Oefening: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8a | 8b

 

Gesprekken II - Oefening 8a (138-154)

Hoe doet U zich kennen in uw beelddragers?

1.Gesprek als gebed. (138-140)

 

138. Hoe ziet U, HEER, uw mensen?
Wij drukken ons beeld in u uit in ziel en lichaam, hoofd en hart, deugden en handelingen en stelden u aan tot beheerder van onze schepping.
Wij traden met u in een vaste relatie door met u een verbond op te richten en u de kans te geven door gehoorzaamheid eeuwig te leven.

 

139. Daalde uw waardering voor ons niet, toen wij u teleurstelden?
Wij bleven u, toen u ons beeld schond, desondanks als beelddragers van zoveel waard achten dat Ik, de Vader, mijn Zoon en Geest zond om u te herscheppen.

 

140. Waarom is het nodig, leraar, dat wij de mens uit bijbel en koran kennen?
U dient te weten wie u bent uit de informaties daarover in de bijbel; wie de HEER kent, leert ook zichzelf beter kennen in een wisselwerking.
Onze cultuur is doordrenkt met invloeden daaruit. Voor christenen is de bijbel openbaringsbron en geloofsnorm, voor moslims is de koran Woord van God, waarin vaak wordt verwezen naar de bijbel; we dienen in liefde met elkaar om te gaan en belang te stellen in elkaar en in de bronnen van elkanders geloof.
2. In welk opzichten lijkt de mens op zijn Schepper en Verlosser? (141-142)

 

141. Lijkt de gehele mens op God?
Ja, de bijbel typeert hem in al zijn trekken als Gods beeld en gelijkenis, Gen. 1:26-28; 5:1-3; Ef. 4:24; Kol. 3:10; Jak. 3:9.
De HEER is één; daarom dient de mens als één geheel Hem lief te hebben met heel zijn hart, heel zijn ziel, heel zijn verstand en al zijn krachten, Deut. 6:4-5. We mogen geen deel van onszelf of ons bestaan aan Hem onttrekken.
Hij schittert in eigenschappen, aandoeningen en handelingen die Hij ook aan de mens toekent als ongelijke gelijkenissen; hoewel Hij superieur is aan de mens, is er toch grote overeenkomst is tussen Hem en hem.
Hij maakte afspraken in verbonden en herschept hem naar Christus’ beeld, die èn als mens èn als Gods Zoon op Hem lijkt.

 

142. Welke trekken vindt u in de bijbel, als u de gegevens bij elkaar zet?
TIEN TREKKEN VAN DE HEER IN ZIJN BEELDDRAGER 1e. De mens weerspiegelt de Drie-enige God, Vader, Zoon en Geest, als gemeenschapswezen, 143.
2e. Hij gelijkt op de Ene als verantwoordelijk lid van de ene mensenfamilie, 144.
3e. Hij straalt zijn deugden, vooral zijn liefde, uit in zijn gedrag en is lofzanger van zijn Naam, 145.
4e. Hij is afhankelijk van de Almachtige, maar wordt door Hem ook overvloedig bekrachtigd, 146.
5e. Hij is beeld van de Ene in de twee-eenheid van ziel en lichaam, 147.
6e. Hij is als deelgenoot van het werkverbond kandidaat voor leven en dood en verstrikt geraaktin slechtheid en dood en behoeft verlossing, 148.
7e. Hij is als deelgenoot van het werk- en welzijnsverbond beheerder van de schepping, 149.
8e. Hij is als (geroepene tot) deelgenoot aan het verbond met Abraham als pelgrim op weg, 150.
9e. Hij is (geroepen tot) publieke getuige van zijn HEER en zijn heerschappij, 151.
10e. Hij is (geroepen tot) deelgenoot van het nieuwe verbond en tempel van de Heilige Geest, 152
3. Weerspiegelt de Drie-Enige zich in enkeling en gemeenschap? (143-144)

 

143. Hoe weerspiegelt de Drie-enige zich in enkeling en gemeenschap? (1e)
Enkeling.Ieder mens afzonderlijk is geschapen door en tot de Vader, door de Zoon en in de Heilige Geest en bestemd voor de gemeenschap met Hem. De gelovige is een tempel in wie de Vader en de Zoon door de Geest wonen en aan wie zij hun liefde te kennen geven, Joh. 14:21. De ontaarde draagt als (wan)-beeld van zijn Schepper in zijn verstandelijk verzet tegen Hem als god-loze, in zijn onrustig geweten en in zijn zoektocht naar Hem die hij ontkent en mist. Door Gods gunst kan hij handelen volgens de wet in burgerlijke zin (= beeld Gods in bredere zin), maar meestal ontaardt hij.
Gemeenschap. De mensheid is geroepen de gemeenschap van de Vader en de Zoon door de Heilige Geest te weerspiegelen in de tweezaamheid man/vrouw, 1 Kor. 11:3, in gezin en familie, stammen en volkeren. Christus beval alle volken in te wijden in de gemeenschap van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, Mat. 28:`18-20. De Heilige Geest bewerkt de saamhorigheid van kerkleden en gemeenten als spiegel van de eenheid van de Vader en de Zoon, Hand. 2:41-47; Ef. 4:1-4. Jezus bad of zij hun eenheid zo sterk uitstralen dat buitenstaanders erkennen dat Hij de Zoon gezonden heeft en hen liefheeft, Joh. 17:20-23

 

144. Wat zijn de gevolgen van Gods eenheid voor de mensheid? (2e)
De mens is lid van de mensenfamilie en deel van de kosmos. Zoals de Ene geen gelijke naast zich heeft (= mono-theïsme), zo is er één familie van gelijkwaardigen, afstammend van één mensenpaar (= mono-genisme), Gen. 2-5; Hand. 17:26-27. Er zijn geen rassen, die verheven zijn boven andere rassen. Volgens de doop is er geen wezenlijk verschil tussen man of vrouw, zwart of blank, hogere of lagere stand, Gal. 3:28. Met deze eenheid is in strijd het zwart of wit racisme en kastenstelsel, volgens welke de mens het rad van geboorten doorloopt en na zijn dood terugkeert in mens, dier of plant naar gelang slechte of goede daden (= re-incarnatie). Zoals allen in Adam de weg tot God zijn kwijtgeraakt zo vinden allen, die in Christus geloven, deze weg tot Hem terug, Rom. 5:12-21. Allen zijn verantwoordelijk voor elkander; de met meer goederen gezegende voor armen, de met meer kennis van Hem begiftigde voor hen die Hem nog niet kennen.
Hij schiep de mens in en tot Zijn gemeenschap en verbond hem met land en zee, zon en maan, dier en plant, maar de mens of kosmos zijn geen deel of vonk van Hem zoals het pantheïsme en holisme (= alles is één) leren; zij wissen het onderscheid tussen schepsel en Schepper uit.
4. Hoe weerspiegelen we liefde en trouw in een tijd van breuken? (145)

 

145. Welke deugden openbaart de Heerlijke vooral in de bijbel? (3e)
De mens weerspiegelt vooral de aan Mozes geproclameerd deugden: “Jahweh, Hij-Is-Er-Bij, barmhartig en genadig, geduldig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedheid bewijst tot in de duizendste generatie, die misdaden, zonden en overtredingen vergeeft, maar een schuldige niet ongestraft laat en de misdaden van de vaderen straft in hun kinderen en kleinkinderen in de derde en vierde generatie.” Ex 34:6-7. Dichters en profeten grijpen hierop terug, Ps. 86:15; 89; 103; Jer. 33:14-26; Neh. 9; Mat. 5:7; Luc. 1:26-38; 2 Kor. 1:3-11; 1 Kor. 13.

 

145.1. Hoe weerspiegelen beelddragers deze deugden?
Zij tonen deze in hun ontferming en barmhartigheid, hulpvaardigheid en vriendelijkheid, zachtmoedigheid en geduld, vredelievendheid en vergevingsgezindheid, goedheid en trouw. Mat. 5:1-7; Joh. 15:1-17; 1 Kor. 13; Gal. 5:22; Ef. 3:14-21. Zij volgen Gods geduld na en laten het onkruid staan en opgroeien tot de oogst, Mat. 13:24-30; 36-43; Rom. 2:4; 2 Pe. 3:9. Zij bestrijden bozen vooral met de geestelijke uitrustingstukken van Woord en Geest, Ef. 6:10-20, in tegenstelling tot de overheid, die zo nodig met harde hand vrede en gerechtigheid handhaaft.

 

145.2. Hoe bevorderen we liefde en trouw in het huwelijk?
In vele landen scheidt een derde of de helft van gehuwden; vele kinderen lijden daaronder; van tweede huwelijken is het percentage nog veel hoger. De Kerk acht haar boodschap over het huwelijk geldig voor alle mensen, omdat de herschepping de schepping bevestigt. Zij dringt er bij ouders, schoolbesturen, maatschappelijke organisaties en overheden op aan om te streven naar vermindering van het aantal echtscheidingen op de volgende gronden.

 

145.3. Welke gronden voert de Kerk aan om huwelijken stabiel te maken?
Zij roept volksgenoten terug tot de liefde tot en trouw aan de HEER als inspiratiebron van het huwelijk. Dit deed de profeet Hosea al in zijn dagen, Hos. 4:1-3. ”Jahweh heeft een aanklacht tegen de bewoners van het land: er bestaat geen trouw en geen liefde meer, er is geen liefdevolle kennis meer van de HEER in het land. Zweren en liegen, moorden, stelen en echtbreken is aan de orde van de dag, bloedbad volgt er op bloedbad.” Onze Heer Jezus Christus drong aan op het kweken van deugden. ”Wat het zwaarste weegt in de Tora verwaarloost u: gerechtigheid, barmhartigheid en trouw.”, Mat. 23:23.
De Schepper bedoelde het huwelijk als verbond tot liefde, trouw en steun van de partners. Jezus bevestigde dat zijn Vader het huwelijk instelde als ij levenslang verbond en lichamelijk-geestelijke eenheid, Mat. 19:1-10; Gen. 2:18-25. Dit geldt ook voor humanisten en moslims.
Men dient ethische voorlichting te geven aan partners met vaak (al te) rooskleurige verwachtingspatronen, over wat hen te wachten staat, als zij daaraan niet beantwoorden. Als zij elkanders kwalijke eigenschappen onvoldoende kennen, onderschatten of niet (willen) bestrijden, trouwen zij met een tijdbom in hun bruidskledij.
Overheden dienen bij de voltrekking gewetensvol te betuigen dat het huwelijk een instituut met sociale verplichtingen is. Zij dient door maatregelen het te gemakkelijk scheiden te remmen of te verhinderen, Oef. 45.
De zwakke zondaar heeft de kracht van Gods Geest nodig om trouwbeloften waar te maken. Ranken oogsten liefde en blijdschap, als zij sappen trekken uit de Wijnstok, Joh. 15:1-17. ”Als u met Mij verbonden blijft en mijn woorden in u blijven, vraagt dan wat u maar wilt en u zult het krijgen.”, Joh. 15:7. Gehuwden weerspiegelen de liefde van de Bruidegom tot zijn bruidsgemeente, Ef. 5:21-33.
5. Kan de mens tegelijkertijd afhankelijk en machtig zijn? (146)

 

146. Wat betekent het dat de mens zowel afhankelijk als machtig is? (4e)
Hij is broos en afhankelijk, omdat de Soevereine hem boetseerde uit aarde (Adam = ’aardeling’) zoals een pottenbakker uit klei een werkstuk, Gen. 2:7a; Jes. 29:16; 45:9; 1 Kor. 15:43. Op het moment dat Hij met zijn werkstuk gereed was, was het lichaam nog zielloos; toen Hij hem de adem (‘geest’) inblies, kregen zijn ogen glans, Gen. 2:7b; als Hij onze adem wegneemt, keren wij terug tot stof, Gen. 3:19; Ps. 104:29; Pred. 5:14. Zwaar bewapende legers gaan machteloos ten onder (‘vlees’), als Hij zijn hand uitsteekt of terugtrekt, Jes. 31:1-3. Iedere vleugje hoogmoed is misplaatste opgeblazenheid, maar als de broze mens zijn hulp van de Superieure verwacht, is hij onvermoeibaar en (veer)krachtig, Jes. 40:27-31. Mozes juichte bij Farao’s ondergang: ‘Jahweh is mijn sterkte en kracht; Hij is mijn redding geweest’, Ex. 15:2. Kaleb was op zijn vijfentachtigste jaar nog even sterk als op zijn veertigste, omdat de HEER zijn trouw en moed zegende, Joz. 14:6-15. Het is bouter. De Sterke gebruikt zwakheden om zwakken sterk te maken. ‘Want als ik zwak ben, dan ben ik sterk’, 2 Kor. 12:10b; vgl. 7-10. Wie de Heilige Geest in zijn mensbeeld verwaarloost of negeert, onderwaardeert beelddragers en vertoont wetenschappelijk een ernstig manco in zijn mensleer.
6. Wat betekent ‘beeld Gods’ voor de ziel, de sport en reïncarnatie? (147)

 

147. Omvat het beeld Gods ziel en lichaam? (5e trek)
De mens is bestemd om als eenheid naar ziel en lichaam eeuwig te leven.
Een baby is een door zijn Schepper in de moederschoot geweven kunstwerk, Ps. 139:13-18. Een foetus – beeld Gods in wording– mag slechts om dringende redenen afgedreven worden. Wie het lichaam verminkt of doodt, tast daarmee de Schepper aan en is een evenredige vergelding waard, Gen. 9:7. Zelfbeschikking heeft grenzen; ook een foetus heeft mensenrechten; in het begin van de 21ste eeuw werden ieder jaar in China in ziekenhuizen meer dan dertien miljoen abortussen gepleegd; het werkelijke aantal is groter, velen gebruiken geen anticonceptiemiddel.
De mens is tempel van de Heilige Geest of daartoe bestemd, 1 Kor. 6:19. Wat hij lichamelijk (mis)doet, bedrijft hij ook met zijn geest en ziel. Misdadigers en souteneurs, hoereerders en hoeren, die zich aan lichamen vergrijpen, beroven zich van de eeuwige vreugde, tenzij zij zich bekeren, 1 Kor. 6:9-11. Seksualiteit is geen neutrale aangelegenheid en vindt zijn bestemming in vaste verbanden. De aantrekking tussen zaad en eicel is door de Vader uitgedacht, die - eeuwig vruchtbaar – de Zoon innig liefheeft in eeuwige trouw en wier liefde bron en voorbeeld voor de gemeente is, Joh. 17:17-20.

 

147.1. Kan de ziel zonder lichaam bestaan?
De Rechter-koning onderwierp ziel en lichaam aan de dood maar wekt geestelijk doden en lichamen tot leven, Joh. 11:25-27. Mensen kunnen wel het lichaam, niet de ziel doden, Mat. 10:28. De bekeerde misdadiger ging op die Goede Vrijdag (‘heden’) naar het paradijs, Luc. 23:43. Voor gelovigen is sterven winst, Fil. 1:21, ontvangst van de krans van de heerlijkheid, 2 Tim. 4:6-8. Het interim tussen sterven en opstanding staat in één glorieus perspectief.
De Kerk belijdt dat het Hoofd zijn leden bij hun sterven direct tot zich opneemt, Heid. Cat. Zo. 22, vr. 57, en de definitieve scheiding bewerkt tussen verdoemden en zaligen, Kat. Kath. Kerk, p. 227-234. Het lichaam is geen gevangenis, waaruit Hij de ziel bevrijdt (contra Plato). Reïncarnatie is strijdig
a. met de eenheid van ziel/lichaam;
b. met de eenmaligheid van de mens, die niet kan verhuizen naar een ander lichaam;
c. met de leer van het behoud door genade.

 

147.2. Wat is de waarde van sport?
Sport heeft de recreatieve waarde van inspanning door probleemloze ontspanning en de sociale waarde van samenspel van medewerkers voor eenzelfde doel. Er komen in de sportwereld vele vriendschappen tot stand. De mens heeft vanaf de vroegste tijden behoefte om behendigheid en kracht te meten met rivalen in prestaties. Sportlui kunnen rivaliteit tussen steden en landen in het spel op zinvolle wijze uiten. Schaduwzijden zijn dat vele takken van sport in dienst staan van reclame door sponsors, dopingschandalen en gewelddadigheid en de sport(iviteit) bedreigen. Overspannen aandacht grenst aan afgoderij en verdringt de Verhevene. De Heilige Geest bewerkt ook in de sportwereld al wat waar en edel, rechtvaardig en rein, beminnelijk, aantrekkelijk en oogstrelend is en al wat deugt heet en lof verdient, Fil. 4:8-9. Hij inspireert christenen als zoutend zout ontaarding tegen te gaan, de goede smaak te versterken en zich als voorbeeld van sportiviteit als een stad op een berg zichtbaar te maken, Mat. 5:13-16.
7. Hoe functioneren we als beloftedrager, beheerder en pelgrim? (148-150)

 

148. Wat houden werkverbond en oerbreuk in voor het mensbeeld? (6e)
Ieder mens is – zesde kenmerk - verbonden met Adam en deelgenoot van het door hem verbroken werkverbond. God stelde hem in de sleutelpositie van vertegenwoordiger en kandidaat voor leven en dood voor de keuze: ‘Bent u ongehoorzaam, dan zult u sterven, gehoorzaamt u aan Mij dan zult u leven verwerven’, Gen. 2:15-17. Deze afspraak heet ‘werkverbond’, omdat God loon uitkeerde op grond van (on)gehoorzaamheid. Toen de eerste mens de wissel in een verkeerde richting omzette, liet hij de mensheidstrein ontsporen. Iedere deelnemer van het verbroken werkverbond ervaart de pijn hiervan in corruptie en moordzucht, heerschappij van Satan en oorlogen, leed en dood. Moed en hoop geeft de ‘tweede Adam’, die goed maakte wat de eerste bedierf en de mensheidstrein op de rails richting paradijs zette, Mat. 4:1-11; Rom. 5:12-21, Oef. 20-21.

 

149. Wat is de mens als beheerder en manager? (7e)
God vertrouwde de mens – zevende typering – het mandaat toe van beheerder van de aarde en atmosfeer daaromheen, Gen. 1:28. Hij herbevestigde hem in dit ambt in het welzijnsverbond na het fiasco van mensheid-I, Gen. 9. De technisch ontwikkelde communiceert met mobieltjes via satellieten, maar is traag in het rechtvaardig verdelen van voedsel, Oef. 10.

 

150. Wat is de mens als drager van belofte/bedreiging en pelgrim? (8e kenmerk)
De HEER stempelt hem tot hoopvolle beloftedrager, bedreigde vloekdrager en doelgerichte pelgrim en zette Abraham in beweging met vier beloften, Gen. 12.
a. Als drager van de landbelofte beërft hij Kanaän, teken van de nieuwe aarde, Hebr. 11:8-10; de christen-pelgrim en ieder wordt daarheen op weg geroepen.
b. Als drager van de belofte van een omvangrijk nageslacht, Gen 12:2; 17:1-7, werd hij vader van allen die in Christus geloven, Rom. 4. God roept ieder op zich te laten enten op de edele olijf, Rom. 11; Ef. 2:11-22, en zich te voegen bij de ontelbare schare, Openb. 7:9-10.
c. Als drager van de belofte van Gods gemeenschap, Gen. 17:7, wees hij heen naar de komst van de Heilige Geest, Jer. 31:31-34; Hand. 2: Hebr. 8:7-13.
d. Hij werd drager van de wereldwijde zegen en van de bedreiging van tegenstanders met een vloek, Gen. 12:3b. Ook Jezus verkondigt zegen en vloek, Luc. 6:20-26; 21:5-36; Mat. 23, evenals Paulus: “Wie de Heer niet liefheeft, die zij vervloekt. Maranatha.”, 1 Kor. 16:22. Christenen zijn een dodelijke walm voor hen die op weg zijn naar het verderf en een levenwekkend aroma voor hen die op weg zijn naar het behoud, 2 Kor. 2:14-17.
8. Wat is de mens als getuige en Geestdrager? (151-152)

 

151. In welk opzicht is de mens Gods getuige? (9e kenmerk)
Hij is als schepsel, verloste of tot verlossing geroepene getuige is van zijn Schepper, Verlosser en Heerschappijvoerder.
a. De getuige van zijn Schepper aanschouwt zijn wonderen dagelijks, Ps. 8; 104; 145; 147. Adam stond perplex dat God hem voor zichzelf en het beheer van de schepping een passende hulp schonk; de getuige van het wonder van de eerste vrouw wijdde hieraan het eerste lied, Gen. 2:18-24. Zoals niemand zijn afkomst uit ouders kan loochenen, zo kan hij evenmin ontkennen dat hij van Hem afkomstig is. ‘Heeft de regen een Vader? Van wie stammen de dauwdruppels af?’, Job 38:28; Hand. 17; 22-29.
b. De HEER riep Israël tot juridisch aanspreekbare oog- en oorgetuige van zijn grote daden in Egypte, de woestijn en Kanaän. Dit volk raakte diep onder de indruk van de heilsdaden en gerichten van de Enige, zijn Bevrijder, die het met eigen ogen zag en met eigen oren hoorde geschieden, Ex. 14-15;19-20; Jes. 49:9-12. Het is daarom de meest geschikte getuige van HIJ-IS-ER-BIJ en van zijn genade en gericht voor en onder de volken.
c. De Betrouwbare stelde oor- en ooggetuigen aan van Jezus’ leven, woorden en werken, die konden instaan voor de feiten en vertellen wat zij gezien en gehoord hadden, Luc. 2:20 (herders). Jezus rustte de Twaalf toe om een betrouwbaar verslag te leveren van zijn woorden en daden, Hand. 10:34-43.
d. Christenen zijn indirecte getuigen van de waarheid - waarvan Israël en de Twaalf directe getuigen zijn – en directe getuigen van wat de Vader door zijn Geest in hun leven of dat van tijdgenoten doet en publieke getuigen van de Vader en de Zoon. ‘Wat Ik u in het oor fluister, roep dat – openlijk en luid – van de daken!’, Mat 10:27.

 

152. Wie is de mens als Geest-drager? (10e kenmerk)
Hij is na de Pinksterdag Geest-drager of een tot Geest-drager geroepene. De Heer doordrenkt christenen (= gezalfden) met zijn Heilige Geest, Hand. 2; 10:15-16. In Antiochië werden Jezus’ volgelingen voor het eerst gezalfden genoemd, Hand. 11:26b. Zij ontwikkelen hun aanleg of ‘knobbel’ als beheerders van de schepping. Zij maken voor de gemeenschap vruchtbaar hun door de Geest geschonken charismata van heiliging en toerusting. Zij vermenigvuldigen de hun naar hun aanleg geschonken talenten, opdrachten of geestelijke erfenissen, Mat. 25:4-30. Zij doen dit tot eer van de Vader ten dienste van gezin, gemeente en maatschappij, 1 Kor. 10-12. God roept ieder weg uit Satans rijk om als Geest-drager te strijden tegen boze geesten, Ef. 6:10-20, Oef. 28-32.
9. Welke betekenis heeft dit mensbeeld voor geloof en wetenschap? (153-154)

 

153. Wat betekenen deze tien kenmerken voor samenleving en wetenschap?
Zoals een olifant herkenbaar is aan zijn kolossale lichaam en slurf zo is de mens aan bovenstaande trekken te (her)kennen. De goede wetenschapper houdt in zijn mensleer (= antropologie) rekening met alle trekken van de mens en verdoezelt geen gezichtsveld. Menige openbare universiteit – maar niet overal – maakt het onderwijs los van de religie, omdat alleen een onbevooroordeeld onderzoek de waarheid boven tafel zou halen. In dat geval wordt een afgeknot mens object. Nu dienen valse vooroordelen ontmaskerd en opgeruimd te worden zoals de waan dat alles draait om de aarde als het middelpunt van het heelal, maar het is de anti-wetenschappelijke misslag, ja blunder van de meerderheid in het Westen om te doen alsof de mens bestudeerd kan worden los van God.

 

154. Is het voldoende om de mens als religieus wezen te benaderen?
Dat is niet voldoende. Want in dat geval mist de onderzoeker een criterium tot beoordeling van wat waar is. Daarom is het nodig dat de Godsopenbaring volgens de heilige Schrift in alle scholen en universiteiten wordt gekend. De islam stelt deze eis aan scholen en universiteiten in moslimculturen. Het Westen liet verstek gaan met als gevolg van deze zonde van nalatigheid is dat de islam deze lacune gaat opvullen. Het Westen plukt de wrange vruchten van eigen afknotting van de mens en dient terug te keren tot het honoreren van het bijbels mensbeeld in de wetenschap.

 

154.1. Waarom is het onwetenschappelijk de mens los te maken van God?
De mens is als beelddrager uit God, bestaat door Hem en heeft bestemming in Hem. Zo openbaart God het zelf, Gen. 1:26; Ps. 8; 97; 98; Jes. 40:12-31; Dan. 3; Rom. 9-11. Wie dit ontkent, hanteert een verkort, afgeknot en verkeerd mensbeeld. Een gaaf beeld van de mens en van God hangen nauw met elkaar samen zoals ook een waandenkbeeld over de mens samenhangt met een waandenkbeeld over God. De ware of beknotte mensleer werkt in alle takken van wetenschap door: pedagogie, psychiatrie enz. Christus is in zijn persoon tegelijkertijd het gave beeld van de mens en als de Zoon ook het gave beeld van God, Joh. 5:19-47; Kol 1:12-23. De ware wetenschap houdt rekening met Gods openbaring in de heilige Schriften en gaat bewust uit van dit ware vooroordeel.

 

Enige vragen
1. Is het willekeurig of correct alle karakteristieken van de mens te brengen onder het hoofd ‘beeld of gelijkenis van God?’
2. Hoe krijgt de openbaring dat God de gemeenschap van Vader, Zoon en Heilige Geest is in de praktijk handen en voeten?
3. Waarom verzet het Hindoeïsme zich tegen gelijkwaardigheid van klassen?
4. Welke deugden van God krijgen in de bijbel een centrale plaats? Hoe kunnen wij deze weerspiegelen?
5. Hoe kunnen we het grote aantal echtscheidingen verminderen?
6. Wat is de spanning tussen de mens als beheerder van de schepping en als pelgrim?
7. Waarom is er een eenheid tussen het ware geloof en de ware wetenschap?

 


 

Wie zich verder wil verdiepen in de mensleer, raadplege de Grote Protestants-Katholieke Catechismus, Oefening 8A, te verkrijgen bij de auteur of HIJ-IS-ER-BIJ, deel I, 2006, blz. 364-432.

 

 

Oefening: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8a | 8b