Wat betekent het, Heer, dat U gekomen bent om het zwaard te brengen?
Ik drijf een wig tussen hem die voor Mij kiest en hem die Mij verwerpt.
Ik vraag volgelingen Mij meer liefhebben te dan hun man of vrouw, zoon of dochter, Mat. 10:34-42.
Ik ontketen daarmee de strijd tussen de geesten van waarheid en leugen met geestelijke wapens, die tot de jongste dag ook in intieme verbanden blijft woeden, Ef. 6:10-20, Oef. 3.

 


 

Wie zich nader wil verdiepen in de relatie christendom-islam kijkt bij Gesprekken II, Oefening 14, en leze verder onder de vragen en antwoorden 270-294. Men kan Gesrekken I en Gesprekken II (= Kleine Catechismus) in boekvorm ook bestellen bij de auteur evenals De Grote Catechismus.

 

15. Wat beoogt U met het verbond op de SinaÔ? (61-63)

 

15.61. HEER, waarom richtte U het verbond op de SinaÔ op?
Ik koos IsraŽl als particulier eigendom uit en riep mijn heerschappij over hen uit opdat zij Mij zouden eerbiedigen en mijn Naam bekendheid geven onder de volken, Ex. 19-20; Deut. 2:25 (Ďbij alle volken schrikí); 7:6-8; Ps. 67; 97.
Ik gaf hun de tien Woorden als grondwet voor een heilig en rechtvaardig levenspatroon en blauwdruk voor alle culturen, Ex. 20; Deut. 5.

 

15.61.1. Welke rol speelde daarin de offerdienst?
Ik stelde deze in om de omgang met Mij gaaf te houden in dankoffers en zond- en verzoeningsoffers, Ex. 36-40; Lev. 1-27.
Ik begeleidde hen naar Kanašn en nam mijn intrek in een tent of tabernakel als mijn paleis onder hen, waarin Ik verscheen en sprak.

 

15.62. Bent U, Heilige God, op de SinaÔ zelf aan uw volk verschenen?
Ik daalde neer op de berg onder de tekenen van bliksem en donder om hun respect voor en vertrouwen in Mij te wekken, Ex. 19; 20:18-20.
Ik riep mijn deugden aan Mozes uit en liet hem flitsen van mijn heerlijkheid zien en als hij van de berg kwam glansde zijn gezicht, Ex. 33:18-23; 34:29-35.

 

15.63. Is uw opzet om in IsraŽl uw rechtstreekse regering uit te beelden, gelukt?
Ik eer de vromen en oprechte koningen die mijn bedoelingen in praktijk hebben gebracht, maar erken dat meeste koningen en het volk hebben gefaald.
Ik moest het Noordelijke rijk in 722 om hun afval laten deporteren en in 586 het rijk van Juda, al liet ik van hen een vitale rest terugkeren.

 

15.63.1. Wat voor perspectief hield uw eigen volk dan nog over?
Ik bemoedigde mijn volk door de profetie van de komende heerschappij van de Messias als vredevorst, Jes. 9:1-6.

 


 

Wie meer wil weten van het SinaÔtische verbond, kijkt bij Gesprekken II, oefening 15, vraag en antwoord 295-306, en op oefening 16.

 

16. Hoe doet U uw heerschappij gelden in onze tijd? (64-66)

 

16.64. Hoe vervulde U, HEER, het SinaÔtische verbond?
Zoals Ik als Koning mijn heerschappij uitriep over IsraŽl op de SinaÔ, zo proclameerde mijn Zoon zijn macht over alle volken op een berg in Galilea, Mat. 28:18-20.
Zoals Ik de Tien Woorden op deze berg afkondigde, zo verdiepte mijn Zoon in de Bergrede deze wetten voor zijn volgelingen, Mat. 5-7.
Zoals Ik in de tempel Mij offers liet brengen door priesters, zo bracht mijn Zoon zijn volkomen dank- en verzoeningsoffer aan Mij op Golgota, Mat. 26-27; Hebr. 7-10.
Zoals Ik troonde in tabernakel en tempel, zo wonen Wij, Vader en Zoon, door de Heilige Geest thans in gelovigen als mijn tempel, Hand. 2.

 

16.65. Toonde U net als op SinaÔ tekenen bij de voltrekking van uw verbond?
Ik liet bij de opstanding de aarde hevig schudden, doden verschijnen en bracht door gevluchte grafbewakers het Sanhedrin in verwarring, Mat. 27:53, 62-65; 28:1-14.
Ik daalde op de Pinksterdag neer onder het geluid als van een hevige wind en onder vurige tongen en begeesterde apostelen en gemeenteleden zodat de aanwezigen hen in hun landstaal hoorden spreken over mijn daden, Hand. 2:1-12.
Ik gaf de apostelen volmacht zieken te genezen en doden op te wekken tot verwondering van velen, Hand. 2:4; 3:1-10; 6:8; 9:32-43, Oef. 23.

 

16.66. Moeten, Heer Jezus, christenen zich afzijdig houden van het publieke leven?
Ik zend u de wereld in om uw licht in alle sectoren te laten schijnen voor de mensen opdat zij uw goede werken zien en uw Vader in de hemel verheerlijken, Mat. 5:13-15; Joh. 17:18.
Ik sta u bij in een tijd waarin de mens, maatschappij en politiek zo verdorven zijn dat men u in het isolement dringt, Mat. 5:1-12; 23; Joh. 15:18-25; 17:14-19; 1 Kor. 3:16-17; 5-7.

 


 

Wie zich verder verdiepen wil in Christusí heerschappij kijkt bij Gesprekken II, oefening 16, vragen en antwoorden 307-323, en oefening 25, 26 en 27, 524-600.

 

17. Hoe openbaart U zich in verbondszegen en verbondsvloek? (67-70)

 

17.67. O, God van het verbond, hoe ontvangen wij uw zegen?
Ik verleen aan mijn Naam Jahweh, waarmee dienaren in de eredienst u zegenen, kracht zodat u deze naar lichaam en ziel ervaart, Num. 6:22-27.
Ik vervul mijn trouwbeloften aan u, ouders, kinderen en kleinkinderen, als u mijn verbond en geboden onderhoudt, Gen. 17; Ps. 25:10-14; 103:17-18.
Ik schenk u geestesgaven, als u Mij, uw Vader, daarom vraagt in de naam van mijn Zoon, Joh. 14:13-14; 15:16b.
Ik vergeet niet de liefdediensten die u Mij en de heiligen bewees, Hebr. 6:10.

 

17.68. Mogen wij, Vader, ook zegen verwachten in de eeuwigheid?
Ik betuig u dat Ik u, gelovigen, eens zal doen stralen van vreugde met alle uitverkorenen in mijn Koninkrijk, Mat. 13:43; 25:34; Openb. 21-22
Ik sterk u met de woorden van mijn Zoon: ďZalig bent u als men u uitscheldt en vervolgt en van allerlei kwaad beticht vanwege mijn Naam. Wees blij en juich, want in de hemel wacht u een rijke beloning. Zo immers hebben ze de profeten vůůr u vervolgd!í, Mat. 5:11-12.

 

17.69. Hebt U, HEER, ongehoorzamen ook gestraft of uitgeroeid?
Ik heb een generatie van mijn volk veertig jaar door de woestijn laten trekken en daar laten sterven, omdat zij Mij niet vertrouwden, Num. 14; neem deze les ter harte, Ps. 95:10-11;1 Kor. 10:1-10; Hebr. 3:7-19; 4:1-11.
Ik heb de bevolking van het Noordelijke en Zuidelijke rijk laten wegvoeren, omdat zij niet in Mij en mijn gebod geloofden, 2 Kon. 17; 24; 25.
Ik heb de Amelekieten om hun poging IsraŽls legertros te vernietigen, laten uitroeien, Ex. 17:8-16; 1 Sam. 15 en 30.

 

17.70. Richt U zich als verbonds-God ook in Toorn tegen uw ontrouwe Kerk?
Ik laat uw kerkgebouwen afbreken en de kandelaar en schatten van mijn Koninkrijk bij u weghalen, als u geen vruchten voor Mij opbrengt, om deze te geven aan hen die wel vruchtbaar zijn, Mat. 21:32-46; Openb. 2:1-7.
Als u als vertrouwden Mij grieft, met Mij breekt en u verhardt, dan werp Ik u met Satan en alle werkers van ongerechtigheid als vervloekten in de eeuwige vuurpoel om daar te jammeren en te tandenknarsen van wroeging, Mat. 13:1-17; 40-42; 25:41; Openb. 20:7-15; 22:15.

 


 

Wie meer wil weten van zegen en vloek kijkt bij Gesprekken II, oefening 17, vragen en antwoorden 324-350.

 

18. Wat bedoelt U ons te zeggen door de Sjoa en de staat IsraŽl? (71-75)

 

18.71. Wat zegt U, HEER, God van het verbond, tot ons door uw eerste liefde?
Ik heb IsraŽl geroepen tot getuige van mijn naam om voor allen tot een zegen te zijn, Gen. 12:1-3; Jes. 43:1-13.
Ik spreek mijn Woord door mijn eerstgeboren zoon, Ex. 4:22, in de staat van genade Ťn in die van gericht, in Kanašn en in de Verstrooiing, Deut. 27-28; 30; 32; Ps. 74; 79; 105-106; Neh. 9; Luc. 21:5-36; Rom. 9-11.
Ik handhaaf zoals Ik de zon, maan en elementen stabiel in hun baan houd, mijn trouw aan dit volk, ondanks alles wat zij deden, Jer. 31:35-37.
Ik spreek tot u door de geschriften van het oude verbond, die van Mij en mijn Zoon, hun Messias, getuigen, Jes. 8:1-8; 9:1-6; Joh. 5:31-47.

 

18.71.1. Spreekt U ook uw Woord tot ons door hun neergang en opgang?
Ik roep door mijn zegen in hun opgang de volken tot Mij terug als God van Abraham, Vader van Jezus Christus, schenker van alle verbondsweldaden.
Ik roep door mijn beproeving en vloek in hun neergang de volken tot Mij terug opdat zij beseffen dat Ik hun hetzelfde kan aandoen, Deut. 28-32; Luc. 21:20-24; Openb. 6-20.

 

18.72. Waarom liet en laat U, Ontzagwekkende, uw volk zo zwaar lijden?
Ik beproef rechtvaardigen opdat zij Mij meer eerbiedigen dan hun eigen leven en dan hun tegenstanders en eeuwig zouden leven, Ps. 44:18-33; Jes. 69:19-22; Dan. 3; Mat. 5:1-12; Hand. 7-8:1-3; 9:1-18; 1 Pe. 1:3-12.
Ik maak mijn lijdende volk als dienaren tot voorteken van mijn Knecht Jezus Christus, die voor de zonden van velen zou lijden om hun schuld te boeten en uit te wissen, Jes. 42:1-4; 52:13-53:12; Hand. 3:26; 8:32-35.
Ik voer Mijn vloek uit over hen die mijn Naam te grabbel gooien en straf hen met de terreur van vijanden, in Kanašn en Diaspora opdat zij hun knieŽn voor Mij en mijn Zoon, hun Messias, leren buigen, Deut. 28:10-68; Richt. 2-3:5; Ps. 79-80; Jes. 6-10; Ez. 36; Neh. 9; Luc. 21 :5-36.

 

18.73. Heeft, HEER van gerichten, het Westen de zin van de Sjoa begrepen?
Nee, Ik herken Mij niet in het ontwerp van Mij als de lijdende God.
Ik constateer dat de meeste joden en Europeanen niet erkenden dat Ik over hen een gericht voltrok en dat zij zich niet bekeerden in boete en berouw.

 

18.74. Wat leert U, HEER, de joden door de in 1948 opgerichte staat IsraŽl?
Ik toon mijn barmhartigheid en trouw door een deel van mijn volk terug te voeren naar hun land om het in deze staat tot nieuw leven te wekken, Gen. 15:12-21; Neh, 9:7b,10; Ez. 36-37; Zach. 8:7-8.
Ik gaf het door pogroms en Sjoa geteisterde volk de kans om Mij als hun God en Vader te heiligen en hun leven in te richten naar het model van de Tora van gerechtigheid, Ez. 36:22-38; Zach. 8:20-28; 9:8-17; Ps. 72; Luc. 21:24.
Ik gaf hun de uitgelezen kans om in eigen land hun mede-volksgenoot Jezus als mijn Zoon en als de hun beloofde Messias te erkennen en de volken op te roepen Hem te aanvaarden zoals vele Joden in de eerste eeuw dit gedaan hebben onder de heidenen, Hand. 2-28.

 

18.75. Hebt U door opgerichte staat IsraŽl een boodschap voor niet-joden?
Ik zet deze dagelijks in beeld als blikvanger ter herinnering aan mijn beloften aan Abraham en die aan oud-IsraŽl over mijn Zoon en het messiaanse rijk, Gen. 17; 1 Sam. 23:1-6; Jes. 9:1-7: Luc. 1:26-38.
Ik zal door mijn Zoon, Heer over allen, al mijn vijanden te zijner tijd verpletteren, Ps. 2; 110; 1 Kor. 15:12-28; Openb. 5-21.

 

18.75.1. Hebt U, Koning Jezus Christus, daarin ook een boodschap voor de islam?
Ik confronteer deze met Mijn beloften aan Abraham over Kanašn, Gen. 12-50.
Ik verbreid het evangelie van vrede door groepen van Joodse en Arabische christenen in het Midden-Oosten opdat allen zich buigen voor Mij, de zachtmoedige en rechtvaardige Koning der Joden, Zach. 8:9-10; Mat. 21:1-17; Joh. 19.
Ik ben de Enige die vijandelijke groepen, ook Soennieten en Sjiieten, IsaŽliŽrs en Palestijnen, tot elkaar kan brengen, maar vraag wel geloof in Mij, Ef. 2 en 3; Openb. 5.

 


 

Wie zich wil verdiepen in verbond en Sjoa, raadplege Gesprekken II, oefening 18 onder de vragen en antwoorden 351-375 en de oefeningen 16 tot 20. Wilt u zich uitgebreider in deze stof verdiepen, dan raad ik u aan aan te schaffen de Grote Protestants-Katholieke Catechismus, te bestellen bij de auteur.

 

19. Hoe wilt U dat wij het antisemitisme bestrijden? (76-82)

 

19.76. O hemelse Vader, hoe kunnen wij de haat tegen IsraŽl tegengaan?
Getuig van mijn liefde en uw liefde voor hen, leef mee in woord en daad.

 

19.77. Wat getuigen wij over dit volk van uw eerste liefde?
Vertel van mijn liefde voor mijn eerstgeboren zoon, die Ik heb bevrijd van de tirannie van Egyptenaren, Ex. 4:22; Hos. 11:1; Jer. 2:1-3; Mat. 2:15.
Gewaag van mijn liefde voor mijn eniggeboren Zoon, zoon van een jodin, die afstamt van Abraham en David, Mat. 1:1-17; Luc.1:32-33; 3:23-38.
Geef hoog op van mijn liefde voor mijn volk uit de volken, dat ik door mijn eniggeboren Zoon entte op mijn eerstgeboren zoon, Hand. 10-11; Ef. 2-3; Rom. 11.

 

19.78. Vereenzelvigt U, Heer Jezus Christus, zich met joden?
Ik voel Mij geraakt, als men mijn volk IsraŽl, dat mijn Vader uitkoos als zijn getuige voor de volken, krenkt, vernedert en vermoordt.
Ik neem echter afstand van allen die met mijn Vader en Mij braken en die de door ons gezondenen krenkten; wie hen aantast, tast ook mijn eer en de eer van mijn Vader aan, Mat. 10:40; Joh. 5:19-47; 8:31-59; Hand. 7:51-53.
Ik ben als Koning der Joden gekruisigd en verenig Joden en niet-Joden door in mijn lichaam muren van vijandschap te slechten, Joh. 19:19-22; Ef. 2:14-22.
Ik wil dat u uw vijanden liefhebt en zegent die u vervolgen in navolging van mijn Vader die zijn zon laat opgaan over slechten en goeden, Mat. 5:43-48.

 

19.79. Heeft uw Vader zijn volk niet vaak bedreigd met de vloek?
Ja, vele malen, maar altijd onder de voorwaarde dat zij zich konden bekeren en dat, als zij dit deden, Hij de vloek niet zou voltrekken, Lev. 26; Deut. 28-33.
Helaas moest Hij de vloek wegens hardnekkig ongeloof meermalen voltrekken zoals bij de wegvoering in de ballingschap, 2 Kron. 36:11-21.

 

19.80. Hoe wilt U, HEER, dat wij reageren bij de zin: Ďzij liggen onder uw vloekí?
Wij voltrekken de vloek nooit automatisch maar alleen bij verharding in ongehoorzaamheid.
Onze bedreiging met de vloek is geen opdracht om het joodse volk te straffen, maar aankondiging dat alleen Wij daartoe het recht hebben, Deut. 27-28.

 

19.80.1. Hadden wij allen mee kunnen doen met de roep: Ďkruis Hemí?
In u allen zitten dezelfde kiemen van haat tegen Mij waardoor verblinde leiders Mij uit de weg ruimden! Wees niet hoogmoedig maar nederig!
Ik kan ook u als onvruchtbare takken van de olijf afhakken, Rom, 11; vul in de evangeliŽn in plaats van joden uw eigen naam of dat van uw volk in.
Ik troost u daarmee dat Ik in plaats van u, haatdragers en moordenaars, Mijn Zoon beladen heb met de vloek om allen die in Mij geloven te zegenen met eeuwig leven, Mat. 27:35-44; Luc. 23:32-49; Rom. 1:17-3:29.

 

19.81. Zijn wij, Heer Jezus Christus, bij machte blokkades op te heffen?
Alleen mijn Vader is in staat de hoofdblokkade, de ergernis tegen Hem, tegen Mij en mijn kruis, op te heffen en aan de verblinding van het Joodse volk een einde te maken.
Hij is bij machte u te helpen om de door mensen opgeworpen nevenblokkades te verwijderen.

 

19.82. Wilt U ons helpen de blokkade dat de Kerk IsraŽl verving, op te ruimen?
Ik bouwde mijn gemeente op het fundament van Twaalf joodse apostelen en hun joodse medewerkers, zodat Kerk uit de volken rust op oog- en oorgetuigen uit de joden, Hand. 1-15; Ef. 2:20..
Ik rekruteerde de oergemeente met meer dan drie duizend leden uit het joodse volk zodat joden tot model staan voor de hele Kerk, Hand. 2:37-47.
Ik maakte gelovigen uit de heidenen tot mede-erfgenamen van de aan Abraham gegeven beloften en brak takken van het heidendom als wilde olijf af om die te enten op IsraŽl als edele olijf, Hand. 10 en 11:1-18; 15; Ef. 2:12, Rom. 11. Ik ben bij machte afgebroken takken van IsraŽl te enten op de edele olijf en daarop geŽnte onvruchtbare takken uit het heidendom te verwijderen, Rom. 11:11-24.
Ik verwierp een groot deel van IsraŽl, maar verkoos een vitaal deel om de Kerk daarop te gronden, zodat er continuÔteit is in het verbond.

 


 

Wie hierover meer wil weten kijkt bij Gesprekken II, raadpleegt oefening 19A bij de vragen en antwoorden 376-395, en oefening 19B bij 396-417.