Oefening: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8a | 8b

 

Gesprekken II - Oefening 7 (112-137)

Volgens welke strategie regeert U goed en kwaad?

1.Gesprek als gebed. (112-117)

 

112. Hoe leidt U, Vader, de volken?
Ik wijs hen een woonplaats en schenk hun weldaden opdat zij Mij (er)kennen.
Ik gaf de heerschappij over allen aan mijn Zoon, die u opdroeg hen tot volgelingen te maken.
Ik doe door mijn Geest en Woord mijn Koninkrijk komen niet als een wentelend wiel maar in opgaande lijn naar de voltooiing op de nieuwe aarde.

 

113. Geldt uw opdracht, Heer Jezus, alle volken te onderwijzen ook ons?
Ja, Ik gaf deze aan de Elf apostelen als vertegenwoordigers van heel de Kerk Ik deed dit in Galilea, waar Ik mijn loopbaan begon en van hen afscheid nam met een proclamatie en opdracht. “Gegeven is Mij alle (vol)macht in de hemel en op de aarde. Maakt, er op uit trekkend, alle volken tot leerling, hen dopende in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hen lerende te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Weet wel: Ik ben met u alle dagen tot de voleinding van de wereld.”, Mat. 28:19-20.

 

114. Welke methoden gebruikt U, Heer, om tegenstanders te bestrijden?
Nu eens voorkom Ik het kwaad, dan weer laat ik mensen de wrange vrucht van hun misdaden zelf plukken, 116-117. Als Ik dit nodig acht, tuchtig Ik mijn volk en heilig Ik het door lijden, 118-119.
Ik buig het kwaad om ten goede of vervlecht onheilige motieven van anderen met mijn heilige motieven, 120-121.
Ik oefen geduld, maar grijp in uitersten naar gewelddadige middelen, 122-123.
Als de ongerechtigheid ten top stijgt, straf Ik de daders tijdelijk of eeuwig, 124.

 

115. Welke zin geeft U, Vader, aan ons lijden en onze beproevingen?
Ik toets daarin de echtheid van uw geloof en vervlecht schuld en boete, 125-126.
Ik louter u opdat u leert gehoorzaam te zijn en uzelf te verloochenen, 127-128.
Ik lever daarmee het bewijs dat u deelhebt aan mijn Koninkrijk, 129-130.
Ik gebruik deze voor de verheerlijking van mijn Naam en meeleven, 131-132.
Ik hoor daarin de roep om gerechtigheid en prikkel daarmee de hoop, 133-134.

 

116. Kent u, leraar, voorbeelden dat God het kwaad voorkwam?
Hij verhinderde de moordaanslag op Jezus in Betlehem door een engel te zenden om hen te waarschuwen voor Herodes’ plan, Mat. 2:12-16.
Hij voorkwam de terechtstelling van Petrus in Jeruzalem door een engel, die hem bevrijdde op het gebed van de gemeente, Hand. 12:6-19.
Hij voorkwam een moordaanslag op Paulus van veertig samenzweerders door de inlichtingen van een neef van de apostel en militaire ingreep, Hand. 23:13-22.
Zo kan Hij ook nu ingrijpen door waakzame mensen om gelovigen te bewaren.

 

117. Laat Hij het kwaad soms geworden?
Hij liet de opstand van Israëlieten tegen zijn gezag en dat van Mozes in de woestijn opkomen en vergold hun wantrouwen door hen veertig jaar te laten zwerven in de woestijn en hen daar te laten sterven, Num. 14:32.
Wij moeten ons dus niet in paniek het hoofd op hol laten brengen door geruchten of angstige mensen, maar vertrouwen dat Hij is opgewassen tegen alle tegenstand en dat, als we dit wel laten doen, de gevolgen ernstig kunnen zijn.
2. Op welke wijzen tuchtigt of heiligt de HEER zijn volk? (118-124)

 

118. Wat is tuchtigen?
Tuchtigen is de teugels strak(ker) aantrekken zoals een ruiter zijn paard dwingt binnen het parcours te lopen. Als oud-Israël van de HEER afweek, stuurde Hij vijanden op hen af om hen hardhandig tot bezinning te brengen en in het parcours van zijn wil en plan te doen terugkeren, Richt. 2; 3:1-5. Hij gebruikt ook nu nog oorlogen, hongersnoden en aardbevingen om volkeren of zijn afgedwaalde kerk op de knieën te brengen, Mat. 24:6-8; Openb. 5-20.

 

119. Wat is snoeien van gelovigen door leed?
Hij snoeit hen pijnlijk van ondeugden zoals hoogmoed zoals een wijnbouwer de ranken van de wijnstok opdat deze meer vrucht dragen, Joh, 15:1-17.
Hij toetst hen daardoor of hun liefde echt is zoals Hij Job zijn kinderen en bezit liet ontnemen om hem te beproeven, Job 1:6-12.
Hij doet hen in verdrukkingen groeien in geloof, hoop en liefde, Rom. 5:1-4.

 

120. Wat betekent het dat Hij het kwade ombuigt ten goede?
Hij gebruikte het kwade dat broers Jozef aandeden ten goede zodat deze hen later bij een hongersnood voedsel verschafte, Gen. 37-47. Wat priesters en schriftgeleerden ten kwade beraamden, boog de Vader om ten goede voor onze verlossing, Hand. 2:23-36; 5:30-31.

 

121. Wat betekent het dat Hij motieven met elkaar vervlecht?
De Vader gaf zijn Zoon aan ons over uit liefde, Joh. 3:16; 10:11-19. De leden van het Sanhedrin leverden Jezus over uit haat in de waan dat Hij zich ten onrechte Gods Zoon noemde, Mat. 26:63-66; Joh. 19:7. Gamaliël adviseerde de Hoge Raad om de apostelen niet ter dood te brengen omdat hij dacht dat de Jezus’ beweging op niets zou uitlopen, terwijl Gods motief was om de apostelen te beschermen, die wel wisten dat Gods werk zou slagen, Hand. 5:33-43.

 

122-123. Waarom wisselt God geduld af met geweld?
Hij oefent geduld met bozen om hen bekeringskansen te geven. Hij wil het risico vermijden dat ongeduldige bij voortijdig ingrijpen ook het goede zaad beschadigen, Mat. 13:24-30; 36-43; 2 Pe. 3:9. Hij laat veel toe, ja biedt in zijn plan zelfs ruimte aan Satan, Job 1-2; Marc. 5:1-20; Openb. 20:3b. Onder Gods toelating mogen we niet verstaan dat Hij als toeschouwer op een bank zit om het spel gade te slaan; want Hij voert een actief beleid; en evenmin dat Hij schurkenstreken rechtvaardigt; want Hij is Heilig in zijn overwegingen. Hij gaat over tot geweld, als hardleerse de ongerechtigheid ten top doen stijgen, en herstelt het evenwicht door de volken onderling onrecht te laten vergelden, Ex. 6-15 (Farao); Nahum (Assyrië); Openb. 18 (Babylon, ‘dubbele vergelding’).

 

124. Wat is uitroeiing en eeuwige straf?
De HEER bestrafte Noachs tijdgenoten met de verdrinkingsdood, Gen. 6-8. Hij doet dit niet meer maar het blijft een rood signaal voor de scheiding van de mensheid in twee groepen bij het eindgericht, Mat. 24:32-52. Hij roeide Amalek uit, omdat dit in de woestijn weerloze vrouwen en kinderen aanviel en zijn heilsplan dwarsboomde, Ex. 17:8-14. In het nieuwe verbond voert de Rechter door engelen vonnissen uit tot rechtsherstel, Openb. 18. Hij verwijdert in het einde Satan voorgoed van deze aarde en werpt hem en zijn medewerkers in de vuurpoel, Mat. 13:42; Openb. 20:13; 2 Tes. 1:9.
3. Op welke wijze geeft de HEER zin aan lijden en beproevingen? (125-135)

 

125.-126. Wat is het verschil tussen toetsing en het boeten voor schuld?
God testte Abraham met Isaaks offer of zijn vertrouwen (h)echt was, Gen. 22:1-19. Hij beproefde Israël door verzwaarde arbeid, Ex. 5, dorst en honger, Ex. 15:22-27; 16, en vele noodsituaties, Num. 11-13; Ps. 78; 105-106. Hij toetst de Kerk door afval, tegenslagen en vervolging en beloont haar volharding, Hebr. 11:17-19; Rom. 4. Schuldloos lijden is anders dan lijden door schuld. God trof David met de dood van een kind, opstand en oorlog, omdat hij de echtgenote van Uria tot zijn vrouw genomen had en hem had laten doden, 2 Sam. 12. De koning mocht na berouw in leven blijven maar er kleefde een smet aan zijn bestaan, Ps. 51. We voorkomen onnoemelijk veel leed, als wij ons houden aan Gods wet.

 

127. Wat is louteren?
Zoals vaklui ruw ijzer in een gloeiend proces omsmelten tot roestvrij staal, zo loutert de Heer gelovigen door tegenslagen. Petrus verklaarde bereid te zijn voor Jezus te sterven, maar verloochende zijn Heer kort daarom drie maal, Luc. 22:54-65. Jezus louterde deze overmoedige door zijn val, herstelde hem in zijn ambt, Joh. 20:5-19, en droeg hem op door zijn belijden de gemeente te versterken, Hand. 2-5. Lijden onder smaad is – zo beleed Petrus - als een vuur dat het kostbare geloof loutert en de deugdelijkheid daarvan bewijst, 1 Pe. 1:6-7.

 

128. Wat is heiligen?
Dit is een levenslang proces van toewijding aan de Heer, Oef. 36. God deed zijn volk zijn naam erkennen door dit over te leveren in handen van de volkeren en daarna te bevrijden, zodat ook de volken respect voor Hem kregen, Ez. 38. Jezus verheerlijkte zijn Vader door zich aan Hem te wijden in gehoorzaamheid aan zijn opdracht, Joh. 12:28; 17:1-4. De Geest bewerkt gehoorzaamheid, Hand. 5:33. Hij doet ons met Jezus Christus sterven in berouw en strijd en opstaan tot gerechtigheid, Rom. 6. Hij schenkt ons kracht Hem na te volgen door ons leven voor Hem prijs te geven en het daardoor te behouden, Joh. 12:20-25,Oef. 36.

 

129.-130. Wat is opvoeding tot volwassenen?
De Herder voedde Israëls twaalf stammen door ontberingen op tot éénheid als het door Hem uitverkoren volk en koninklijk priesterdom om het te leren Hem te behagen en zijn daden te verkondigen, Deut 7:6-8; 8:5; Ex. 18:5-6; 1 Pe. 2: 9-10; Hand. 2. Paulus leerde door zijn handicap nederig genoegen te nemen met zijn voorrechten en zijn zwakheid te ervaren als invalspoort voor hemelse energie, 2 Kor. 12:9. De Geest bevrijdt Gods kinderen van angst en doet hen vrijmoedig ‘Abba, Vader’ te zeggen, Rom. 8:15> Hij doet hen in voor- en tegenspoed rijpen tot volwassenen in de omgang met Hem en elkaar, Ef. 4:1-16; Fil. 3:7-11. Verdrukkingen zijn het bewijs dat God gelovigen waardig acht deel te hebben aan zijn Koninkrijk, 2 Tes. 1:5. Volgelingen, die om Jezus lijden, krijgen de belofte dat zij zijn Koninkrijk binnengaan. “Gelukkig (zalig, makarios) bent u, als ze u uitschelden en vervolgen en u van allerlei kwaad betichten vanwege Mij. Wees blij (chairete) en juich (agalliasthe), want in de hemel wacht u een rijke beloning.”, Mat. 5:11-12.

 

131-132. Hoe dient lijden tot verheerlijking van God en offerbereidheid?
God heeft alles geschapen om Hem te verheerlijken, Openb. 4:11. Jezus verheerlijkte in zijn leven, sterven en opstanding zijn Vader, Mat. 11:25-26; Joh. 17:1-3, die daarin op zijn beurt zijn Zoon verheerlijkte, Mat. 3:17; Joh. 12:20-30; Hand. 2:14-36.
Wij bevorderen terecht een gezond nageslacht maar de Soevereine kan een gehandicapte gebruiken voor daden van genezing tot zijn lof en om geestelijk verblinden de ogen te openen, Joh. 9:4; vgl. 1-41.
Wij mogen het vaak stuitende en ontluisterende lijden niet verheerlijken, maar de Soevereine kan ons leren roemen in verdrukking, Rom. 5:3; 2 Kor. 12:9-10.
Wij staan soms onwennig tegenover invaliden, maar zij roepen ons meeleven, onze offerbereide inzet, donors van levers en nieren en de ontwikkeling van de medische wetenschap op.
Daar de Kerk één lichaam met vele leden vormt, is het ieders taak zijn gave aan te wenden ten dienste van hulpbehoevenden, 1 Kor. 12-14.

 

133. Wat roepen hartverscheurende gruwelen op?
Nahum kon de door Assyriërs bedreven wandaden niet langer aanzien en profeteerde rechtsherstel door wraak van de HEER, Nah. 1:1-8 (negen maal Zijn wraak en straf). De Wreker vervulde zijn profetie bij de val van Nineve, hoofdstad van de Assyriërs, in 612 v.C. Martelaars in de hemel bidden om rechtsherstel (wraak) voor wat schurken, onder welke vaak overheden, gelovigen aandoen, Openb. 6:9-11. Het dodental van 200. 000 of meer rond 2005 in Darfur in de Soedan en meer dan twee miljoen vluchtelingen eisen het ingrijpen van gerechts- en strafhoven om bozen te stuiten, Ps. 9-10; 44; 72; 97.

 

134.-135. Onthult God alle raadselen?
Alle lijden en dood zijn vreemd aan Gods schepping en blijven ons verzet oproepen. Daarom nemen bovenstaande zingevingen het pijnlijke daaruit niet weg en prikkelt alle lijden onze hoop op een gave wereld, Rom. 8; 1 Kor. 15; Openb. 22. De Geest onthult velen de zin van hun levens- en lijdensgang in het hiernumaals, Ps. 73; 1 Kor. 2:10; 12-14; 2 Kor. 12:9. Wie Gods hand en vinger naspeurt, mag daaruit wijze lessen trekken voor zichzelf, de Kerk en de volken, Ps. 78; 105-106; Openb. 4-22. De Kerk laat zich bij de vertolking van Gods daden leiden door de bijbel en zingt het lied van Mozes en het Lam over Gods rechtvaardige daden, Openb. 15:3-4. Toch gaat menigeen met onbeantwoorde vragen zijn verheerlijkt bestaan tegemoet in het geloof dat de de Zingever vele raadselen eens zal onthullen, 1 Kor. 13:12.
4. Hoe regeert Allah goed en kwaad? (136-137)

 

136. Wat leert de islam over het kwaad?
De koran leert dat ongeloof, afgoderij en veelgodendom verfoeilijk zijn en dat Satan een bedreiging vormt, maar ook dat de mens door zijn val in het paradijs niet onderhevig is aan erfsmet en heel wat ten goede presteert, oef. 8B.

 

137. Wat leert de islam over het bestel van Allah?
Welke ramp er ook geschiedt – Allah moet gedankt omdat Hij een nog groter kwaad had kunnen zenden; een invalide mag Hem danken dat het nog niet erger met hem gesteld is. God kan het kwaad van twist, opstand en afval zenden om de gelovigen te beproeven (= fitna). Aan de islam ging vooraf het heidense tijdperk van onwetendheid en slechtheid (= Jahilliyya). Vele fundamentalisten vinden dat het Westen deel uitmaakt van de Jahilliyya door afval van God en verdorven zeden en dat zij deze op leven en dood moeten bestrijden, oef. 13 en 14.

 


 

Wie zich uitvoeriger verdiepen wil in de vragen van goede en kwaad en Gods bestel, raadplege De Grote Protestants-Katholieke Catechismus, Oefening 6 en 7, aan te vragen bij de auteur.

 

 

Oefening: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8a | 8b