Oefening: 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19a | 19b

 

Gesprekken II - Oefening 9 (168-200)

Hoe leren wij U kennen in het werkverbond en de oerbreuk?

1. Gesprek als gebed. (168-169)

 

168. HEER, waarom belastte U Adam met de verantwoordelijkheid voor allen?
Ik gaf hem deze sleutelpositie als eerste mens en vertegenwoordiger van één grote mensheidsfamilie.
Ik richtte met hem als hofbeheerder een verbond op en legde hem een proefgebod op, waarin Ik hem toetste, met sancties van zegen en vloek.
Ik gaf hem vrijheid om van alle bomen te eten behalve van de boom van de kennis van goed en kwaad en bepaalde dat zijn gehoorzaamheid beslissend zou zijn voor leven of dood van al zijn nakomelingen, Gen. 2:17; 3:19.

 

169. Hoe was uw reactie, Getrouwe, op zijn ongehoorzaamheid?
Ik was diep teleurgesteld, beledigd en vertoornd dat mijn kinderen meer geloof hechten aan een schepsel en leugenaar dat aan Mij, hun Schepper en HEER, en een gouden kans verspeelden.
Ik hield Mij aan de door Mij uitgesproken verbondssancties, sprak hun doodvonnis uit en verdreef hen uit de tuin van Eden, Gen. 3.
Ik bleef mij, geraakt door hun schrik, schaamte en smart over de gevolgen van val, met hen bemoeien tot Ik de goddeloosheid van hun nageslacht niet meer kon aanzien en ingreep met de grote vloed, Gen. 6-9.
2. Hoe weten wij dat de slang een instrument van Satan was? (170-174)

 

170. Staat er, leraar, in Genesis 3 dat de slang instrument van Satan was?
Nee, maar zijn gedrag verraadt Satans trucs. De context en bijbel spreken ook een woord mee. De slang geldt als listig, verraderlijk, angstwekkend, giftig en zeer gevaarlijk, Deut. 8:14-15. Hij verschuilt zich in muren en overvalt onverhoeds mensen, Pred. 10:8, en bijt hen in de hiel, Gen. 49:17; Amos 5:18-20. Hij werd symbool van het kwaad. Goddelozen spitsen hun tong als een slang, addervenijn schuilt achter hun lippen, Ps. 140:4; Rom. 3:13. De tegenstander kan worden tot wortel waaruit een adder voortkomt met als vrucht een mensen verslindende gevleugelde draak, Jes. 14:29; Openb. 12:9.

 

171.Waar wordt Satan geïdentificeerd met de oude slang?
Johannes noemt Satan de oude bekende slang, gevaarlijker dan ooit, omdat hij trawanten heeft opgetrommeld voor de beslissende slag. Michaël en zijn engelen vochten hem de hemel uit. “De grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die Duivel en Satan heet en die de hele wereld misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen met hem.” “Wee u, aarde en zee, de duivel is ziedend van woede naar u afgedaald, want hij weet dat zijn dagen geteld zijn.”, Openb. 12:9,12b.

 

172. Hoe ging Satan in de hof van Eden te werk?
Hij verdraaide Gods Woord door het zo voor te stellen dat God verbod alle bomen gold. “Heeft God echt gezegd dat u van geen enkele boom in de hof mag eten?”, Gen. 3:1. Toen Eva antwoordde dat het verbod één boom gold en op overtreding de doodstraf stond, verkondigde de aartsleugenaar brutaal het tegendeel en brandmerkte de Betrouwbare als Misleider. “U zult helemaal niet sterven. God weet dat uw ogen open zullen gaan als u van die boom eet en dat u dan gelijk zult worden aan God door de kennis van goed en kwaad.”, Gen. 3:4. Hij bracht haar in de waan dat dit verbod een voorwendsel was om haar onmondig te houden en iets groots te onthouden.

 

173. Hoe trad Jezus op tegenover Satan en hoe typeerde Hij hem?
Jezus ging na zijn doop en aanstelling tot Messias aanstonds een duel aan met Satan in de woestijn, die in zijn optreden gelijkenis vertoont met de slang als misbruiker van Gods Woord, twijfelzaaier en provocateur, Mat. 4:1-11. Hij diskwalificeerde zijn tegenstanders als zonen van de duivel, moordenaar en leugenaar het begin af, Joh. 8:44; vgl. 8:31-59.

 

174. Zijn er dan twee goden, als er al van het begin af een leugenaar was?
Neen, er is één God. De leer van twee goden in het zoroastrisme of de Perzische godsdienst doet tekort aan Gods eenheid en almacht. Het kwaad is geen zelfstandig principe, maar ontaarding van het goede. Satan (= verleider) of de duivel (= lasteraar) werd ongehoorzaam aan God en verviel tot kwade praktijken zoals de maffia maar blijft aan Hem ondergeschikt.
3. Is Adam onze stamvader of is hij ‘alleman’ ? (175-177)

 

175. Leert het Oude Testament dat Adam een persoon van vlees en bloed is?
In Genesis 1:26-28 wordt over adam als soort gesproken: ‘aardeling’. In het vervolg is Adam de echtgenoot van Eva en vader van Kaïn en Abel, Gen. 4.
In het geslachtsregister in Genesis 5 wordt de heer Adam vijf maal genoemd, 5:1-5. Op zijn 130ste jaar wordt hij vader van Set, op zijn 930ste jaar sterft hij. Het eerste geslachtsregister in Genesis 5 loopt van Adam naar Noach. Het register in 1 Kronieken 1-8 begint bij Adam en eindigt via Sem, Abraham, Juda, David bij nakomelingen van andere stammen. Adam staat dus als eerste in de canon van de groten: Noach, Abraham, David.

 

176. Leert het Nieuwe Testament dat Adam een historisch persoon is?
Lucas begint Jezus’ stamboom met Jozef, zijn vader-naar-de-wet, en gaat via David, Abraham en Noach terug naar Set, zoon van Adam, de zoon van God, Luc. 3:23-38; Matteüs begint bij Abraham en eindigt via David bij Jozef, de man van Maria, Mat. 1:1-16. Paulus waarschuwt gemeenteleden zich niet door valse profeten te laten afvoeren van de toewijding aan Christus zoals Eva zich liet verleiden door de sluwe slang, 2 Kor. 11:3-4; vgl. 1 Tim. 2:13-14. Hij ziet de mensheid vanuit Adam en Christus, die (meer) deed (dan) wat Adam had moeten doen, Rom. 5:12-21.

 

177. Is het juist om in Adam ‘alleman’ te zien en zijn val als die van ‘elkeen’?
Wie Adam ‘onthistoriseert’ volgt een mode, die ingaat tegen de tekst van de bijbel en zijn sleutelpositie ondermijnt. Wie Adam ziet als illustratie van een ‘iegelijk’ of personifieert tot alleman of tot leermodel maakt van constanten in onze misstappen, miskent of onderschat wat voor ellendige gevolgen zijn misstap heeft gehad en heeft. Zijn val is een onheil dat heel de mensheid ontwricht heeft. Wel worden wij nog op soortgelijke wijze als Eva en Adam bedwelmd en schuilt de oude ongehoorzame ‘Adam’ en ’Eva’ is ons, maar Satan zou geen kans hebben om ons te bedwelmen als Adam stand had gehouden.
4. Wat betekenen de Adam-Christus-parallel en de straffen? (178-182)

 

178. Hoe weten wij, leraar, dat Adam onze vertegenwoordiger was?
Dat heeft Jezus ons geopenbaard door Paulus van Tarsen, die Hij tot apostel en leraar van de volken heeft geroepen, Hand. 9. Toen deze op weg was naar Damascus om nog meer slachtoffers onder christenen te maken, omstraalde hem een hemels licht en hoorde hij, op de grond gevallen, een stem: “Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij.”. Deze zei: “Wie bent U dan, Kurios?” “Ik ben Jezus die u vervolgt. Kom, sta op en ga de stad binnen; daar zal gezegd worden wat u moet doen”. 9:4-6. Daarop zetten de Heer de christen Ananias aan het werk om Paulus in de Rechte straat in Damascus op te zoeken.
Deze protesteerde hiertegen omdat hij zich niet wilde inlaten met deze vervolger. Daarop Jezus: “Ga er heen, want deze is werktuig van verkiezing voor Mij – een uitverkoren vat - om mijn Naam hoog te houden onder de heidenen en hun koningen en Israëls zonen. Ik zal hem namelijk tonen hoeveel hij moet lijden ter wille van mijn Naam.”, Hand. 9:15-16. Jezus gaf deze apostel vele visoenen en openbaringen en nam hem voor een tijd op in het paradijs, 2 Kor. 12:1-4. Hij gaf hem ook licht over zijn relatie met Adam.

 

179. Wat openbaart Jezus in de parallel Adam-Christus?
Zij staan als twee sleutelfiguren staan tegenover elkaar, Rom. 5:12-21. Adam is vertegenwoordiger van de mensheid, kandidaat van leven of dood, Gen. 3:15-17. Hij is (tegen)beeld van de andere sleutelfiguur Jezus Christus, Gods gehoorzame knecht, kandidaat voor de dood voor ons opdat wij leven. Als de ongehoorzame Eva en Adam door ongehoorzaamheid het verbond verbreken, veroordeelt de Rechter hen en in hen heel de mensheid ter dood, maar zond daarna Jezus Christus, zijn geliefde Zoon, om de breuk te herstellen en ons door zijn gehoorzaamheid ten leven te rechtvaardigen. “Dus, zoals door de overtreding van de ene het voor alle mensen kwam tot veroordeling, zo kwam het ook door de gerechtigheid van één voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. Zoals door de ongehoorzaamheid van de ene mens de velen in staat van zondaren gesteld werden (= kat-estathèsan), zo werden ook door de gehoorzaamheid van de ene de velen in de staat van rechtvaardigen gesteld.”, Rom. 5:18-19.

 

180. Hoe kan één staan in de plaats van allen?
De HEER openbaarde over de verhouding van enkeling en gemeenschap aan Ezechiël (6e eeuw v.C.) drie waarheden die we als eenheid moeten lezen.
God zal ieder mens afzonderlijk doen leven door eigen gerechtigheid en doen sterven door eigen ongerechtigheid; een vader wordt niet gestraft voor de ongerechtigheid van de zoon en omgekeerd, Ez. 18.
Hij geeft ieder de opdracht van wachter en herder voor de naaste. De verantwoordelijkheid sluit het individualisme uit en zorg voor anderen in. De wachter op een stadsmuur moest de bevolking waarschuwen voor naderende vijanden; deed hij dit, dan redde hij zijn eigen leven; bleef hij in gebreke dan werd hem dit aangerekend, Ez. 33.
God straft een ongehoorzaam volk collectief voor wandaden zoals hij dit ook zegent bij gehoorzaamheid, Ex. 20:4; Deut. 28-32. Hij strafte de mensheid om Adams misgreep, Gen. 3, en deporteerde de bevolking van het Zuidelijke en Noordelijke rijk om de geloofsafval van velen, Ez. 2-17; Ps. 74; 78.

 

180.1. Acht u, leraar, uw mondigheid strijdig met uw veroordeling in Adam?
Nee, ik ben niet de eerste mens; ik heb mijzelf niet in leven geroepen. Adams veroordeling geschiedde vóór mijn tijd, buiten en over mij en ook nog tegen mijn wil, maar ik behoor tot de mensenfamilie als zoveelste afstammeling van hem. Ook ben ik al gestorven en begraven en opgestaan met Christus voor ik geboren was, Rom. 6. Had de Zoon eerst, voordat Hij dit deed, aan ons moeten vragen: ‘wilt u dit sterven wel ondergaan en wilt u wel opstaan?’ Sterker, had God de Vader eerst aan ons moeten vragen: ‘wilt u eigenlijk wel geboren worden?’

 

181. Welke zes vonnissen sprak de Aanklager-Rechter uit in Genesis 3:9-19?
Ik straf u, overtreders, met schuldige slechtheid in volgende generaties. (1)
Ik ontketen vijandschap tussen u, vrouw en uw zaad, en het slangenzaad. (2)
Ik tref u, vrouw, met moeiten rond uw zwangerschap en manrelatie. (3)
Ik tref u, man, in uw bestaansmoeiten en loopbaan. (4)
Ik spreek het doodvonnis over u beide en de mensheid uit. (5)
Ik verdrijf u uit het paradijs en sluit de toegang af. (6)

 

182. Welk karakter dragen deze straffen in het licht van de heilsgeschiedenis?
Zij moeten mede geduid worden vanuit het genadeverbond. De Rechter nam zelf het initiatief om de vloek over ons in Christus weg te nemen, Gal. 3:13. Wij buigen ons als schuldigen onder deze straffen, maar verheugen ons ook in onze rechtvaardiging en weten ons geroepen mee te werken aan de komst van Gods Koninkrijk en aan de verzachting of bestrijding van de vloek. Het verbond is geen noodlot; de mens blijft een verantwoordelijke rol spelen om door gehoorzaamheid de vloek te weren en de zegen te ontvangen.
5. Wat houdt het strafvonnis van verdorvenheid in? (183-185)

 

183. Wat was de eerste straf in Gods vonnis?
Dat was het bederf in verstand, hart en geweten, de geestelijke dood. De schuldige vlucht uit zijn angstig geweten over misstappen en voor straf in een reeks beschuldigingen van de naaste, Gen. 3:9-13. Zijn ene zonde baart de volgende, Jak. 1:14-15. Kaïn opende de rij van jaloerse broedermoorden, Gen. 4:1-16. De bloedige golven van ongerechtigheid gingen zo hoog dat God door een watervloed de mensheid wegspoelde, Gen. 6-9. Dit werd verwoord in de term erfschuld, omdat God ons als mensheid de schuld van Adam toerekent, en erfsmet, omdat wij met zondige neigingen ter wereld komen.

 

184. Wordt een baby als verse sneeuw onbezoedeld geboren?
Nee, de kiemen van het kwaad zitten er al in. Verdorvenheid ontstaat niet pas door omgang met slechte mensen of onder druk van de omstandigheden; deze kan daardoor wel groeien, maar is daarvoor al aanwezig. Uit het hart komen slechte gedachten, moord, overspel, ontucht diefstal, valse getuigenis en laster, Mat. 15:18-19; vgl. Ps. 51:7. De mensheid is - inclusief baby’s – verdorven en daarom voorwerp van zijn toorn. We staan alleen op uit de geestelijke dood van haat en nijd tot de liefde door de kracht van de Heilige Geest, Ef. 2:1-7.

 

185. Blijven schuld en smet ons ergeren?
Velen ergeren zich eraan dat de Rechter de ongehoorzaamheid van het eerste echtpaar ons toerekent (= erfschuld) en ieder geboren wordt als gebondene aan het kwaad zonder vrije wil om op te staan tot het goede (= erfsmet). Zij vinden het dwaas dat Jezus’ kruis nodig was voor hun bevrijding, 1 Kor. 1:18-2:16. Ze erkennen dat de mensheid slecht is maar zijn er blind voor dat dit de gevolgen zijn van de verbondsbreuk. Onze instelling daarover wordt anders als de Heilige Geest onze ogen opent voor het wonder dat God in Christus onze schuld zonder ons al wegnam. Dan erkennen we de schuld van de mensheid van het begin af en de noodzaak van het kruis als openbaring van Gods kracht en wijsheid tot behoud, 1 Kor. 1:18-25. Onder heerschappij van de Geest strijden we tegen de zondige natuur, Rom. 7-8.
6. Wat is de straf van strijd tussen vrouwen- en slangenzaad? (186-187)

 

186. Wat sprak de Rechter uit over de komende strijd?(Tweede straf)
Hij veroordeelde de slang om voor altijd kruipend in het stof te bijten. Gen. 3:14; had deze zich voor die tijd met een opgericht lichaam voortbewogen? De soms giftige slang is in het Oosten gevreesd, al fungeerde hij ook eens in brons als zinnebeeld van leven, Num. 21:4-8; Joh. 3:14-21. In het messiaanse rijk kent ieder God en steekt een kind zonder angst de hand in het slangennest, Jes. 11:8b; vgl. 11:1-9. In de huidige wereld strijden de kinderen van de vrouw tegen die van Satan, tegenstander van God en mens, van wie de slang het symbool is. De Almachtige gebruikt vijanden als gesel om oud-Israël, als dit Hem mishaagde, te tuchtigen of te beproeven, Richt. 2:1-23; 3:1-6. “Toen ontbrandde de toorn van de HEER tegen zijn volk en Hij leverde hen over aan plunderaars.”, Richt.3:14. Gods hand keerde zich tegen hen zodat Hij hen verspreidde hen in alle landen, Ps. 106:26-42.

 

187. Waarin openbaart zich Satans tirannie en Christus’ overwinning?
Dieptepeilingen in bijbel en geschiedenis tonen aan hoe zwaar de strijd tussen Gods kinderen en Satans kinderen is, Mat. 4:1-11;10:5-42; 12:22-37; 13:1-23; 24-30; 36-43; 18:8-9; Mc. 1:21-34; Ef. 6:10-20; 1 Joh. 3:1-10; Openb. 12 en 20. Er zijn uitleggers die in Genesis 3:14 en 15 alleen straf zien, maar wie de heilsgeschiedenis erin betrekt, ontdekt hierin de ‘dubbele bodem’ van vloek en zegen. Christus vermorzelt de kop van Satan, die in de hiel van zijn Kerk bijt of gif spuit. De vrouw (= Kerk) moet vaak vluchten voor Satan, belust is op haar vernietiging, Openb. 12. Op vrijdag 28 november 2008 staken in Jos, Noord-Nigeria, ultra-moslimjongeren huizen van christenen en brand en staken met messen op hen tot zij stierven; op die dag kwamen er 129 christenen om, werden 45 kerken met de grond gelijk gemaakt, 11 geplunderd en sloegen 30.00 mensen op de vlucht, Open Doors, 496, oktober 2009. De christenen verleenden moslims ruimte om moskeeën te bouwen, maar deze keerden zich tegen hen; weduwen komen de moordenaars van hun man op straat tegen. Zij roepen ook met gematigde moslims het gebed uit van de heiligen in de hemel. ”Hoe lang nog, heilige en waarachtige Heerser, zult u het oordeel uitstellen en ons bloed niet wreken op de aardbewoners?” Een stem zei hen te wachten tot het aantal martelaars volledig zal zijn, Openb. 6:9-11. Christus overwint zijn vijanden door liefde en strafgerichten, Openb. 15, oef. 7, 25, 26,27.
7. Wat is de straf van de vrouw en die van de man? (188-189)

 

188. Wat was de straf voor de vrouw? (Derde straf)
God trof haar in moederschap en manrelatie, Gen. 3:16. Zij kan lijden onder een ongewenst groot kindertal, sterven door bloedvergiftiging bij bevallingen of gedreven worden door een sterke begeerte naar de man en als slaaf onder zijn overheersing geraken, maar Christus herstelt het wanbeeld en heelt verwrongen relaties, voorziet ons van medische middelen om ontwrichting tegen te gaan en maakt man en vrouw dienstbaar aan elkaar, Joh. 13:1-17.

 

189. Welk strafvonnis trof de man?(Vierde straf)
God trof hem in zijn worsteling om in zijn onderhoud te voorzien in misoogsten, economische neergang en door oorlogen verwoeste of door droogte verschraalde streken, Gen. 3:17-19a; Rom. 8:20. Christus is gekomen het Koninkrijk van gerechtigheid te brengen, zwoegers te bevrijden van ketenen en ieder een rechtvaardig loon naar verdienste, ijver of barmhartigheid te geven, Luc. 4:16-21; Mat. 20:1-16; 25:14-30; 1 Kor. 15:58.
8. Wat houden doodvonnis en verdrijving uit het paradijs in? (190-193)

 

190. Wat was de straf in levenslengte? (Vijfde straf)
De Rechter maakte met zijn doodvonnis, Gen. 3:19b, zijn bedreiging aan de eens kansrijke kandidaat waar, Gen. 2:17b. In de mens-uit-stof zat de kans tot leven door gehoorzaamheid, ook op hoger niveau, en de kans tot de dood door ongehoorzaamheid, Rom. 2:1-11; 6:15-19; 1 Kor. 15:35-48. De dood van de mens is geen natuurlijke voltooiing, maar tegen-natuurlijke afbraak; geen zoete vriend maar de bittere, laatste vijand; zij mag soms opluchting zijn voor lijdenden of verveelden, maar is bestraffing van ongehoorzamen en executie van verbondsbrekers. Alleen omdat Christus het gif van schuld uit de dood haalde, is deze geen straf meer maar doorgaan van beginnend paasleven naar volop bloeiend eeuwigheidsleven, Oef. 25, 49,50. Rom. 5:12-21, Oef. 20-21.

 

191. Gold in het Oude Testament alleen levensverkorting als straf?
Gelovigen rekenden op de vervulling van de beloften van een lang leven voor rechtvaardigen en ervoeren een kort leven als straf. Ook waren er die na dit aardse leven niets meer verwachten en het sombere schimmenrijk schuwden. Ook in het OT kent de HEER alleen levenden. Hij belooft rechtvaardigen leven, ook na de dood, Jes 26:14 en19a. Het OT en NT vormen een geheel. Zoals de dood er is door Adam, zo is de opstanding er door Christus, 1 Kor. 15:21; Rom 5:17. Alleen vanuit Christus’ werk verstaan we het doodvonnis in Genesis 2:17 en 3:19. De prikkel of angel van de dood is de zonde; de kracht daarvan is Gods wet die ons ter dood veroordeelt, maar God zij dank – Hij geeft ons de overwinning door onze Heer Jezus Christus, 1 Kor. 15:56-57.

 

192. Wat hield de verdrijving uit het paradijs in? (Zesde straf)
De Eigenaar verdreef de tuinier na zijn vervroegd ontslag uit zijn veilige, ideale locatie en verwees hem als balling naar onontgonnen land, Gen. 3:20-24. Hij sloot voor de kenner van goed en kwaad, die zijn geluksglazen had ingegooid, de toegangsweg tot paradijs – Perzisch: paradaeza – en levensboom door engelen (cherubs). Dit paradijs ligt achter ons. Jezus opende het nieuwe, ook voor bekeerde moordenaars: “Waarlijk, Ik zeg u: heden – Goede Vrijdag – zult u met Mij in het paradijs zijn.”, Luc. 21:43; Openb. 2:7.

 

193. Hoe typeerde Augustinus paradijs, zondestaat en het nieuwe paradijs?
Deze kerkvader (354-430) vond een gevleugeld geworden drieslag uit.
Wij bevonden ons in de toestand van kunnen-zondigen en kunnen-sterven.
Wij vervielen in het niet-kunnen-niet-zondigen en niet-kunnen-niet-sterven.
Wij bereiken - in het nieuwe paradijs - de toestand van het kunnen-niet-zondigen en kunnen-niet-sterven, Over het Rijk Gods, boek XIII en XIV.
9. Wat beleed de Kerk over de val en de verlossing? (194-197)

 

194. Wat beleed de Rooms-katholieke Kerk ?
Satan verleidde aan het begin van de geschiedenis onze voorouders tot ongehoorzaamheid; voor hem en zijn engelen is geen berouw meer mogelijk net zo min als voor mensen na hun dood; er is geen alverzoening.
Door ongehoorzaamheid is Adams natuur gewond; hij is onderworpen aan onwetendheid, lijden en dood en geneigd tot zonde; hij verloor de oorspronkelijke heiligheid en gerechtigheid van de bestemming op het aanschouwen van God, al bleef deze als belofte bestaan.
Adam en Eva droegen deze erfzondige natuur over op hun nakomelingen, die evenals zij moeten sterven, omdat zij zich boven God stelden.
De doop doet de erfzonde teniet door Christus’ genade en brengt Hem weer in gemeenschap met God; deze heiligmakende genade kan verloren gaan en daarom heeft hij het boetesacrament nodig voor herstel. Zijn verzwakte, tot het kwade neigende natuur roept hem op tot strijd tegen de duivel.
Wie Christus kent als genadebron, herkent Adam als zondebron; erfzonde is keerzijde van de verlossing; wie de erfzonde aantast, doet afbreuk aan Christus’ verlossingswerk.

 

195. Wat belijdt de Protestans-katholieke Kerk over de val en erfzonde?
De Heidelbergse Catechismus van 1563, zondag 2 tot 5, en Westminster Confessie van 1647, hoofdstuk 6 en 7, tillen zwaar aan de val en gevolgen.
God heeft ons goed, rechtvaardig en heilig geschapen om in liefde tot Hem eeuwig te leven tot zijn lof. Adam en Eva verbraken het werkverbond met belofte van eeuwig leven; daardoor is onze natuur verdorven, WECO, h. 7, sub 2.
Zij verloren hun oorspronkelijke gerechtigheid en de gemeenschap met God. Zij gingen geestelijk dood: al hun vermogen en alle delen van ziel en lichaam werden aangetast. Daar zij de wortel waren van de mensheid, rekende de Rechter hun zonden aan de mensheid toe; zij plantten hun dood-zijn-in-zonde over op hun nageslacht. Door de erfelijke verdorvenheid zijn wij onbekwaam en onmachtig tot het goede, gekant tegen het goede en geneigd tot alle kwaad. Uit de zondige aard komen alle slechte gedachten, woorden en werken voort.

 

196. Wat doet de Heilige Geest in gelovigen?
Als Hij de liefde uitstort, gaat de wedergeborene het goede denken, begeren en doen, maar de boze neigingen verdwijnen niet helemaal. De paasmens voert levenslang strijd tegen de te kruisigen rebel in zichzelf. Van de heiligen draagt de een meer vrucht dan de ander, maar ook de verst gevorderden op dit pad of ‘allerheiligsten’ maken pas een begin, HC. Zo. 44, vr. 114.

 

197. Is er nog iets goeds in de gevallen mens overgebleven?
God werkt ook in (nog) niet-bekeerden en onwetenden. Hij geeft zich dagelijks aan ieder te kennen als Onderhouder en Wetgever door schepping en geweten, Rom 1:18-20; 2:14. Daarom heeft ieder een religieus gevoel en verricht handelingen die uitwendig overeenkomen met Gods wet: burgerlijk fatsoen, bekwaamheid tot ambachten enz. Na de Pinksterdag verhoogde de Heilige Geest het beschavingspeil ook door invloeden van de bijbel en de Kerk. Toch blijven de kiemen van ongerechtigheid in ieder mens aanwezig en kunnen in bepaalde situaties gruwelijk opspelen in moordpartijen.
10. Wat leren joden en moslims over werkverbond en val? (198-200)

 

198. Wat leren joden en moslims over de val van Adam?
Zij erkennen de ‘valse start’ van Adam en Eva, maar verbinden daaraan niet de toerekening van hun ongehoorzaamheid aan de mensheid en erfsmet, Rom. 5:12-21. De koran geeft een eigen versie van het gebeuren in de hof en Satans val en is optimistischer over de mens dan het christendom, Oef. 8B.

 

199. Wat leren de joden over de erfzonde?
Liberalen stellen de rede centraal, denken mild over de mens en zien in Genesis 2 en 3 de uitbeelding van wat er met ieder gebeurt (‘elckerlyck’). Deze vlucht van het oerbegin miskent het zwaargewicht van de val en individualiseert de mensheid. De Kerk heeft dit nooit gewettigd. Conservatieven houden gewoonten en tradities in ere, maar niet zo streng als orthodoxen de joodse wetten; zij achten Adams val niet de bron van alle ongerechtigheid. Zij verschillen van ultra-orthodoxen, herkenbaar aan een streng onderhouden wetspraktijk, kleding, haar- en baarddracht en hun leven in gesloten gemeenschappen; deze keren zich soms met geweld tegen belijders van de leer aangaande zonde en verlossing door Jezus Christus.

 

200. Wat leren Messias-belijdende joden?
Zij streven ernaar de oergemeente van Yeshua van Nazaret te herstellen en de ogen van volksgenoten voor Hem als de Messias-Verlosser te openen. Met meer dan tienduizend leden in 2008 in de staat Israël vinden zij dat mede-joden de ernst van de zonde en noodzaak van een persoonlijk verlossing niet genoeg inzien. Dit geldt vooral de seculieren, die geacht worden de band met Hem te hebben doorgesneden, maar toch nog vaak hu zonen laten besnijden, al staan ze onverschillig tegenover leerstukken. In hun verzet tegen oppervlakkig zondebesef en legalisme kunnen de messiasbelijdende joden MBJ’s) zich aansluiten bij de leer van de Kerk over erfzonde en wedergeboorte, heiliging en toerusting door de Heilige Geest.

 

Oefening: 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19a | 19b