Oefening: 47 | 48 | 49 | 50

 

Gesprekken II - Oefening 50 (1057-1077)

Hoe bent U alles in allen in de nieuwe wereld?

 

1. Gebed als gesprek over Nieuw-Jeruzalem. (1057-1058)

 

1057. Zullen wij Uzelf, HEER, in Nieuw-Jeruzalem aanschouwen?
Ja, Ik en mijn Zoon stralen als uw Licht zo overvloedig, dat u zon en maan niet meer nodig hebt, Jes. 60:19-20; Openb. 21:22-23.
Wij maken u als schepsel niet aan Ons gelijk, wel altijd gelukkig door u ons liefde uitstralend gelaat te doen ervaren, Openb. 22:4-5.

 

1057.1. Zullen wij daar bekenden onder de heiligen herkennen?
Ja, u zult familieleden en vrienden ontmoeten in hun feestkleed als symbool van hun verleden, Openb. 19:7-8; als u enigen daar mist, omdat Ik hun naam uitwiste uit het boek des levens, zult u dit als rechtvaardig beamen, 1 Tes. 4:13-18; Openb. 3:5; 11:15-19.

 

1058. Wat voor soort stad schept U als Architect en Bouwmeester?
U zult genieten in een volmaakt Nieuw-Jeruzalem met parken en groen, waarin Wij het stralend middelpunt zijn.
Wij verwerken daarin wat u voor Ons aan liefdeoffers heb gebracht en aan prestaties en goede werken hebt voortgebracht, Mat. 5:1-12; 19:28-30; 25:14-23, 31-40; 1 Kor. 3:10-14 2 Tim. 3:6-8; Openb. 3:12; 21; 22:1-4.

 

1058.1. Wat zal, o Heer, daar onze voornaamste bezigheid zijn?
U zult Ons loven en dienen in taken die overeenkomen met uw aanleg en die Ik daar nodig vind, Mat. 25:14-30; Openb. 4-5; 21-22.
U zult elkander als heiligen verrijken en als koninkrijk van priesters heersen, Mat. 19:28-30; 2 Tim. 2:11; Openb. 5:10; 6:9-11; 7:4-10.

 

933.1. Waaruit blijken die ergernis en willekeur?
Velen vinden Mij te streng en hardvochtig, omdat Ik van mijn volk duizenden liet omkomen in de woestijn, Num. 13-14; 2 Kor. 10:5, en miljoenen verdoem, Mat. 13:36-43; Openb. 21:27; 22:15.
Anderen vinden Mij te barmhartig, omdat zij in het paradijs ook ex-criminelen, die berouw tonen, ontmoeten zullen, Luc. 23:36-43.
Derden misvormen mijn openbaring zoals zij die Jezus Christus niet als mijn Zoon erkennen en beweren dat de Kerk Hem heeft opgehemeld en twintig eeuwen heeft gedwaald!

 

1058. 2. Herinneren we ons het verleden en maken we geschiedenis?
Ja, u herkent Mij als God-van-Abraham en mijn Zoon als het in Oud-Jeruzalem geslachte Lam die u in Nieuw-Jeruzalem bracht.
Ik geef u inzicht in mijn openbaring en de wijze waarop Ik alles in uw leven deed medewerken ten beste, Rom. 8:28; 1 Kor. 13:12.
Ik zet de stadsklok nooit stil in een eeuwig heden. Uw ervaringen met Mij en de heiligen hopen zich op in deze stad die eeuwig duurt evenals uw Halleluja!
2. Hoe hangt de nieuwe wereld samen met de oude? (1059-1063)

 

1059. Sluit, leraar, de Getrouwe aan bij zijn vroegere werk?
Hij schiep de eerste hemel en aarde door zijn Woord uit het niet-zijn, Gen. 1; Ps. 33:9; Hebr. 1:1-4; 11:3. Dat doet Hij niet opnieuw. Er komt wel een nieuwe hemel en nieuwe aarde, Jes. 65:17; Openb. 21:1, maar hiermee is niet bedoeld een volstrekt andere schepping. Want de profeet tekende hetzelfde, thans herbouwde Jeruzalem in optimale vorm met bewoners van hoge leeftijden, Jes. 65:17-25. God herschept de mensen van de oude aarde en maakt geen anderen. De Getrouwe vernietigt zijn werk niet maar houdt dit in stand, Ps. 119:89-91; 138:6; Jer. 31:35-37. De herschepping 1) is geen restauratie tot de oorspronkelijke vorm maar een transformatie tot hoger niveau, een weder-geboorte (= palin-genesis), Mat. 19:28, een herstel 2) van alle dingen met groots plus, Hand. 3:21-26.

 

1059.1. Waarom heet deze lichtstad naar Jeruzalem?
Deze heet niet naar antieke steden zoals Athene en Beying of naar Mekka, stad van Mohammed, of naar die van de nieuwere beschaving zoals Parijs, Londen en New-York, maar naar Jeruzalem, de enige stad waar de HEER als Koning troonde in de tempel en openbaringen gaf, 1 Kon. 8-9; 2 Kon.19. Daar predikte Jezus en deed Hij zijn intocht als Koning en Zoon van David, Mat. 21:1-17. Daar deed Hij wonderen, daar stierf Hij en stond Hij op, Mat. 26-28. Vlak daarbij voer Hij ten hemel en daar stortte Hij zijn Heilige Geest uit, Hand. 1:8-12; 2. Johannes greep bij de tekening hiervan terug op de profetie over een welvarend Kanaän met leeftijden van honderden jaren, Jes. 60; 65:17-25; Openb. 21.

 

1060. Kunt u, leraar, de contouren schetsen van de nieuwe wereld?
Deze kent niet meer de vloek van ziekte, dood en vergankelijkheid, Gen. 3; Mat. 24:35a; Rom. 8:18-22, maar alleen een bloeiend leven. Allen buigen zich vrijwillig voor de Vader en de Zoon, 1 Kor. 15; Openb. 4 en 5. God zuivert door vuur 3) de elementen en sluit rampen uit, Mat. 3:12; 1 Kor. 3:13-15; 2 Pe. 3:7, 10. Hij beëindigt de noodzaak van voeding en de voorplanting, Mat. 22:30; 1 Kor. 6:13, en viert met de complete mensheid eeuwig feest. Als er dieren zijn, sterven zij niet en leven zij vredig met elkaar, Jes. 65:25. Hij communiceert intens met beelddragers en verlicht hen zelf, Jes. 60:19; Openb. 21:23.

 

1061. Waarom acht de HEER het nodig ook de hemel te reinigen?
Een hoofdengel en zijn medestanders hadden deze verontreinigd door opstand en laster, Judas 6. Jezus onttroonde de vorst van deze wereld, Luc. 10:18; Joh. 12:30. Michaël en zijn engelen wierpen al vechtend Satan en zijn engelen op aarde, waar zij hun afbraakwerk voortzetten tot hun definitieve verwijdering, Openb. 12:7-18; 20:10,14-15.

 

1062. Is Nieuw-Jeruzalem resultaat van onze inspanning?
Nee, de Ontwerper doet deze stad zelf uit de hemel neerdalen op de nieuwe aarde, Op. 21:1,10; Hebr. 11:10, maar verwerkt hierin onze liefdewerken en creativiteit. Inscripties op poorten dragen de namen van Israëls twaalf stammen, Openb. 21:12c, en grondstenen die van de twaalf apostelen, 21:14. De architect eert hen in monumenten. Zoals Hij in het herstelde aardse Jeruzalem zichzelf in het middelpunt plaatste en producten uit omringende landen in etalages opnam, Jes. 60; 65:21-22, zo plaatst Hij zich in. Nieuw-Jeruzalem in het middelpunt en voorziet de stad van de pracht, schatten en kostbaarheden van koningen en volken, Openb. 21:2,10, 22; 24-26; Mat. 2. Het blijft een verrassing welke producten de Architect als bouwstenen voor deze cultuurstad geschikt acht. 4)

 

1063. Valt de nieuwe aarde samen met Nieuw-Jeruzalem?
Neen, tussen beide is onderscheid. God doet dit uit de nieuwe hemel neerdalen op de nieuwe aarde. Deze wordt voorgesteld in de volmaakte vorm van een kubus of vijfhoekige piramide met gelijke lengte, breedte en hoogte en blinkend gouden straten en paarlen poorten, Openb. 21:15-21. Deze mega-stad 5) tintelt van vruchtbaar leven, 22:1-2, en telt uitverkorenen als burgers, 21:27.
3. Op welke wijze zien we Gods gelaat daar? (1064-1067)

 

1064. Zien wij hier op aarde Gods heerlijkheid direct?
Nee, wij zien zijn schoonheid en majesteit hier indirect via zijn schepping, Ps. 8; 104. We ervaren zijn genade en gerechtigheid in zijn werken onder zijn volk en in zijn Zoon Jezus Christus, Ps. 105-106; Joh. 14:4-14; Openb. 5-22. We zien Hem en zijn deugden via de bijbel en verkondiging daarvan, via christenen en geestesgaven, Joh. 14:7-9; Hand. 2; 1 Kor. 12-14. Dit is een andere communicatie dan de uitwisseling van blikken door het zien van zijn gelaat.

 

1065. Waarom kunnen wij op deze aarde Gods gelaat niet zien?
God acht ons daarvoor niet heilig genoeg en rustte ons daarvoor niet toe. Op Mozes’ vraag: ‘mag ik uw heerlijkheid zien?’, antwoordde Hij: “Mijn gelaat kunt u niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven.”, Ex. 34:20. Hij liet hem in een rotsholte op bedekte wijze (flitsen van) zijn heerlijkheid aanschouwen, Ex. 33:21-23; Num. 12:8. Hij verkondigde hem zijn deugden en sprak met hem vertrouwelijk zodat Mozes’ gezicht straalde, Ex. 34:6-7, 27-35; Num. 12:8. Aäron, Nadab en Abihu en zeventig oudsten aanschouwden (flitsen van) Hem, maar niet zijn gelaat; zij zagen onder zijn voeten een soort platvorm van saffier, helder als het hemelgewelf, Ex. 24:9-11. Geen mens heeft God op deze aarde volkomen gezien of is in staat Hem te zien, de Schepper die woont in een ontoegankelijk licht, 1 Tim. 6:16.

 

1066. Zullen Gods dienstknechten zijn gelaat straks wel zien?
Ja. “Zij zullen zijn gelaat (prosoopon, facies) aanschouwen en zijn naam op hun voorhoofd dragen.”, Openb. 22:4. Dit is mogelijk omdat God zijn glorie veel sterker openbaart dan nu en ons daarvoor de ogen opent. Jezus zei al: “Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.”, Mat. 5:8. Johannes zag de Vader omfloersd op zijn troon schitteren en het Lam er naast staan, Openb. 4:2-11; 5:6-8; Ez. 1; Jes. 6. Wij hebben straks geen zon- of kunstlicht nodig, de Vader en het Lam zijn ons Licht en onze tempel, Openb. 21:22-23; 22:3-5. “Bij dag zal de zon uw licht niet meer zijn, de glans van de maan zal u ’s nachts niet verlichten; de HEER zelf zal uw licht zijn voor eeuwig en uw God wordt uw luister.”, Jes. 60:19.

 

1066.1. Wat is de zaligheid van dit aanschouwen van God?
De zon doet zaad ontkiemen, tovert een kleurenpracht tevoorschijn en verkwikt mens, dier en plant; veel sterker dan de zon straalt de Heilige in Nieuw-Jeruzalem, doordringt de mens weldadig met zijn liefde en kracht en stelt hem in staat zijn blik op te vangen. De HEER trekt zijn schepsel niet als deel van zichzelf op tot goddeljke hoogten en bewaart afstand tot hem. 6) Hij vervult zijn verbond. “Dit is de tent van God bij de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn.”, Openb. 21:3, 22; Gen. 17:7-8; Ex. 40:34-38. Zijn stralende, lieflijke aanwezigheid maakt ons innig gelukkig, geeft ons maximale vreugde en voert ons tot de hoogste verrukking en eindeloze jubel. 7)

 

1067. Wat bedoelde Paulus met: ‘dat God alles is in allen’ ?
Jezus schakelt alle vijanden uit, ook de dood. Hij onderwerpt zich aan zijn Vader als opdrachtgever en treedt terug achter Hem, 1 Kor. 15:24-28. Dat de Vader alles in allen is betekent dat iedereen Hem vrijwillig of noodgedwongen erkent 8) en niet dat Hij met ons samensmelt (pan-theïsme) of iedereen in zijn Koninkrijk opneemt. Paulus schrijft in dezelfde brief dat hij zich inspant om ‘enigen’ van het verderf te redden, 1 Kor. 9:22-23, en dat Gods gerichten onder oud-Israël een afschrikwekkend voorbeeld zijn voor ons, 1 Kor. 10:1-13. Dus is het beroep op 1 Kor. 15:28c voor de leer van de alverzoening in de zin van redding van alle mensen, Satan en de demonen een utleg op de klank af en misplaatst.

 

1067.1. Wat is Jezus’ plaats in het Nieuw-Jeruzalem?
De Vader beloofde Maria dat haar Zoon eeuwig koning zou zijn op Davids troon, Luc. 1:33. Hij maakt deze belofte waar, ook nadat de Zoon zich aan Hem heeft onderworpen. Jezus legde zijn menselijke natuur niet af en draagt als een van ons de tekenen van zijn slachting naast de Vader op de troon, Openb. 21:22; 22:3-5. Hij regeert ons eeuwig èn als God - wortel van David - èn als mens - zoon van David, Openb. 5:5; 22:16. Het gebeuren in Bethlehem, op Golgota, in Jozefs hof en op de Olijfberg is voltooid verleden tijd maar blijft actueel doorwerken, omdat het Lam het daar verworven leven schenkt aan stadsgenoten, Openb. 22:1.
4. Hoe beoefenen wij straks gemeenschap der heiligen? (1068-1069)

 

1068. Wat staat er over de gemeenschap van heiligen in de hemel?
Christus’ lichaam heeft leden op aarde en in de hemel, 1 Kor 12:12-30; Ef. 3:14-21; 2 Pe. 1:10-11; Hebr. 11:10,16; 12:22. Triomferende leden maken contact met de strijdende kerk. Mozes (13e/12e eeuw v. C.) en Elia (9e eeuw v.C.) spraken met Jezus over zijn lijdensweg en zending door de Vader - die bij die gelegenheid ook zelf sprak - en traden in contact met drie apostelen, Mat. 17:1-8. De op aarde levende Johannes wordt bemoedigd door een hemels troonraadslid, Openb. 5:5; 7:13-17; vgl. 19:9-10; 22:8-9. Martelaren in de hemel wisselen ervaringen uit en smeken om vergelding en stopzetting van gruwelijke moordpartijen op christenen op aarde, 6:9-11. Heiligen verenigen zich in gebedsintenties voor strijders, 8:3-5; 12:11-12; 12:17.

 

1069. Herkennen wij bekenden, familieleden en bijbelheiligen?
We blijven dezelfde en (her)kennen elkaar op het niveau van heiligen, koningen en priesters. De HEER blijft God van Abraham, Isaak en Jakob. Hij kent ons, Ps. 139, bij onze doopnamen uit het levensboek, Fil. 4:3. Jezus belijdt onze oude naam voor de Vader, Mat. 10:32; Openb. 3:5. Petrus is dezelfde in Galilea, de hemel en in Nieuw-Jeruzalem en wordt geen Johannes. Lazarus bleef dezelfde evenals de rijke; zij herkenden elkaar zelfs over de kloof, Luc. 16:19-31. Door fictieve figuren in gelijkenissen leert Jezus ons hoe het in het hiernamaals toegaat; verblinden spotten: ‘och, het is slechts een gelijkenis’; verlichten beamen de waarheid ervan, Mat. 13:13-17. Mozes en Elia kennen Jezus, Petrus, Johannes en Jakobus in een openbaring die de heerlijkheid voorafspiegelt, Mat. 17:1-13. . We herkennen het Lam met horens als de leeuw uit Juda, wortel van David, Openb. 5:5, geboren in Bethlehem, gewoond hebbende te Nazaret en Kapernaum, broer van Jacobus, Jozes, Juda, Simon en enige zusters, Mc. 6:3. Daarom leren vele kerkleraren 9) en leerboeken de herkenning. 10)
5. Wat zijn de bezigheden van Nieuw-Jeruzalemmers? (1070-1071)

 

1070. Komen we te wonen in een groene stedelijke agglomeratie?
De stad met gouden straten lijkt steriel en kil maar tintelt van leven, bloemen, vruchtbomen en parken, Openb. 22:1-2. Johannes tekent de stad met trekken uit Ezechiëls visioen over een beek, opwellend uit een bron onder de tempel. Ez. 47. Deze stroomde midden door de stad met fris, helder water en deed vruchtbomen verrijzen, die elke maand vrucht dragen, 47:12. Deze stad heet Jahweh Sjamah, Hij-Is-Er-Bij-Daar, 48:35b. Johannes zag een rivier naar het centrum stromen in de hoofdstraat met bomen, die twaalf maal per jaar vrucht dragen, Openb. 22:2; Gen. 2:9; 3:24. God liet zijn banvloek over paradijs en aarde vervallen, Openb. 22:3a; Gen. 3:9-24. Deze cultuurstad schittert als groen en kleurrijk Nieuw-Eden. 11)

 

1071. Oefenen Gods dienaren in Nieuw-Eden een beroep uit?
Zij zullen als-koningen-regeren (basileusousin) voor altijd, Openb. 22:3b, 5; Gen. 1:26-29. Het beroep van verpleegkundige en arts, begrafenisondernemer en predikant, lijfwacht en militair vervalt. Musici en zangers houden de lof gaande, Openb. 4:8-11; 5:11-14; 11:15-18.
God wijst ieder zijn plaats en functie toe naar zijn welbehagen en de graad van inzet voor Hem, Mat. 25:14-30. Daar spijsvertering en broodwinning-uit-noodzaak, voortplanting, huwelijk en gezin vervallen, is er overvloed van ruimte voor lof en communicatie, spel en vriendschap; ieder maakt de ander gelukkig door zijn liefde.12)

 

Wilt u de bronnen van het bovenstaande nagaan, raadpleeg dan de noten van 1 tot 12.
1. Dat God geen volstrekt nieuwe hemel en aarde schept, Jes. 65:17; Openb. 21:1, blijkt uit de termen a. wedergeboorte, Mat. 19:28; b. weder-oprichting van alle dingen, Hand. 3:21; Hebr. 12:27; c. bevrijding uit de vergankelijkheid, Rom. 8:21; d. het verbreken van Satans werken, 1 Joh. 3:1-10. Origenes breidde de herschepping uit tot alle mensen en geesten op grond van 1 Kor. 15:25 v.; Joh. 1:16 en 17:11, Princ. III, 6.1. 2. 6.8; II, 3,5. Hij vond navolgers in Scotus, Erigena, Denck, Bengel, Oetinger, Hahn, Schleiermacher, J.H. Scholten, J. Bonda enz., Oef. 49.

 

2. Er staat in Jesaja 60:18 en Openbaring 21:23 niet dat zon en maan verdwijnen maar dat Gods lichtglans deze overtreft en de nieuwe stad hun licht niet meer nodig heeft. De gedachte dat de oude aarde verdwijnt (= annihilatio) vinden we bij de Lutherse Johan Gerhard (1582-1637) met beroep op 2 Petrus 3:10 en op het onmiddellijk schouwen van God; de zaligen zouden de schepping niet meer nodig hebben. Ook de gereformeerde Ed. Böhl leert in zijn Dogmatik, 1887, 610-611, vernietiging van de aarde door verbranding, vgl. Dogm. 4C, 499-500.

 

3. Er zijn van 2 Petrus 3:10 verschillende lezingen. De meesten hebben: de werken zullen gevonden, dat is beproefd en geoordeeld worden. Anderen hebben: de werken zullen niet meer gevonden worden, en dus verdwijnen, een oude sahidische versie, Openb. 20:11. Weer anderen zoals de Vulgaat hebben: zullen verbrand worden. M.H. Bolkenstein, De brieven van Petrus en Judas, 1972, p. 298-299. P.H.R. van Houwelingen, De tweede trompet. De authenticiteit van de tweede brief van Petrus, 1988. Deze weerlegt vanuit de exegese de bezwaren tegen de echtheid (= afhankelijkheid van de brief van Judas; retorische taal; afweer van spotters; late erkenning.) Het verdwijnen van de zee kan slaan op vernietiging van roerige volken, Openb. 21 b; Dan. 7:2.

 

4. Sommigen denken aan een liturgische inbreng, Van der Kamp, Openbaring 477. H. Berkhof kiest voor culturele bouwstenen. “Haar geboorte staat dus niet los van de technische en culturele verworvenheden en van de vooruitgang van de heiligingskrachten in onze wereld.”, CG 526. C. van der Waal denkt aan een ‘werkelijke inbreng van de door God geschonken, ontplooide scheppingsgaven.’, Openbaring II, 1981, p. 374. In dat geval zullen we J.S. Bachs werken beluisteren en computers ter beschikking kunnen krijgen, als dit nodig zou zijn.

 

5. De giga-omvang van 12.000 stadiën (een stadie = 192 meter) betekent 2304 kilometer; in een symbolische interpretatie betekent duizend enorm groot; twaalf slaat op Gods volk en verwijst naar de 12 stammen en 12 apostelen. Van de Kamp: “Deze maat geeft aan dat de stad van God zo groot als de aarde werd gedacht. Dit grondvlak is aardevullend.”, Openbaring . 468.

 

6. Dat we God zien door deelname aan zijn wezen leert de RKK o.i.v. Thomas van Aquino, Summa theol. I-I, q. 112 art. 1 en Augustinus. Ik bestrijd niet het zien als zodanig maar zien-door-Gods-wezen als neoplatonisme, Natuur en genade, 444-475. In reactie op de afwijzing van deze wezensschouw bleef de protestante leer van het zien mager, vgl. P. Veldhuizen over Schilder, God en mens onderweg, 267-269. J. van Genderen legt nadruk op kennen, liefhebben, loven en dienen, loven en prijzen; het zien van God komt niet uit de verf. Hij acht met Schilder ook weerzien en herkennen van heiligen niet de goede woorden, BGD, 790-795.

 

7. K. H. Miskotte, Het schouwen der godheid; zijn schoonheid zien, in: Als de goden zwijgen, 1956, VW8, 1983, p. 303-309. Hij erkent de waarde van Mozes’ begeerte, Ex. 34:5-8. “Zulk een aandrift naar een onmiddellijker kennis behoort (zegt ons de tekst) tot het wézen van het geloof; het moest ons verboden zijn, deze aandrift met achterdocht te bejegenen. Het geloof wil ‘gegenständlich’kennen.”, a.w. p. 194. Luther leert dat we in het hiernamaals niet eten of slapen, door de ruimte zweven en wel planten en dieren zien, maar dat het aanschouwen van God - het tehuis van de zaligen – ons meer leven, vreugde en verrukking brengt dan alles wat God geschapen heeft, Luther, Weimar Ausgabe 36,660; 36:595, McDannel, De hemel, 170.

 

8. F.W. Grosheide: “Alle mensen, goddelozen en vromen, alle duivelen moeten door het werk van Christus God erkennen als den Enige.”, De eerste brief aan de kerk te Korinthe, 1957, 407. Dit kreeg de naam van kosmische verzoening of pacificatie, vgl. Kol. 1:19-21.

 

9. Volgens Augustinus nemen heiligen de betrekkingen van man,vrouw, kind, vriend over, Sermones, 80:7; PL 38:497, De Hemel, 76-84. Melanchton zag ernaar uit om met een vriend te spreken over de bronnen van alle kennis. Zwingli riep in zijn Expositio christianae fidei koning Frans I op protestant te worden omdat hij dan zou verkeren met heiligen, zelfs met Socrates. Luther twijfelde er niet aan of hij zou zijn vader weerzien, maar dit betekende voor hem niet dat het oude gezin verenigd zou worden, WA Br. 5:241, De Hemel, 170v.

 

10. Duffield e.a. neemt in Woord en Geest, geloofsleer van de Pinkstergemeente, aan dat wij elkaar herkennen omdat wij onze identiteit behouden. “Het beste van de relaties die we op aarde reeds hebben ervaren, in het lichaam van Christus, zal blijven bestaan in het hemelse leven.”, a.w., 1999, p. 594. Ook de RKK leert herkenning. “Tot de zaligheid van de hemel behoort ook de gemeenschap met Jezus Christus, met de engelen en heiligen, de gemeenschap met de verwanten en vrienden uit de tijd van ons aardse leven, de vreugde over de schoonheid van Gods werken in de schepping en geschiedenis, de blijdschap over de overwinning van de waarheid en de liefde in ons eigen leven en in het leven van anderen.”, De geloofsbelijdenis 1985, p. 418. Volgens de rk. M. Schmaus wachten vrienden in de hemel elkaar op, Kath. Dogm. IV,2, p. 632-635. Vgl. D4C, p. 506-512.

 

11. Van de Kamp wijdt een excurs aan verwachtingspatronen van een nieuwe stad in de Joodse en Grieks-Romeinse cultuur, a.w. p. 481-484. Openbaring 21-22 sluit aan bij oudtestamentische profetieën, Jes. 54:1-3,11-14; 60; 65:17-25; Ez. 40-47. De hellenistische mens had als stadsideaalbeeld integratie, communicatie tussen mensen op pleinen en in straten, orde, democratie als zelfbestuur, secularisatie (geen heiligdom in centrum), samenhang met de natuur door parken enz. Iedere Romeinse stad had een tempel, het Nieuwe Jeruzalem heeft dit niet.

 

12. Hierover uitvoeriger: Dogm. 4C, p. 512-517. Volgens sommigen verliezen zon en maan hun functie; daar zij het ritme van dag en nacht en jaarcycli aangeven, zou Nieuw-Jeruzalem een ander tijdsschema krijgen; er staat echter niet dat zij verdwijnen, maar verbleken bij Gods licht.
6. Hoe bereidt de HEER ons voor op Nieuw-Jeruzalem? (1072)

 

1072. Is het project Nieuw-Jeruzalem, leraar, een wensdroom?
Nee, het Gods openbaring, geen fantasieproduct van een vrome dromer, geen luchtspiegeling. 13) De onthulling (= apo-calupsis) door Jezus Christus is ook vervulling van de profetie, Jes. 60; 65. De Vader gaf deze openbaring aan zijn Zoon, die door een engel dit Johannes meedeelde, Openb. 1:1. De boodschap komt in beelden tot ons maar deze beantwoorden aan de komende heerlijkheid. Jezus wil dat men de profetieën voorleest en verbindt straffen aan verminking ervan, Openb. 1:3; 22:7, 18-19. Ons leven op aarde-I is een voorbereiding voor het wonen op aarde-II. Abraham zag al tijdens zijn pelgrimsreis in oud-Kanaän uit naar Nieuw-Jeruzalem, Hebr. 1:8-16.

 

1072.1. Nodigt de HEER ieder uit, leraar, om zich er te vestigen?
Hij riep eerst alleen Israël. Hij zond Jezus naar de verloren schapen van zijn volk, Mat.15:24. Deze riep hen tot zijn bruiloftsfeest - beeld van zijn Koninkrijk - maar velen gingen daar niet op in, Mat. 22:1-14; Luc. 14:15-22. Op de Pinksterdag riep Hij hen opnieuw, ook tegenstanders, Hand. 2:14-40. Daarna betrok Hij de volken in zijn uitnodiging, Jes. 56; Mat. 28:18-20; Hand. 10. Wie deze afslaat, wordt niet toegelaten, Mat. 22:12-14; Openb. 21:17; 22:14-15. Wie daaraan gehoor geeft, groeit in liefde en dank en krijgt toegang. Er is een brede kring van uitwendig geroepenen, die de uitnodiging afslaan; en een smalle kring van inwendig geroepenen, die door genade deze roep beantwoorden. De Heer is van beide Roeper, voor de een ten dode, voor de ander ten leven, 2 Kor. 2:14-16. 14)

 

1072.2. Moet ik, leraar, smetteloos zijn om toegang te krijgen?
Ja, in zekere zin wel. “Niets onreins zal er binnenkomen en niemand die zich schuldig maakt aan de gruwelijke leugen, maar alleen zij van wie de namen geschreven staan in het boek des levens van het Lam.”, Openb. 21;27; 22:14. Lees daarbij ook andere teksten. Want Christus reinigt corrupten, 1 Kor. 6:9-11. Ook de meest gevorderde op het heiligingspad is niet smetteloos, Oef. 35, 36. Menige later geroepene leefde lang in onreinheid en kreeg tijd om zich te bekeren, zelfs van vervolger tot gemeentebouwer, Hand. 9:1-30. Christus kan de zwaarste zondaren roepen, hen door een groeiproces van heiliging rijp maken en de paleisdeur voor hen openen, Luc. 23:38-43; Ef. 2; Kol. 2:6-7; 2 Kor. 3; 4:6. “Laat ons verheugd zijn en juichen en Hem eer bewijzen; de tijd is gekomen voor de bruiloft van het Lam, zijn bruid heeft zich al klaar gemaakt. Haar is het vergund zich te kleden in linnen, wit en smetteloos: de ‘rechtdadigheid’ van de heiligen. En de engel zei tegen mij: ‘Schrijf op: Gelukzalig (= makarioi) de tot de Maaltijd van het Lam geroepenen (= ke-klèmenoi)!’ ”, Openb. 19:8-9.

 

1072.3. Is er een routekaart voor reizigers naar Nieuw-Jeruzalem?
Ja, Petrus tekent deze in toespraken in Oud-Jeruzalem en Caesarea, Hand. 2:14-40; 3:11-26; 4:8-12; 10:34-48. Hij verkondigt op Gods gezag als door Christus gezonden apostel en woordvoerder van het apostelcollege in de kracht van de Heilige Geest dat de Redder ons alleen langs zijn route naar Nieuw-Jeruzalem voert, Hand. 4:8. 15)
a. Hij start deze route bij Gods verbond, Hand. 2:14, 36, 39; 3:25-26; Gen. 17. Al zijn toehoorders behoorden tot het volk van beloftedragers. Hij beschuldigt hen van medeplichtigheid aan Jezus’ dood maar zegt niet: ‘u bent vervallen van de verbondsstatus.’ Ook Paulus nam zijn uitgangspunt in deze bevoorrechte status, Hand. 13:16-46; 14:1-7; 17:1-15. Beide betrokken op de routekaart van het verbond ook gelovigen uit de heidenen met hun gezin, familie en huisgemeenschappen, Hand. 2:39; 11:14-18; Rom. 9-11; Ef. 2; 6:1.
b. Petrus verkondigt Gods beloften aan allen zonder onderscheid en roept allen op tot geloof en ommekeer, Hand. 2:38-40; 3:11-26. Hij sluit ophitsers tot Jezus’ dood niet uit van de belofte, maar biedt allen, ongeacht hun graad van medeplichtigheid, het heil aan. Hij begint zijn eerste toespraak met de beloften uit Joël 2:38-42, Hand. 2:16-21, en eindigt deze met nieuw te vervullen beloften, Hand 2:38-39. Iedere generatie staat onder de belofteboog van vergeving van zonden, eeuwig behoud (sotèria) en gave van de Heilige Geest. Op de beloften volgen de oproep tot berouw, ommekeer en geloof.
c. Hij spitst alles toe op aanvaarding van Jezus Christus als Redder, Knecht-van-de-HEER, Leidsman ten leven, Heilige en Rechtvaardige, Messias en Profeet. Hand. 2:36, 38; 3:13,16, 20, 26; 4:12. Het geloof in Hem waarborgt verlossing naar ziel en lichaam. Wie Hem afwijst, wacht uitroeiing, 3:23; vgl. Num. 15:30-31; Deut. 18:19-19. Petrus startte met het verbond maar nam er geen genoegen mee dat joden al tot het verbondsvolk behoren. Hij kent geen twee wegen tot eeuwig behoud - de weg van de Torah voor joden en die van geloof in Jezus Christus voor gelovigen uit de heidenen (Frans Rosenzweig) - Hij kent slechts één weg voor joden en heidenen. “En er is in niemand anders het behoud, sootèria; want er is geen andere naam onder de hemel de gegevene onder de mensen waardoor wij (naar Gods plan) behouden moeten worden.”, Hand. 4:12. Dit is Gods routekaart naar het Nieuwe Jeruzalem voor Abraham tot de laatste baby.

 

Wilt u op deze routekaart gaan wandelen, raadpleeg de werken in de noten 13 tot 15
13. In het Westen drong bij velen de dwaalleer door dat God, duivel en demonen, hemel en hel en alle openbaringen een uitvinding of projectie zijn van mensen uit behoeften, verdringing of angst. Deze waan wortelt in het idealisme dat uitgaat van ons scheppende ik: Hegel, Feuerbach, Marx, Freud e.a. Hierop gaat diep in Han M. M. Fortmann, Als ziende de onzienlijke. Een cultuurpsychologische studie over de religieuze waarnemng en de zogenaamde religieuze projectie I en II, 1964-1968, tweede druk 1974.

 

14. De tweeërlei roeping vormt een heet hangijzer in de rechterflank van protestantse orthodoxie. Op dit pijnpunt botsen verbondsmatigen en bevindelijken en ontstonden meermalen kerkscheuringen. Ultra’s gaan zo ver dat volgens hen God iemand die Hij niet uitverkiest niet echt roept en het evangelie eigenlijk niet aangeboden mag worden aan onbekeerden. Hierop ging uitvoerig in K. van der Zwaag, Afwachten of verwachten? De toe-eigening des heils in historisch en theologisch perspectief, Groen, Heerenveen 2003, tweede druk 2003 (1098 blz.). Dogm. 4A,147-218.

 

15. De toespraken van Petrus en Paulus werden standaardvoorbeeld voor de heilsorde in prediking en geloofsleer. H. Bavinck wijdde niet minder dan 433 bladzijden aan de heilsorde, GD III, 551-690; IV, 1-294. W.H. Velema, BGD, 522-614. Vgl. mijn Dogm. 4A, 147-684. Herman Ridderbos, De redevoeringen van Petrus in de Handelingen der apostelen, in: Het Woord, het Rijk en onze verlegenheid, 1968, p. 9-36. Petrus twee redevoeringen in Jeruzalem, 2:14-40; 3:12-26, en één in Caesarea, 10:34-43, zijn illustraties van het getuigenis aangaande Christus in de oergemeente. Ridderbos: “Het betekent naar onze mening daarom miskenning van het karakter van Lucas’ geschriften, wanneer men deze redevoeringen voor vrije, verzonnen composities van de auteur Lucas meent te kunnen houden.”, a. p. 13. Martin Dibelius zag daarin litteraire composities met beroep op Thycidides, die redevoeringen invlocht die hij zelf componeerde, Aufsätze zur Apostelgeschichte, 1951.
7. Wat verschoof er in het hemelgeloof na de 18e eeuw? (1073-1075)

 

1073. Wierpen kerkvaders meer licht op Nieuw-Eden?
In ieder geval is het, omdat de Heilige Geest de Kerk verlicht, zinvol te peilen wat invloedrijke kerkvaders hierover beleden. Ambrosius troostte keizer Theodosius (gest. 395) er mee, dat hij zijn lieve, hem hier ontvallen kinderen Gratianus en Pulcheria, zijn vrouw en vader weer terug zou zien. Cyprianus stelt zich voor dat ouders, broers en zonen in dichte drommen naar hun familieleden uitzien.16) Augustinus en zijn moeder Monica kwamen in Ostia in een gesprek over de hemel, kort voor haar dood, beiden in vervoering. 17) Over de godsschouw schreef hij in De stad van God, XII, 30: ”Hij zal het einde zijn van onze verlangens en dat einddoel zal zonder einde aanschouwd, zonder oververzadiging bemind, zonder vermoeienis geprezen worden. Deze gave, deze genegenheid, deze bezigheid zullen zeker allen gemeen hebben, zoals zij het eeuwig leven zelf gemeen hebben.” 18) Zaligen zullen met familieleden een nog inniger band hebben; betrekkingen tussen echtgenoten, ouders en kinderen en vrienden vervallen volgens hem en worden overgenomen door engelen en heiligen. Het heerlijk is dat niemand meer een vreemde voor de ander is en er geen relatie onvolmaakt, oppervlakkig of onbevredigend is. Ieder kent de ander beter dan hij eens de eigen echtgenoot of echtgenote kende.19) Knappe vrouwen wekken ons op Gods wijsheid en goedheid te loven. De zaligen eten en drinken om het genot daarvan en aanschouwen God ook lichamelijk. De godsschouw stond mede onder invloed van Augustinus en Thomas eeuwenlang en staat nog vaak in het middelpunt van de leer in Kerk en theologie (theocentrisme). 20)

 

1074. Wat verschoof er na de achttiende eeuw in het hemelbeeld?
Emanuel Swedenborg, geb. 1688, leverde een belangrijke bijdrage aan het hemelbeeld met de mens als middelpunt. 21) Volgens hem zetten gestorvenen hun leven zintuiglijk voort, ook in de relatie man/vrouw, en betuigen hun liefde voor God ook via de liefde tot anderen. In vele boeken over de hemel - tussen 1850 en 1875 verschenen er in de Verenigde Staten een vijftigtal – is vereniging met gezin en familieleden basis en doel. Daarna verdrong de romantische liefde de omgang tussen God en de ziel. Volgens Lord Byron (1788-1824) haalt men met het door verplichtingen beperkte huwelijk de duivel in huis; met de dood verdwijnen deze beperkingen en blijft de liefde over, zodat zelfs de grootse feeks verandert in een engel. 22) Hij kwam dicht bij een bepaalde hemelvoorstelling van moslims, volgens welke strijders compensatie krijgen voor hun dood in het genot van maagden. I. Kant kocht de acht delen van het Hemelse Verborgenheden van Swedenborg, maar beschouwde hem als een fanaticus en dromer; hij geloofde wel in onsterfelijkheid maar wist er niet veel over te zeggen. De grondlegger van het vrijzinnig protestantisme, Schleiermacher, geloofde bij het graf van zijn zoon Nathanael niet aan het persoonlijk voortbestaan van deze zoon; want ieder gaat op in het oneindige zonder zelfbewustzijn. 23) Mormonen geloven dat een in hun tempel gesloten geestelijk huwelijk tussen heiligen van de Laatste Dagen eeuwig stand houdt en partners zich eeuwig kunnen blijven voorplanten; het gezin is de kern van het hemelse leven. 24)

 

1074.1. Wat leren chiliasten?
Irenaeus, bisschop van Lyon (ca. 140-200 n.C.), maakte aldaar vervolgingen mee. In zijn tijd verbond men het verhaal van de zeven joodse zonen die stierven in de hoop hun lichamen te herkrijgen, 2 Makk. 7:11; Hebr. 11:35, met dat van de opstanding van martelaars, Openb. 20:4-6. Hij maakte in zijn Tegen de ketters onderscheid tussen het tijdvak van vervolgingen, het Koninkrijk van de Messias als tussenrijk en het Koninkrijk van God als eindrijk. God zou een begin maken met het Messiaanse rijk van grote vruchtbaarheid en hoog kindertal, Jes. 60; 65, door martelaren op te wekken 25) op deze aarde als loon voor hun lijden, Openb. 20:4-6. Chiliasten verwachten vóór de top nog een subtop van hoog niveau van welzijn, Oef. 47, 48.

 

1075. Hoe eindigt de uitholling van de hemel en Nieuw-Jeruzalem?
Na de verschuiving van de godschouw naar de ontmoeting met geliefden knaagde de twijfel aan het geloof in Gods bestaan, in de hemel en in Nieuw-Jeruzalem. Velen nemen genoegen met ervaarbaar welzijn op aarde, waar genoeg te genieten valt. Zo verdwenen met God ook de laatste dingen totaal uit het gezichtsveld. Leven na de dood betekent voor velen dat geliefden voortleven in hun herinneringen, fotoalbums en video’s. De postmodernist leeft bij waarheidsflitsen, selecteert stukken uit de bijbel en buigt niet voor heel Gods Woord. Zal het Westen de hemel en nieuwe aarde herontdekken onder invloed van de islam of juist daarvan nog meer afstand nemen wegens wanbeelden of zinnelijke voorstellingen?
8. Wat gelooft de islam van de nieuwe wereld? (1076)

 

1076. Wie of wat staat er in de islam centraal?
Dat is de belijdenis van de eenheid (= tauhied).‘Er is geen godheid dan Allah’. Gelovigen zijn afhankelijk van hun Schepper en Onderhouder. Als zij gaan sterven, belijden zij “Wij behoren God toe en keren (te zijner tijd) tot Hem terug”, soera 2:156. Het laatste oordeel is een hoofdmotief in de koran; moslims bereiden zich voor op het eeuwige bestaan dat begint bij de wederopstanding. In deze meest nabije wereld (‘ad-doenja’) verwerven zij door loutering en strijd de geschiktheid voor de toegang tot de laatste wereld (‘al-aachira’). Het soefisme 26) richtte zich op persoonlijk contact met de werkelijkheid (‘al-Hakk’) en leert dat gelovigen Allah eens aanschouwen. “God is het licht van de hemelen en de aarde. Zijn licht lijkt bijvoorbeeld op een nis met een lamp erin. De lamp staat in een glas. Het glas is zo schitterend als een stralende ster. Zij brandt op olie van een gezegende boom, een olijfboom – geen oostelijke en geen westelijke – waarvan de olie bijna (uit zichzelf) licht geeft, ook al heeft geen vuur haar aangeraakt; licht boven licht. God leidt tot zijn licht wie Hij wil”, s. 24:35.

 

1076. 1. Wachten maagden de vromen op in de hemel?
In twee teksten komen in de koran over paradijsvrouwen voor. ”Vromen zullen op een betrouwbare plaats zijn temidden van tuinen en bronnen. Zij kleden zich met zijde en brokaat en zij zitten tegenover elkaar. Zo is het! En wij geven hen gezellinnen met sprekende grote ogen ten huwelijk. Zij kunnen daarin veilig om allerlei vruchten vragen.”, soera 44:51-55. “Maar de godvrezenden zullen in tuinen en gelukzaligheid zijn, blij met wat hun Heer hun geeft. En hun Heer beschermt hen tegen de bestraffing van de hel. ‘Eet en drinkt met genoegen voor wat jullie gedaan hebben, achterovergeleund op in rijen gezette rustbedden’. En wij geven hun gezellinnen met sprekend grote ogen ten huwelijk.”, 52:17-20. De tekst kan ook vertaald worden als druiven, maar dat het om paradijsvrouwen gaat wordt gesteund door Ibn Ishaq, die in een levensbeschrijving van Mohammed rond 750 vermeldt dat hij volgelingen liet weten dat, wanneer zij sneuvelen, er paradijsvrouwen verschijnen om hen bij te staan. 27)
9. Ontwikkelt Nieuw-Jeruzalem zich? Wordt het vervangen? (1077)

 

1077. Is er tijd en groei in het Nieuw-Jeruzalem?
Ja. Zoals de Schepper niet staat tegenover zijn beelddrager, zo staat Gods eeuwigheid ook niet tegenover de geschapen tijd en creatuurlijke eeuwigheid. Zoals God beelddragers niet liquideert maar vernieuwt, zo heft Hij de tijd niet op maar transformeert deze tot hoger niveau. Er is ook in het Nieuw-Jeruzalem voortgang in tijd, ontwikkeling, avontuur, geschiedenis.28)

 

1077.1. Waarin verschilt Gods eeuwigheid van onze eeuwigheid?
De Eeuwige heeft geen begin. Ons leven begon bij de schepping als soort of bij onze geboorte als enkeling. Ons eeuwig leven begint bij de wedergeboorte en eindigt nooit meer. Gods eeuwigheid verschilt kwalitatief van onze eeuwigheid op de nieuwe aarde. Hij staat in een souvereine betrekking tot onze tijd en kan één millennium doen inkrimpen tot één dag en één dag doen uitdijen tot duizend jaren, 2 Pe. 3:8; Ps. 90:4.

 

1077.2. Vervangt de HEER aarde-II nog eens door aarde-III?
Nee, nooit. Het hindoeïsme ziet het gebeuren als ronddraaiend wiel zonder vooruitgang, zodat mensen opnieuw ploeteren (reïncarnatie) voor en in nieuwe werelden. 29) De God van Abraham bouwt in een voortgaande lijn, die uitmondt in volmaakt, onvervangbaar Nieuw-Jeruzalem. De mensheid breidt niet meer uit, maar groeit in vreugde tot en gemeenschap met God en de heiligen. 30) We gaan voort van verwondering tot verwondering, van jubel tot jubel. 31)

 

1077.3. Komt u, dorstigen, tot de wateren?
Wat kan een mens op deze aarde dorsten naar geluk. Kom tot Hem, die u dit royaal geeft. U behoeft niet te betalen, wel te geloven in Hem die uw dorst gratis lest, Jes. 55. “Kom.Wie dorst heeft, kome. Wie wil, neme het water dat leven geeft, voor niets!”, Openb. 22:17. “De troon van God en het Lam zal daar staan, en zijn dienstknechten zullen Hem vereren. Zij zullen zijn gelaat aanschouwen en zijn naam op hun voorhoofd dragen. Er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht meer nodig van lamp of zon, want God de Heer zal over hen lichten en zij zullen heersen tot in alle eeuwigheid.” Openb. 22:3b-5.

 

Wilt u uw hemel- en aardegeloof verdiepen uit de bronnen, raadpleeg dan de noten 16-30
16. In De Hemel geven Colleen McDannell (geb. 1954), hoogleraar theologie in Salt Lake City, en Bernhard Lang (geb. 1946), hoogleraar Un. Paderborn, een overzicht van opvattingen over de hemel van Irenaeus, Augustinus, de Middeleeuwen, Dante, de Renaissance en hervormers, Swedenborg, Mormonen, Karl Barth, Karl Rahner, Reinhold Niebuhr, Paul TIllich enz. Ambrosius en Augustinus schijnen beïnvloed door Cicero’s boek Over de Ouderdom en De droom van Scipio. Beide werken eindigen met de belofte dat het eeuwig leven is voor wie zich inzetten voor anderen. De Romeinse staatsman Scipio ontmoet in een droom hemelbewoners, onder welke zijn vader die hij met tranen omarmt, De hemel, p. 77-78.

 

17. Augustinus, Confessiones, Boek 9, X, 23. Gerard Wijdeveld, De belijdenissen van Aurelius Augustinus, vertaal door, Utrecht, de Fontein, 1963, vijfde druk 1997, p. 271-281.

 

18. Gerard Wijdeveld, Aurelius Augustinus, De Stad van God, 1983, p 1197-1198.

 

19. De Civitate Dei, Boek XXII, 29-30. Mede door de invloed van het neoplatonisme achtte hij de schoonheid van groot gewicht, De hemel, p. 79-84.

 

20. Dante, theoloog en politicus, vertoeft aan het einde van zijn reis in de hoogste hemel, het empyreum, De goddelijke komedie, Canto XXXIII. Hier richt hij zijn ogen op het eeuwig licht van God, waarna hij in een drievoudige cirkel het mysterie van de Heilige Drie-eenheid aanschouwt. Dan wordt hij plotseling getroffen door een lichtflits die een eind maakt aan zijn visioen, waarin hij zelf veranderde en zijn gezichtsvermogen toenam in kracht. “Door de klaarte van dat Licht wordt men zo overweldigd dat het onmogelijk is zich er nog ooit vrijwillig van af te wenden om naar iets anders te kijken”, Van Dooren, a.w. 1998, p. 435. Thomas van Aquino stelde, geboeid door Paulus’ uitspraak: ‘zien van aangezicht tot aan gezicht’, 1 Kor. 13:12, de visio beatifica centraal; hij aarzelde toe te geven dat de hemelingen vormen van sociaal genoegen kenden, vgl. mijn Natuur en genade, 448-475.

 

21. De hemel, p. 197-240. Swedenborg, zoon van een Zweeds bisschop, ingenieur en wiskundige, werkzaam in de Zweedse mijnen als beambte, wijdde zich aan de studie van de bijbel en het ontleden van de symboliek van zijn eigen dromen. In 1772, bij zijn overlijden, had hij zestien boeken over zijn visoenen op zijn naam staan. Zijn antropologisch hemelbeeld kwam na hem tot bloei. “Swedenborgs beschrijvingen van het huwelijksleven in het hiernamaals herinneren aan de letterkundige werken van John Milton, Henry More en Jean-Jacques Rousseau.”, a.w. p. 242. “De ongelukkig gehuwde Milton en de ongetrouwde Swedenborg waren er beiden van overtuigd dat in een volmaakte wereld nauwe vriendschap en seksuele intimiteit wezenlijke bestanddelen waren voor een gelukkig leven.”, a.w. p. 245.

 

22. De hemel, p. 264. Spreekwoordelijk werd het leiden van een ‘Byroniaans leven’, dat is een leven vol passie en eindeloze liefdes.

 

23. De hemel, p. 324-325. Zij verwijzen naar Dorner, System der christlichen Glaubenslehre, Berlijn, Hertz 18872, II, 947-977. Heleen Zorgdrager, Theologie die verschil maakt, 2003.

 

24. Jospeh Smith, The Doctrine and Covenants of the Church of Jesus Christ of Latter-day Saints, Salt Lake City 1982. Hij omschrijft de term verheffing, par. 132:20, De hemel, 313-321.

 

25. Irenaeus stelde in zijn Adversus Haereses tegenover gnostici die de wereld als slecht zagen, wellicht werk van een slechte godheid, de goede schepping en zegeningen met als hoogste zegen de incarnatie. Hij bracht het geloof in het Duizendjarig rijk vanuit Klein-Azië naar het Westen, De hemel, p. 64-70. Vgl. over de gnostiek Riemer Roukema (red.), Het andere christendom, 2000.

 

26. Vgl. J. F. P. de Bruijn, Vroomheid en mystiek, in: Islam, norm, p. 161-173. Mohammed al-Ghazali (1058-1111), sleutelfiguur in de islamitische geloofsbeleving, ging aan de hogeschool in Bagdad twijfelen aan de waarde van godgeleerdheid die niet gegrond was op vroomheid . Hij streefde naar verinnerlijking van de islam zoals de mystici. Zijn hoofdwerk Ihjaa’ oeloem ad-dien (Het tot leven wekken van de godsdienstwetenschappen) geldt als een van de belangrijkste boeken binnen de islam, Jan Slomp, De Soefi Beweging, 2007.

 

27. De taalkundige Chrisoph Luxenberg heeft aannemelijk gemaakt dat deze koranpassages, 44:54 en 52:20 niet over maagden maar druiven gaan. Het gaat in deze passages in ieder geval niet alleen om martelaren maar over alle gestorvenen. Hans Jansen acht deze vertaling mogelijk maar stelt ook dat in Ibn Ishaq’s biografie terdege sprake is van maagden voor gesneuvelde strijders (jihaders), Islam voor varkens, 2008, p. 180-181. Ook Kader Abdolah vermeldt dit als Mohammeds prediking in zijn De boodschapper, p. 119-121.

 

28. De gedachte van een star gelijkblijvend zijn dient verworpen te worden. Karl Barth (1886-1968), KD III, 2, p. 760, en Karl Rahner (1904-1984), Schriften zur Theologie X, p. 186 kennen slechts één leven dat met de geboorte begint en met de dood eindigt. Zij kennen geen voortzetting daarvan in tijdseenheden in een oneindige toekomst; het leven komt volgens hen volledig tot stilstand. Rahner wil de hemel niet zien als plaats waar men zijn familie terugziet of waar het altijd feest is; engelen ontdoen ons van rommel en vullen de leegte met het aanschouwen van God, vgl. De hemel, 342-345.

 

29. Vgl. De Bhagavad-Gita zoals ze is, 1981. “Degene die de weg der toegewijde dienst niet getrouw volgen kunnen Me niet bereiken, O overwinnaar der vijanden, maar keren terug in de kringloop van geboorte en dood in deze stoffelijke wereld.”, IX, vers 3, a.w. p. 463. ”De gehele kosmische orde bevindt zich onder Mij. Door Mijn wil wordt ze telkens weer geopenbaard en door Mijn wil wordt ze, wanneer het eind er is, vernietigd.”, IX vers 8, a.w. p.s 473.

 

30. Indien de op de omloop van zon en maan gegronde tijdsvorm vervalt, schept de HEER een andere tijdsvorm en kalender. Een foutieve vertaling van Openb. 10:6b is: ‘er zal geen tijd, chronos, meer zijn’. Dit moet echter vertaald worden als: ‘er zal geen tijdsruimte of uitstel van de gerichtstijd meer zijn’. Vgl. Dogm. 4C, p. 517-522.

 

31. Op dinsdag 6 juli 2010 - dertien jaar na de afsluiting van mijn Dogmatiek op zaterdag 4 oktober 1997 op de leeftijd van 68 jaar - sloot ik Oefening 50 van deze Protestants-Katholieke Catechismus af op bijna een en tachtigjarige leeftijd (geb. 13 juli 1929); daarna bracht ik nog correcties en aanvullingen aan en in de Grote Catechismus een aantal noten voor de verificatie en voor verdere studie plus een boekenlijst.

 

Abdolah Kader (pseudoniem van Hossein Sadjadi Ghaemaghami), De boodschapper, een vertelling, De Geus 2008 (Het levensverhaal van de profeet Mohammed, circa 570-832).

 

Bhaktivedanta A. C. Swami Prabhupada, De Bhagavad-gita zoals ze is, deel I, Amsterdam 1981, tweede druk (De grote klassieken van India).

 

Dante Alighiery, De goddelijke komedie, vertaald, ingeleid en toegelicht door Frans van

 

Dooren, Ambo, Amsterdam 1987, vijfde, herziene druk 1998.

 

Kamp H.R. van de, Openbaring. Profetie vanaf Patmos, Kok, Kampen 2000

 

McDannell Colleen & Bernhard Lang, De hemel. Een aardse geschiedenis, vertaald door Léon Stapper (Heaven- a History), J.H. Gotmer, Haarlem 1991.

 

Roukema Riemer (red.), Het andere christendom. De gnosis en haar geestverwanten, Meinema Zoetermeer 2000.

 

Roukema Riemer, Gnosis en geloof in het vroege christendom. Een inleiding tot de gnostiek, Zoetermeer 1998.

 

Vögtle A., Das Neue Testament und die Zukunft des Kosmos, Düsseldorf 1970.

 

Waardenburg Jacques (red.), Islam. Norm, ideaal en werkelijkheid, Fibula, Houten, vijfde herziene en aangevulde druk 2000.

 

Wentsel B., De Heilige Geest, de Kerk en de laatste dingen. De genademiddelen, het gemenebest en het eschaton, Dogmatiek deel 4C, Kok, Kampen 1998.

 

Oefening: 47 | 48 | 49 | 50