Oefening: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8a | 8b

 

Gesprekken II - Oefening 8b (155-167)

Wie is de mens volgens de Koran?

1. Zijn mensen volgens de koran beelddragers van Allah? (155-157)

 

155. Wat verstaat, leraar, een moslim onder een overgegevene? (1e kenmerk)
Deze wijdt zich toe aan Allah, die hem schiep met aanleg tot het goede. De toewijding behoort tot zijn oorspronkelijke natuur; ieder is van nature moslim; de islam geldt als de ‘natuurlijke’ godsdienst van allen. Abraham herstelde als overgegevene (= moslim) de oorspronkelijke godsdienst en brak met de dienst aan vele goden, s. 3:19-20; 65-68. De toegewijde stijgt op de ladder door zijn getuigenis, dagelijkse gebed, armenbelasting, vasten, bedevaart en strijd tegen zichzelf en zijn tegenstanders.

 

156. Waarom wordt de mens in de Koran niet als beelddrager getekend?
Niemand en niets is aan Allah gelijk, ook niet als beeld. Hij is geen Vader, op wie kinderen lijken; Hij heeft geen Zoon in mede-goddelijke zin; en Hij heeft evenmin kinderen op aarde. Vaak wordt soera 112 van de toewijding (al-ichlaas) gereciteerd: ‘Zeg: Hij is God als Enige, God de bestendige. Hij heeft niet verwekt en is niet verwekt en niet één is er aan Hem gelijkwaardig.’

 

157. Wat zegt het christendom van dit verzet tegen de mens als’beeld Gods’?
Dit wijst afgoderij af en belijdt God als (Drie)-Ene, Deut. 6:4-5; Ps. 115, en de mens als zijn beeld. Gelovigen heten kinderen van de Vader, verlosten door de Zoon en tempels van de Heilige Geest. Zo beleed de jood-christen Paulus in de wereld van de vele Griekse goden de Drie-Ene. “Wij weten dat in heel de wereld geen afgod bestaat en dat er geen God is behalve de Ene. Want ook al zijn er zogenaamde goden - hetzij in de hemel, het zij op de aarde, en in deze zin zijn er vele goden en halfgoden – toch is er voor ons maar één God,
de Vader, uit wie alles voortkomt en voor wie wij bestemd zijn,
en één Heer Jezus Christus door wie alles er is en door wie wij leven.”, 1 Kor. 8:4b-6;
elders noemt hij ook de Heilige Geest op goddelijk niveau, 2 Kor. 13:13; Ef. 4:1-6.

 

157.1. Is ons bestaan (g)een gelijkenis van dat van de Ene Barmhartige?
Heeft Allah gesproken in verstaanbare taal tot Adam, Abraham, Mozes, Israël en Mohammed? Als zij hem verstaan hebben, moet er toch een gelijkenis tussen Hem en hen zijn!? Als Hij zich noemt de Barmhartige of Geduldige, neemt Hij daarmee toch een vorm van gelijkenis tussen Hem en ons aan?
Als Allah de Schepper is van de gemeenschap van man en vrouw, van familieleden en volksgenoten, ligt het dan niet voor de hand aan te nemen dat Hij ook in zichzelf een gemeenschap is, toen Hij nog geen mens had geschapen?
Duidt de zending van profeten en oproep tot ommekeer er niet op dat Hij de verbroken gemeenschap met hen begeerde te herstellen?
2. Wat betekent het dat de mens dienaar en gelijkwaardig is? (158)

 

158. Waarom heet, leraar, de mens dienaar? (2e kenmerk)
Ieder is geschapen als dienaar van Allah, soera 51:56. Hij is gelijkwaardig met anderen, 30:30. Omdat de mens vergat dat hij dienaar was, stuurde Allah profeten om hen daaraan te herinneren, 30:30. Heel wat moslims gelden als trouwe, gehoorzame onderdanen, 2:207; 3:15,30, en heten Abdoelah (= dienaar van Allah) of Abdoer Rachman (= dienaar van de Barmhartige). Mohammed is dienaar, 17:1; 72:19, maar wie hem niet gehoorzaamt, gehoorzaamt niet aan Allah en omgekeerd, 8:20; 24:47-56 (acht maal); hij riskeert de toorn van Allah.

 

158.1. Zijn alle mensen volgens de islam echt gelijk?
Joden en christenen worden in menig moslimland geduld als lieden van het boek en minderheid met beperkte rechten en bijzondere verplichtingen. Hun gelijkwaardigheid staat onder grote druk. Hun wacht een pijnlijk loon in de hel als zij de Koran hebben leren kennen en daaraan niet geloven, 3:98-109. Ongelovigen (= kafirs) worden bestreden met geduld, bij verzet met geweld.
Vrouwen hebben niet dezelfde rechten als mannen; hun positie verschilt van land tot land; regel is dat vrouwen hun mannen gehoorzamen op straffe van tuchtiging, 4:34. Er zijn boeken te vullen met onderdrukking van de vrouw.
Afvalligen van de islam worden meestal in eigen kring verstoten. In sommige landen krijgen zij een doodvonnis en worden bedreigd met de hel, 3:86-91; 98-109. De koran kent voor hen geen tijdelijke straffen wel eeuwige; de moordenaar van afvallige moslims kan zich niet beroepen op de koran.
3. Hoe eert de vrome moslim Allah? (159)

 

159. Wie is de mens die Allah gedenkt? (3e kenmerk)
De Horende en Wetende roept de vrome om naar Hem te luisteren en zijn ziel te reinigen en zijn ziel naar het hoogst denkbare niveau te voeren door Hem te gedenken (dhikr) en zijn deugden te verheerlijken. ‘En u, die geloven, gedenkt God vaak en prijst Hem ’s ochtends en ’s avonds.’, s. 33:41. Vele moslims mediteren over Allah’s deugden en reciteren deze op zachte wijze om anderen niet te storen. Beroepszangers oefenen jarenlang op het reciteren voordat zij in staat zijn hun gehoor tot tranen toe te ontroeren, 5:83. Velen zijn huiverig voor muziek omdat God en de ziel dan met elkander zouden versmelten.

 

159.1.Kunt u ook een teksteenheid als voorbeeld aanhalen uit de koran?
Een passage in een ochtend- en avondgebed luidt:
‘Hij is Allah buiten Wie er geen godheid is.
Hij is de Koning, de Heilige, de Bron van vrede, de beschermer van het geloof,
de Schenker van veiligheid,
de Machtige, de Onweerstaanbare, de Majestueuze.
Verheven is Allah boven wat zij als metgezellen naast Hem plaatsen.
Hij is Allah, de Schepper, de Maker, de Vormgever.
Aan Hem behoren de schone namen.
Al wat in de hemel of de aarde is verheerlijkt Hem.
Hij is de Machtige, de Wijze.’, S. 59:22-24.
4. Wat betekent het dat de mens afhankelijk en één is? (160-161)

 

160. Hoe afhankelijk is de mens volgens de Koran? (4e kenmerk)
Allah schiep hem uit klei, slijk, 15:26; 28:32; 75:37-40, en een bloedklomp, 96:1-2, en blies daarna zijn geest in hem, 15:29. Als dienaar onderwerpt de mens zich aan de wil van de Albeheerser die over allen en alles beschikt, 3:26-27.. ‘En Allah brengt tot dwaling wie Hij wil en Hij brengt op het goede pad wie Hij wil.’, 14:4b. De mens is verantwoordelijk voor zijn daden, begaat het slechte ten koste van zichzelf en zal ook geoordeeld worden op de jongste dag. Er is een hevige spanning tussen de leer dat Allah over allen beschikt en de Schepper van het kwaad is en dat de mens verantwoordelijk is voor zijn daden. Het beroep op de alles Beschikkende kan leiden tot verslapping en gelatenheid; de omvangrijke plichtenleer brandmerkt een te snel beroep op Allah’s almacht als gemakzucht.

 

161. Is de mens naar ziel en lichaam één en keert hij terug tot God? (5e kenmerk)
Allah schiep de mens naar lichaam en ziel als een ideaal, voortreffelijk en allerschoonst wezen, 96:1-5, staat hem toe van het leven te genieten en beproeft hem om te zien of hij dankbaar is, 3:168; 67:2; 18:7. Dit leven telt alleen als een op weg zijn naar het leven na de dood; investeren in dit leven is vooral van belang als bijdrage aan een goede positie in het hiernamaals. De oordeelsdag is een van de voornaamste geloofspunten in de Koran; meer dan driehonderd teksten getuigen daarvan. De ziel sterft, keert terug tot God en wordt bij de opstanding verenigd met het lichaam. Allah weegt goed en kwaad af en zendt gelovigen, indien de schaal van hun goede werken doorslaat tegenover de schaal van de slechte werken, naar het paradijs, maar ongelovigen naar de hel, Oef. 49-50.
5. Is de mens slecht? Wat doet hij als kalief? Wat is de Sjaria? (162-163)

 

162. Hoe slecht is de mens? (6e kenmerk)
De engelen moesten knielen voor Adam, die hen alle namen leerde, maar dit weigerde alleen Iblis (= de duivel), 2:31-34. Deze ongelovige of ondankbare (= kuffaar, meervoud kafir) werd tegenstander van God en mens en leider van verderfbrengers. Hij verleidde de mens van de boom te eten, 2:35-36, zodat God hem uit het paradijs - waarvan men aanneemt dat dit in de hemel gelegen was - verdreef naar de aarde, 2:36. Na zijn val is de mens weliswaar zwak, ondankbaar, ongelovig, drager van Gods toorn en onderhevig aan aanvallen van Iblis en strafwaardig voor de hel maar hij is niet behept met erfzonde. Hij is bij machte het goede te doen met zijn vrije wil ten goede en ten kwade; hij kan opstaan uit het kwaad en zich verweren tegen de boze.

 

163. Wat betekent het dat de mens plaatsbekleder (kalief) is op aarde? (7e trek)
Allah stelde de mens aan tot zijn plaatsbekleder (= kalief) of stedehouder (vizier) om orde op zaken te stellen, 2:30-33. ’Kalief’ werd ook de titel voor Mohammeds opvolgers die godsdienst en rechtsorde regelden, 6:165a; 24:55; 41:45. In deze lijn ligt het dat de mens de gerechtigheid hoog houdt. De belangrijkste bronnen van de wetsvoorschriften of sjaria – sjari’a of shari’a – zijn de Koran en Soenna (= Traditie). Het aantal verzen met voorschriften in de Koran is gering, ongeveer zeshonderd.

 

163.1.Wat is fikh en sjaria?
Om te weten wat Gods geboden zijn combineerden geleerden van de rechtswetenschap (= fikh) een korantekst met bestaande gewoonten en maakten door redenering daaruit gevolgtrekkingen. In Westerse ogen is de sjaria een bedreiging (afhakken van hand, besnijden van meisjes, polygamie en behandelen van vrouwen als ondergeschikten), maar we moeten leren onderscheiden tussen 1e de kern van de islam en de vormgeving daarvan in allerlei landen; 2e de klassieke islam en de radicalen met hun terroristische versie. Voor vele moslims houdt de islam in het streven naar schoonheid en saamhorigheid, barmhartigheid en gerechtigheid, tolerantie en respect, opkomen voor zwakkeren, gelijke behandeling van de mens ongeacht ras, nationaliteit, religie of huidskleur. Voor alle moslims geldt dat er op bepaalde terreinen geen strikt onderscheid is tussen de staat en de islam, omdat Allah God is (allahcratie). In de rechtsscholen maakt men onderscheid tussen wat verplicht of aanbevolen, neutraal of toegestaan, afkeurenswaardig of verboden is (= haram).
6. Wat is een overgegevene en getuige? (164-165)

 

164. Wie is het standaardvoorbeeld van een overgegevene? (8e kenmerk, ad 155)
Abraham geldt als geestelijke stichter van de islam, 6:184, hersteller van Adams geloof in één God en voorbeeld van de overgegevenen (= moslims), 2:124-141. Abraham en Ismaël zouden het huis in Mekka hebben gebouwd en gemaakt tot een plaats van samenkomst en gebed, waar Abraham bad om de komst van een gezant die de tekenen voordraagt, 2:124-129 (= Mohammed). Het verbond geldt voor zijn nageslacht maar de Naam is veranderd in de God- van-Abraham, God-van-Ismaël en God-van-Isaak, 2:134, 136. Deze waren geen joden of christenen – een voorbijgegane gemeenschap - maar dienaren van één God, 2:135, 141. Abraham wordt dus gearabiseerd als stichter van het zuivere geloof (chanif), 6:161; 16:120-124. Mohammed beschouwde zich als de eerste van hen die zich aan Allah overgeven, 6:163. De verbondszegen en -vloek van Israël blijven geldig maar worden toegepast op de relatie met Allah en Mohammed; gehoorzamen krijgen zegen, ongehoorzamen de vloek, 24:47-56.

 

165. Wie is de mens als getuige? (9e kenmerk)
Hij is getuige van Allah’s tekenen in schepping en de neergezonden Koran, 7:172; 69:41-43. Omdat de mens God vergat, stuurde Hij tot ieder volk profeten met Mohammed als voltooiing, afsluiting en zegel, door wie Hij alle openbaring achterhaalde, 33:40b. ‘Hij is het die zijn gezant met de leidraad en de ware godsdienst gezonden heeft om hem te laten zegevieren over de gehele godsdienst, ook al staat het de veelgodendienaars tegen.’, 9:33. De getuige van Allah en zijn profeet dient zich wereldwijd in te spannen dat allen Hem erkennen door zijn woord, zijn zachte strijd tegen slechte eigenschappen (grote jihad) en door de gewelddadige tegen tegenstanders (kleine jihad).
7. Wat is een door de Geest geraakte en wat is de kleine jihad? (166)

 

166. Hoe ziet de door Gods Geest aangeraakte er uit? (10e kenmerk)
Allah heeft bij de schepping de mens (iets) van zijn Geest ingeblazen, 15:29; 32:9; 38:72, en sterkt gelovigen in de strijd tegen Satans partijgenoten, 58:14-22. Hij werpt zijn Geest op dienaren die mensen waarschuwen voor de gerichtsdag, 40:15. Hij schonk Jezus als messias zijn Geest, 2:87a; 4:171. Hij zond de Koran in het Arabisch neer op Mohammed door de engel Gabriël, 26:92, en de Geest van heiligheid, 16:162-163, en bestemde deze voor heel de wereld, 69:41-43. Mohammed geldt als voorbeeld voor wie op Allah en de jongste dag hopen en God veel gedenken, 33:21; 53:31. Rom. 5:12-21, Oef. 20-21.

 

166.1.Wat is de kleine jihad?
Jihad was eens een op de gemeenschap rustende plicht, als moslims aangevallen werden. Als een groep zich voorbereidde voor de oorlog, waren anderen hiervan ontslagen; aanvankelijk mochten moslims niet zelf de strijd beginnen, later werd de strijd bevolen. Oproepen tot strijd in de koran roepen weerstanden op. Velen verklaren deze teksten – 109 verzen – alleen toepasbaar voor oorlogstijden of alleen geldig voor voorbije tijden of vertolken ze geestelijk. Daar volgens de Koran in de godsdienst geen dwang mag heersen, 2:256, mogen wij elkaar alleen door het mondelinge of schriftelijke woord overtuigen. Een gewelddadige strijd is moeilijk voorstelbaar tussen moslims en christenen in dezelfde straat
8. Hoe komen christenen/moslims tot elkaar in vertrouwen en dienst? (167.1-2)

 

167. Leraar, ziet u kansen om christenen en moslims tot elkaar te brengen?
De Hartenkenner vraagt de liefde van ons hart! Voor de Alwetende en Alhorende liggen zowel de afkeer van als de bereidheid tot toenadering open. De Almachtige vraagt geloof; voor Hem zijn geen weerstanden te zwaar en misverstanden te sterk, indien wij van Hem hulp verwachten. De Wijze leert ons overeenkomsten en verschillen naar waarde te taxeren,
vgl. Oefening 8A met 8B.

 

167.1. Kennen christenen en moslims overgave aan en vertrouwen in Hem?
Zij kennen beide deze grondtrekken van de spiritualiteit, soera 14:11-12 (3 maal vertrouwen), maar verschillen over de Persoon aan Wie zij zich toevertrouwen. De moslim is de overgegevene aan Allah die zich aan vele profeten openbaarde met Mohammed als zegel, laatste profeet en voorbeeld. De christen vertrouwt zich toe als beelddrager toe aan de Drie-enige, als kind aan de Vader die zich openbaarde in zijn Zoon Jezus Christus als onze Verlosser en Heer over allen.

 

167.2. Waarin is er overeenkomst en verschil in het dienen?
Volgens de koran zijn alle mensen gelijkwaardige dienaren, maar joden en christenen staan op een ondergeschikte plaats; ongelovigen zijn verachtelijk en vrouwen staan niet op een niveau met mannen. De bijbel stelt dat Gods Zoon gekomen is om ons te verlossen door dienend leven en dat volgelingen de minsten moeten willen zijn, Joh. 13:1-17; Fil. 2:1-11. Alle mensen zijn Gods gelijkwaardige beelddragers, Er is in heilskansen geen verschil tussen man en vrouw. Wel kent de bijbel de tegenstelling tussen dragers van Gods toorn en gunstgenoten. Christenen behoren tolerant te zijn en allen gelijk te achten als burgers voor de wet en als adressanten voor het evangelie, Mat.13:24-43.
9. Hoe zijn zij samen aanbidder, verantwoordelijk en pelgrim? (167.3-4-5)

 

167.3. Wat zijn overeenkomsten en verschillen in zingeving en cultus?
De mens is er tot Gods lof. De moslim overdenkt de deugden en namen van de Barmhartige en Almachtige. Christenen loven de Drie-enige en zijn deugden en dienen deze ook uit te stralen. Zoals christenen veel kunnen leren van het dagelijkse gebed van moslims, zo kunnen deze leren dat God ook liefde is, Oef. 2

 

167.4. Hoe is de balans in afhankelijkheid en verantwoordelijkheid?
De moslim is afhankelijk van Allah, de Machtige en Wijze die tot dwaling brengt wie Hij wil en op het goede pad brengt wie Hij wil, s. 14:4, maar H zal hij zich in het eindgericht zonder helper moeten verantwoorden. Volgens de bijbel wordt de zwakke mens door Hem bekrachtigd en is hij zelf verantwoordelijk voor zijn daden maar mag hij zich bij het eindgericht beroepen op Jezus’ voorspraak.

 

167.5. Wat wijst de balans uit over het pelgrim zijn?
Volgens beide is de mens naar ziel en lichaam bestemd voor paradijs of hel. Koran en Soenna (= traditie over Mohammed) vormen de basis voor gedragsregels op de weg naar het hiernamaals. Allah stelt de mens op de proef om te zien of het goed is wat hij doet in de aardse voorbereidingstijd, 67:2; 18:7; 3:186; 21:135; 7:167. Het genot van dit vergankelijke leven is in verhouding tot het hiernamaals gering, 9:38. Ook de christen neemt als pelgrim afstand van het aardse bestaan, Mat. 6 :24; 7:18-22; Luc. 12:13-21; 16:19-31; Hebr. 11, maar hij kent ook de juichende vreugde in God voor zijn huidige aardse bestaan, Ps. 104; 144-150; Joh. 15:9-17 (8 maal liefde, twee maal vreugde); Ef. 5:19-20. De koran waarschuwt de aan dit leven gehechte mens. “Zij die het tegenwoordige leven meer liefhebben dan het hiernamaals en die de weg van God versperren en verlangen dat het een kronkelweg is, zij zijn het die in verregaande dwaling verkeren”, s. 14:3.57.
10. Hoe strijden we samen tegen het kwaad en voeren we het beheer? (167.6-8)

 

167.6. Wat is de balans aangaande het kwaad?
Volgens de koran is er iets misgegaan, toen de mens het werkverbond verbrak, maar hij is niet onderhevig aan erfzonde en behield zijn vrije wil ten goede en ten kwade, al dient hij zich te hoeden voor de duivel en kwade begeerten. Volgens de bijbel is de kandidaat voor leven of dood zo verstrikt geraakt in uiterste slechtheid onder Satans heerschappij, dat hier vragen rijzen, Oef. 9.
Roept de haat tegen God en (mede)mens niet om een ingreep van boven om hem te redden, goed te maken wat kapot ging en hem liefde te schenken?
Getuigen Tora en Evangelie, waarop de Koran teruggrijpt, niet van de Messias die de schuld van mensen op zich nam zoals de profetie van de lijdende knecht in Jesaja 52:13-53:1-12, vervuld in Jezus naar Hand. 3:11-26 en 8:26-40?
Kondigde de profeet in Joël 3:1-5a niet de uitstorting van de Geest aan op alle vlees?, Hand. 2. Heeft de Betrouwbare, die de Geest der waarheid aan Jezus’ getuigen beloofde, Joh. 15:26, 16:12-15, het evangelie echt laten verdraaien?

 

167. 7. Wat is de balans aangaande beheer en milieu?
De mens is beheerder van de aarde. Allah’s plaatsbekleder is verantwoordelijk voor orde en gerechtigheid. Volgens de bijbel is de beheerder deelgenoot van het werk- en welzijnsverbond en functioneert hij pas goed onder Christus’ heerschappij, 1 Pe. 2:4-5; Openb. 5-21.

 

167.8. Hoe zien beide zich als deelnemer aan het verbond met Abraham?
De moslim weet zich verbonden met Abraham, aanhanger van het zuivere geloof, dat ook Adam kende. De christen weet zich deelgenoot van Gods verbond met de vader van alle gelovigen, die Hij in Christus rechtvaardigt,
Oef. 11 en 12.
11. Hoe getuigen wij in vrijheid in de wereld als huiskamer? (167.9-10.)

 

167.9. Wat is het verschil in het getuigen? Hoe zien we bekeerlingen?
De moslim volgt als Allah’s getuige de profeten na, vooral Mohammed. Hij strijdt tegen eigen slechtheid (grote jihad) en zo nodig met geweld tegen aanvallers (kleine jihad).
De christen, in Christus gestorven aan zijn ondeugden, voert strijd tegen zijn weerbarstige natuur en staat ook op met de verrezen Heer. Hij wil de wereld aan Gods voeten leggen, niet met geweld, maar door houding, woorden en daden. Getuigen mag nooit iets dwingends worden, zeker niet met kinderen of kwetsbare volwassenen. Een geloofsgemeenschap is blij met nieuwe leden, maar heeft ook oog voor het verlies dat andere daarin ervaren. Heet hangijzer blijft dat volgens de islam een moslim die jood of christen wordt een stap achteruit zet en eeuwige vloek op zich laadt, s. 3:86-90. Hij heeft er geen respect voor dat iemand het betere voor het mindere verruilt. Ook een christen vindt dat wie jood of moslim wordt een stap achteruit zet, ja zijn eeuwig welzijn riskeert. Kan het onderscheid tussen respect voor iemand integriteit bij het kiezen en reserve voor de inhoud van zijn geloof ontspanning brengen?

 

167.10. Hoe bevorderen wij het werk van de Geest in vrijheid-in-gebondenheid?
De islam heeft enige notie van de Heilige Geest. Hij wil als God, de Almachtige, heel het leven onder zijn beslag brengen, Hand. 2. Waar de Geest waait, daar bevrijdt Hij slaven van dwang en terreur. De islam streeft naar een Allah-cratie met beperkte democratie, waarin geestelijke leiders een dominante rol spelen. Jezus Christus legt het fundament van de ware vrijheid en gerechtigheid. Hij pretendeert dat Hij alleen de aan boze geesten gebonden mens vrijmaakt van slavernij, tirannie en dictatuur, Mat. 12:22-37; Joh. 8:31-59. Rom. 8; 2 Kor. 3; Gal. 1-6. De islam is er zeer mee gebaat als zij Christus als Heer erkent in de samenleving; dan gebeuren er wonderen, ook politiek. Het Westen - synthese van christendom en humanisme – kent een democratie waarin het volk een overheid kiest, maar de bodem daarvan is gelegd door Jezus Christus.

 

167.10.1. Hoe gedragen we ons in de wereld als huiskamer?
Inschikkelijke kamergenoten dienen elkaar de vrijheid van belijden te gunnen en te geven. Zoals in Europa moslims vrij zijn om moskeeën te bouwen en in sommige landen om eigen scholen te stichten en voor Allah uit te komen, zo dienen christenen het recht te krijgen om in islamitische landen kerken neer te zetten. Als we in vrijheid-in-gebondenheid landswetten toepassen, kunnen we de knelpunten verminderen en kan er meer begrip groeien voor elkaar, ook als mensen van overtuiging veranderen. Zover is het nog lang niet, maar waarom zouden we daarvoor niet geregeld bidden tot Hem die meer kan doen dan wij kunnen vragen of bedenken en daarnaar met inzet van alle krachten streven?

 

Oefening: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8a | 8b