Oefening: 40a | 40b | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46

 

Gesprekken II - Oefening 46 (974-994)

Welke taak heeft de overheid in dienst van de Schepper en Zijn bestel?

1. Gesprek over de overheid als gebed. (974)

 

974. Hebben, o HEER, mensen de overheid ingesteld?
Ik, uw Schepper en Koning, gaf u opdracht de aarde te beheren, te te bevolken en daarop orde te scheppen, Gen. 1:26-28; Openb. 4.
Ik gaf ouders zeggenschap over hun kinderen. Ex. 20:12; Ef. 6:1-3.
Ik droeg u op om de rechtsorde te handhaven en burgers te beschermen tegen misdaad en tirannie, Gen. 9:5-6; Num. 11:16-17; Rom. 13:1-7.
Ik stelde mijn Zoon aan tot Heer om Kerk en wereld te regeren door Woord en Geest, engelenmachten en overheden, Mat. 28:18-20;
Hand. 1-28; Ef. 1:15-22; Kol. 1:13-23; Hebr. 1:1-14; Openb. 5-22.

 

974.1. Droeg U overheden op criminelen te berechten?
Ja, Ik maakte deze tot mijn dienaren om goeden recht te doen en criminelen te bestraffen, Rom. 13:1-7; 1 Pe. 2:13-14.
Ik eis van overtreders terug wat zij beelddragers aandoen en vereffen door straf de geschonden gerechtigheid, Gen. 4:9-16; 9:5-6; Ex. 21:22-37; Deut. 27-29; Rom. 13:4.
Ik tuchtig de volken om hun slechtheid en maak een eind aan de trots van de hooghartigen en gewelddadigen, Jes. 13; Openb. 16; 17.

 

974.2. Kan de overheid ontaarden in een U lasterend tiranniek beest?
Ja, Ik kan overheden toestaan de wereldmacht te grijpen en heiligen te vervolgen en hen te beproeven, maar Ik zal mijn gerechtigheid doen zegevieren, Deut. 29-30; Richt. 2; 3:1-6; Openb. 13-19; 20:1-15.

 

974.3. Is er, Vader, voor criminelen een hoopvolle weg terug?
Zeker! Ik, Barmhartige, gaf Kaïn weer levenskansen, Gen. 4:15. Ik gaf mijn falende volk en misdadige volken gelegenheid tot berouw, herstel en opstanding tot gehoorzaamheid, Jes. 59; Neh. 9; Hand. 2-3.
Ik nam in het paradijs op de berouwvolle afperser Zacheüs en de moordenaar, die om ontferming smeekte, Luc. 19:1-10; 23:39-43.
Ik herschiep de vervolger Paulus tot volgeling-apostel als voorbeeld voor ieder die ontsporingen betreurt, Hand. 9:1-30; 1 Tim 1:15-17.
2. Waar en waartoe gaf de HEER ons de overheid? (975-976)

 

975. Waar en wanneer heeft, leraar, de HEER de overheid ingesteld?
Hij bevestigde in het verbond met Noach zijn opdracht aan de mens om heerschappij te voeren en gebood hem de misdaad te stuiten door vergelding van vergoten bloed, Gen. 1:28; 9:5-6; Rom. 13:1-6.
Hij gaf aarts- en stamvaders zeggenschap in eigen kring, Gen. 12-50.
Hij stelde leiders en richters, koningen en priesters aan en liet hen bijstaan door levieten, oudsten en ambtenaren, Ex. 2-3; Lev. 8; Num. 11:16-30; Joz. 1; Richt. 2-21; 1 Sam. 9-31 enz.
Hij gaf rechtsregels voor arbeidsverhoudingen en vergoeding van schade door moord en doodslag, Ex. 21-23.
Hij deed uit Davids geslacht voortkomen de Messias, Christus, vorst van vrede en recht, Ps. 89; Jes. 9:1-6; 11:1-9; Luc. 1:26-38.

 

976. Hoe regeert koning Jezus Christus ons na zijn hemelvaart?
Hij doet dit door Woord en Geest, door engelen en overheden, door Kerk en politieke partijen, door heils- en gerichtsdaden, Joh. 19:11; Mat. 28:18-20; Hand. 2-28; Openb. 5-21.
Hij eist rechtvaardigheid van overheden en gehoorzaamheid aan hen van burgers, Joh. 18:19-24; Hand. 23:1-5; Rom. 13:1-7; 1 Pe. 2:13.
Hij schenkt op het gebed aan overheid en volk godskennis, liefde en gerechtigheid, vrede en bereidheid tot hulp aan verdrukten, 1 Sam. 23:1-7; Ps. 72; 89; 97; 138;149; Jes. 9:1-6;11:1-9; 61:1-3; Luc. 4:16-30.

 

976.1. Is er een kloof tussen staatsburgerschap en christen-zijn?
Beslist niet! Jezus maakte onderscheid tussen onze plicht als burger en die als christen met zijn advies: “Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.”, Mat. 22:21b, maar bracht geen scheiding aan tussen geloof en politiek. Hij eist liefde tot God en de medemens over de hele linie, Mat. 22:34-40. De Heerser over alle samenlevingskringen, Openb. 11:15, gebiedt ons om alle volken onder zijn heerschappij te brengen, Mat. 28:18-20. Hij beperkt het geloof niet tot de privésector, maar roept ons op om zijn komst van de daken verkondigen en niet bang te zijn voor bedreigingen met de dood, Mat. 10:27-31. Er is geen bijbelse grond voor de mode van beperking van geloof tot de binnenkamer. Normaal is dat we in landbouw en economie, kunst en techniek, politiek en wetenschap de Koning op de troon, Schepper en Kunstenaar, dienen, Openb. 4; 5.

 

976.2. Welke taak geeft Christus aan christenen (= gezalfden)?
Hij stelt hen bij de doop in het ambt van profeet, priester en koning en zalft hen met zijn Geest, Hand. 2; 1 Petrus 2:4-5, 9-10; Openb. 5:9-10, Oef. 22, 30, 31; Heid. Cat. zondag 12.
Hij rust hen toe om als profeten getuigen van zijn Naam en overheden aan te vuren te regeren naar het patroon van barmhartigheid en gerechtigheid, Mat. 10; 21; Hand. 2; 1 Pe. 3:13-17.
Hij rust hen toe als priesters om voorbeden doen voor overheden om orde en recht en Hem in alles toegewijd te dienen, Mat. 6:1-18; 7:7-12; Luc. 22:39-53; Hand. 4:23-31; 1 Tim 2:1-7; Openb. 6:9-11; 8:1-5.
Hij rust hen toe als koningen om met Hem te strijden tegen onrecht en te regeren als burger in maatschappij en politiek, dorp en stad, Mat. 5-7; 5:13-16; 22:34-40; Ef. 6:10-20; 2 Tim. 2:11-12; Openb.17:14.
3. Wat leert Hij ons uit bijbel en verleden over Kerk en staat? (977)

 

977. Wat leert de HEER ons in het eerste verbond over volk en staat?
1e. Hij eist en verwacht van regeringsleiders dat zij Hem eren en liefde en gerechtigheid betrachten. Hij gaf leiders gelegenheid Hem te raadplegen via het borstschild van de hogepriester (= urim en tummim), Num. 27:21; 1 Sam. 26:8. Hij rustte koningen toe met gaven, 1 Sam. 9; 16. Hij eiste dat zij alle dagen in de Tora zouden studeren om naar al zijn bepalingen te handelen, Deut. 17:14-20. Hij riep hen door profeten tot de orde, als zij ontspoorden, 2 Sam. 11-12. Hij gaf na de koningen als bestuurders hofambtenaren zoals Nehemia, priesters zoals Ezra en familiehoofden en in de tweede eeuw v.C. de Makkabeeën voor herstel van de staat.
2e. Hij leert ons ook hoe ernstig Hij afval en afgoderij acht en wat de afschuwelijke gevolgen daarvan zijn. Hij eiste bij ongehoorzaamheid en opzettelijke afval de doodstraf van de enkeling en zelfs een hele stad, Deut. 13. Nu geldt deze maatregel niet meer; want Israël leefde in een bijzondere bedeling, een theocratie (= godsregering). Niettemin is de boodschap daarvan nog steeds geldig. Hij is verontwaardigd over afval en ontrouw en straft dit, Hebr. 4:1-7; 6:4-12; 10:26-31. Hij stelt het falen van volk en koning tot afschrikwekkend paradigma voor ons, Deut. 28-33; Ps. 78; 105-106; Joz. 7; Luc. 21; 1 Kor. 10:1-13.

 

977.1. Wat leert de HEER ons in het Nieuwe Testament hierover?
Jezus waarschuwde zijn volgelingen ervoor dat de mensen hen zouden uitleveren aan rechtbanken, die hen zouden geselen en doden, Mat. 10:17-33; vgl. Hand. 12. Hij hield hun ook de eis voor om de overheid te erkennen en belasting te betalen, Mat. 22:15-22; Luc. 20:20-26. Volgelingen hielden overheidspersonen profetisch Christus’ eis tot gerechtigheid voor, Hand. 2:14-40; 4:1-22; Rom. 13:1-7. Zij deden priesterlijk voorbede voor hen, Hand. 4:23-31; 1 Tim. 2:1-7. Zij voerden koninklijk de strijd om erkenning van God en zijn gerechtigheid, Mat. 6:33; Hand. 22:1-21; Openb. 6:9-11. Romeinse overheden boden vaak bescherming aan burgers, Hand. 23:23-35, maar bedreven ook gruwelijk onrecht zoals Pontius Pilatus, die Jezus overgaf aan zijn aanklagers, hoewel hij Hem onschuldig achtte, Mat. 27:11-26. De eerste christenen ervoeren dat, indien de macht niet in goede handen is, de antichrist zijn kans grijpt en er vervolgingen uitbreken zoals onder Nero in de eerste eeuw , Openb. 13.

 

977.2. Wat zijn enige algemene lessen uit de kerkgeschiedenis?
Er is voortdurend een spanningsveld tussen Kerk en staat. Nu eens vervolgde of overheerste de staat de Kerk (= caesaropapie), dan weer voerde de Kerk de macht over de staat (= clericalisme, clerocratie of pauselijke hegemonie). De kerkvader Eusebius beschreef in zijn Kerkgeschiedenis de verhouding van de Kerk tot de staat in de eerste vier eeuwen; de christenen vormden in deze eeuwen een verdrukte minderheid. Daar deze toestand in de slotfase van de laatste dagen zal terugkeren, is het zinvol daarvan kennis te nemen om ons voor te bereiden op wat wij kunnen meemaken.
4. Hoe was de verhouding Kerk/staat in het Romeinse rijk? (978-979)

 

978. Hoe behandelde de overheid van ± 30 tot 313 christenen?
Deze wijzigde haar tactiek meermalen en trad in de rijksdelen niet gelijk op. Zij beschouwde hen eerst als leden van een joodse sekte en nam daarom een tolerante houding aan. Soldaten begeleidden Paulus veilig naar Caesarea, toen veertig joden een aanslag smeedden, Hand. 23-27. Nero (54-69) doorbrak de tolerantie; hij werd ervan beschuldigd Rome in 64 in brand te hebben gestoken; hij maakte daarom christenen als ‘haters van het mensdom’ tot zondebok; hij liet hen gehuld in vachten door honden verscheuren, kruisigen en met pek ingesmeerd als fakkels bij hoffeesten branden als amusement. 1)

 

978.1. Wanneer vielen de meeste martelaren?
Volgens de overlevering vielen Petrus en Paulus als martelaren in Rome. Nero richtte ook een slachting aan onder de Romeinse adel; zijn leermeester Seneca moest zelfmoord plegen. 2) Zelf deed hij dit, toen zijn garde hem afviel. Van 50 tot 212 vervolgde de overheid christenen plaatselijk en tijdelijk. Keizer Domitianus (81-96) is berucht om zijn wrede optreden in Rome van 93 tot 96. Tijdens het vredige interim van 212 tot 250 stonden op de meeste plaatsen 3) christenen als hoge ambtenaren in aanzien; gemeenten kwamen in groot getal in bedehuizen samen, 4) Na 250 braken er hevige vervolgingen uit; van 301 tot 311 woedde er een uitroeiïngsoorlog; daarna vervolgden stadhouders hen in regio’s.

 

978.2. Waarom gingen de Romeinen over tot vervolgingen?
Het groeiend christendom ondergroef de Romeins-Griekse staat, die steunde op de veelgodenleer; religie botste op religie, de Kurios op Caesar. Keizers poogden christenen door marteling terug te brengen tot de aanbidding van de goden. Decius (249-251) liet christenen, als zij niet op afgodsaltaren wilden offeren, met hout stuk slaan, met rieten prikken, door de stad slepen, geselen en met ongebluste kalk overgieten; volharden zij in hun geloof, dan liet hij hen onthoofden, stenigen of verbranden. De godgeleerde en wijsgeer Origenes, wiens voeten tot het vierde gat (afstand) werden uitgerekt, bleef standvastig.5) Onder Diocletianus (284-305) bereikten de vervolging een schrikwekkend dieptepunt. Gunstig voor christenen was dat hij ter wille van de regeerbaarheid van het groeiende rijk Maximinianus in 286 tot tweede keizer over de westelijke rijkshelft benoemde, in 293 Galerius tot derde keizer in de oostelijke rijkshelft en de mildere Constantius in Brittannië en Gallië tot vierde.

 

979. Welke gruwelen vonden er plaats onder Diocletianus en Galerius?
Zij brandden kerken af en martelden christenen, vooral voorgangers, om hen te bewegen te offeren aan de afgoden; menigeen zwoer zijn geloof af, de meesten hielden stand. In de residentie Nikomedia hees men een zekere Petrus op, sloeg hem met gesels kapot en schoof zijn lichaam als vlees in het vuur maar hij weigerde Christus te verloochenen. Van de vervolgden renden sommigen in zee, anderen kwamen in de vlammen om.
Ook stuurde men in de arena wilde dieren op christenen af; soms weigerden deze dieren hen te verscheuren, stoven af op hun opdrachtgevers en smeten hen door de lucht zodat zij half dood werden opgeraapt terwijl martelaars ongedeerd bleven. 6) In Egypte folterde men duizenden, wierp hen in het vuur of in zee of kruisigde hen met het hoofd naar beneden om ze van honger te laten sterven. In Thebe reet men met scherven lichamen open, takelde hen aan een been hoog op of scheurden leden uit elkaar; niet enige dagen maar enige jaren met soms tien, twintig, dertig, zestig, honderd christenen op één dag. In Phrygie lieten soldaten een stad met christenen verbranden, omdat zij weigerden aan de afgoden te offeren.
5. Wat bereikte Constantijn voor de christenen? (980-982)

 

980. Wat bepaalde Constantijn (306-337) in het edict van Milaan, 313?
In 311 vaardigde Galerius in het oostelijk rijksdeel een tolerantie-edict uit. Hij erkende dat de staat niet bereikte dat ‘koppigen’ terugkeerden tot de oude goden; hij verleende hen clementie en gaf hun de kerkgebouwen terug. 7) Dit edict betekende nog niet het einde van vervolgingen. Galerius’ opvolger Maximinus interpreteerde dit besluit als verzachting daarvan. Hij liet christenen uit de mijnen terugkeren maar in Emisa in Fenicië werden drie christenen, onder welke een hoogbejaarde bisschop, als voedsel voor de wilde dieren geworpen. Soms leek het dat deze vervolging nog zwaarder was dan de vorige.8) In 313 kende Constantijn in het edict van Milaan met medekeizer Licinius in het Oosten aan de gemeenten in het hele rijk godsdienstvrijheid en juridisch rechtspersoonlijkheid toe.

 

981. Hoe behaalde Constantjn de overwinning op tegenstanders?
Hij versloeg zijn medekeizer Maxentius bij een brug over de Tiber (pons Milvius) ten noorden van Rome op 28 oktober 312. Volgens Lactantius kreeg hij in een droom opdracht op de schilden het kruisteken als Griekse letter Chi (= X) aan te brengen met daardoor heen een rechte lijn met omgebogen top, de Griekse R (= P), beginletters van: CHRistus; dit zou hem de overwinning bezorgd hebben. Volgens Eusebius kreeg hij voor de veldslag een visioen met een kruis en belofte: ’in dit teken zult u overwinnen!’ Hij won de slag.
Toen zijn zwager Licinius zich weer opwierp als behoeder van de oude godsdiensten, versloeg Constantijn hem in 324 in Thracië en bij Chalcedon. De tijd van vervolgingen was voorbij. Constantijn werd alleenheerser. Na hem trachtte Julianus Apostata (361-363) de Grieks-Romeinse goden zonder succes tot leven te brengen.

 

982. Waarin verschilt het constantijnse van het theodosiaanse tijdperk?
In het constantijnse tijdperk, 324-392, hadden aanbidders van Iupiter en van Christus gelijke rechten. Wel zag Constantijn in de ongedeelde Kerk het bindmiddel voor de eenheid en stabilisatie van de staat; hij riep daartoe het concilie van Nicea, 325, bijeen. Niet-christenen kregen in Europa behoudens uitzonderingen hun vrijheid pas terug in de achttiende eeuw. Want het christendom werd onder keizer Theodosius I (346-395) staatsgodsdienst. Hij werd in 392 alleenheerser, sloot tempels, verbood heidense riten en stelde de doodstraf in op terugval in het heidendom. Hij riep in 381 het concilie van Constantinopel bijeen dat de godheid van de Heilige Geest beleed en de besluiten van Nicea, 325, over Christus’ godheid bekrachtigde. Het credo van Nicea-Constantinopel werd per staatswet verplicht in Oost- en West-Europa, Oef. 33, 34.

 

Wilt u weten welke de bronnen zijn van deze gegevens? Raadpleeg dan de noten 1-8.
1. Tacitus vermeldt in zijn Jaarboeken, Annales, 15,44 dat Nero, om het gerucht dat hij zelf Rome in brand had laten aansteken de kop in te drukken, christenen als schuldigen naar voren schoof, omdat zij wegens misdaden gehaat waren. De tekst van deze passage evenals de brief van stadhouder C. Plinius aan keizer Trajanus over christenen vindt men o.a. in G.J.M. Bartelink, Het vroege christendom en de antieke cultuur, 1986, p. 150-152.

 

2. Over Nero en Seneca, zijn leermeester, verschijnen fantasierijke boeken. Deszö Koszolányi, Nero, de bloedige dichter (1924). Vert. Rogier van der Wal, van Gennep Amsterdam 2010. (Nero zou achtervolgd zijn door wroeging over de moord op zijn halfbroer Brittannicus en ontaard zijn in een moordmachine van 64-68). Anton van Hooff: Nero & Seneca. De despoot en de denker, Ambo, Amsterdam 2010 (Volgens hem hadden Burrus, de commandant van de keizerlijke garde, en Seneca als adviseur, Nero moeten remmen).

 

3. Volgens Bartelink was het christendom strijdig met de staatsgodsdienst maar - tot keizer Decius’ ingrijpen - afhankelijk van bewindvoerders in provincies. “In de eerste twee eeuwen waren de vervolgingen veelal plaatselijk en tijdelijk. Terwijl de tijd van 212 tot 250 vrijwel geheel een vredesperiode was, waren er tussen 250 en 311 enkele periodes waarin sprake was van een echte verdelgingsoorlog tegen het christendom.”, a.w. p. 152.

 

4. Voor het keizerlijk paleis in Nikomedia stond een groot kerkgebouw dat later verwoest werd. Eusebius van Caesarea, auteur van de eerste Kerkgeschiedenis, tekent in boek acht de bloei van de kerk in deze periode, maar stelt ook dat God wegens twist, ijdelheid, onverschilligheid en jaloersheid van de christenen zich daarna tegen de Kerk keerde, Fahner, Eusebius’ kerkgeschiedenis, 2003, 347-349.

 

5. Eusebius, Kerkgeschiedenis, 6,39-45, Fahner p. 287-300. Origenes overleefde de vervolging onder Decius maar stierf enkele jaren daarna waarschijnlijk aan de gevolgen, 69 jaar oud, F. Ledegang, Origenes. Een experimenteel theoloog uit de derde eeuw, Kok, Kampen 1995.

 

6. Eusebius gaf een, de meest meedogenloze voorstellingen tartende, beschrijving daarvan in Nikomedia, Egypte en Phrygië in Boek 8, Fahner, 345-378.

 

7. Eusebius behandelt in Boek 9 de verzachte vervolgingen onder Maximinus en de ellendige gevolgen daarvan, Fahner, p. 381-406.

 

8. Eusebius nam in boek 10 de dankrede van Paulinus op, bisschop van Tyrus, en de afschriften van keizerlijke besluiten op, waarin bepaald is dat iedereen vrijheid heeft om de godsdienst van zijn keuze aan te hangen; Fahner, a.w. 430-443.
6. Is er een staatsvorm die de HEER het meest behaagt? (983-985)

 

983. Wat is een de Ene, Ware dienende overheid?
Deze eert de Vader en de Zoon en handelt naar zijn beloften en geboden tot aller welzijn, Openb. 4-5. Zij luistert aandachtig naar een minderheid of meerderheid maar laat zich daardoor niet de wet voorschrijven. Zij laat zich evenmin manipuleren door groepsbelangen, stand, partij, ras, geld of bedrijf of om de zelfbeschikking van het volk (= demos) te verwezenlijken. De term democratie (= volksregering) is voor meerdere uitleg vatbaar; men gebruikt deze correct, als men bedoelt dat de lagen in het volk invloed mogen uitoefenen op de vorming van een regering door gekozen vertegenwoordigers; het krijgt een verkeerde invulling, als men eronder verstaat dat het volk mag uitmaken wat kwaad en goed is (= populisme; volkssoevereiniteit; klassejustitie; groepswillekeur). 9) Alleen Christus maakt aan slavernijen een einde, Gal. 4:6; Joh. 8:34-35; Hij doet door zijn Geest liefde en waarheid, vrijheid van pers en overtuiging, vrede en gerechtigheid pas goed bloeien. Daarvan profiteren synagoge, kerk en moskee, school en bedrijf, randgroepen en minderheden. Hij beschermt de Kerk tegen de valse democratie en tegen het woeden van de antichrist door dictators die zich vergoddelijken, NGB art. 36.

 

983.1.Waarborgt een overheid van christenen uitvoering van Gods wil?
Dit is niet altijd het geval. Er waren er die nationalistische en racistische politiek bedreven en dubieuze compromissen sloten. Volmaakte overheden bestaan er niet. Voor alles dient de toegewijde liefde voor God en het volk - band van volmaaktheid - dienaren te doortrekken, Kol. 3:14. Vrede en gerechtigheid voor allen behoren tot het patroon contra anarchie, dictatuur en geweld, 2 Sam. 23:1-7; Ps. 72; Jes. 9:1-6; 11:1-9; Luc. 1;31.

 

984. Waarom kan men godsdienst nooit uit het publieke leven bannen?
Er zijn liberalen die streven naar beperking van geloof tot het privéleven (privatisering), omdat publieke uitingen zouden leiden tot tweedracht en oorlog. Hiertegen gelden vier bezwaren.
1e. Het christendom heeft meer vrede en gerechtigheid gebracht dan oorlog en onrecht. Het is te betreuren dat christenen het evangelie brachten met wapengeweld en tegen moslims vochten, maar er was ook vaak sprake van noodzaak om zich te verdedigen. De kruistochten, op touw gezet tot het herwinnen van heilig geacht gebied, deden wegens bruut geweld afbreuk aan het christendom. Protestanten vochten tegen rooms-katholieken in de 16e/17e eeuw, maar daarna herstelden de verhoudingen zich.
2e. De HEER laat zich nooit buitensluiten buiten het publieke leven. Hij is één, voert heerschappij over alle levensterreinen en laat zich niet in een hoek dringen, Mat. 28:18-20; Hebr. 1:1-4, Oef. 1-3; 26.
3e. Hij vraagt van christenen eenheid van hart en handen, mond en daad, Deut. 6:4-9. Zij zijn niet te splitsen in een binnenkamer en publieke buitenkamer.
4e. Indien Hij uit het publieke leven wordt verdrongen, legt een alternatieve grootheid zoals Humaniteit beslag op de harten. Dan beijveren slechte geesten zich het vacuum te vullen en maken het nog erger, Mat. 12:22-45; Ef. 6:10-20. Ook de islam met zijn belijdenis van Allah als de Ene en Mohammed als zijn profeet kan de lege plaats innemen; moskee en staat vormen een eenheid evenals zijn binnenkamer en buitenkamer.

 

985. Brengt de goede tijding indirect oorlogen op gang?
Deze brengt vrede met God en de mensen, gaat als zwaard van Woord en Geest tegen onvrede en ongeloof in en drijft een wig in de harten, gezinnen en volken, Mat. 10:34-42. Een christensoldaat, die met zijn geestelijke wapenrusting mensen tracht te winnen, Ef. 6:10-20, roept vaak Satans tegenstand, vijandschap en (tegen)geweld op, Openb. 5-21.

 

985.1. Hoe verliep de kerstening onder Karel Martel en opvolgers?
Willibrord en Bonifacius trachtten van 690 af Friezen boven de rivieren te bereiken, maar koning Radboud verzette zich daartegen tot zijn dood in 719. Zij riepen de hulp in van de Frankische koning Martel, die de Saracenen in 732 bij Poitiers versloeg en daarmee de opmars van de islam stuitte.
Hij versloeg in 734 de Friese vorst Bubo en baande daarmee de weg voor de zending. In 754 vermoordden Friezen Bonifacius en medewerkers op gruwelijke wijze bij Dokkum; anderen - Liudger, Lebuïnus, Willehad - namen zijn plaats in. Toen in 780 de Saksen onder koning Widukind hun kerkgebouwen verwoestten (‘eerste ontkerstening’), greep Karel de Grote (742-814) in en versloeg hen bij Verden in Noord-Duitsland. 10) Hij zag als leerling van Augustinus als taak Gods Rijk te vestigen en de Kerk te beschermen.
7. Kunnen we geloof en overheid scheiden? (986-989)

 

986. Is er ergens ooit een neutrale staat en overheid?
Nergens; iedere overheid gaat uit van geloof en beginselen, waarden en normen. De Romeinse overheid steunde op de staatsreligie met Iupiter als hoofdgod en vele andere goden. Toen christenen deze valse religie ondermijnden, ging alles schuiven. Constantijn maakte in 324 een einde aan vervolgingen. Na hem vervingen keizers de heidense religie door het christelijk geloof. Dat duurde tot 1795 bij de vestiging van de Bataafse republiek. Deze grondlegger van onze democratie doorbrak terecht de alleenheerschappij van adel en regenten en ijverde voor een gekozen parlement en kiesrecht voor bijna iedereen. De schaduwzijde is echter dat zij als kind van de Verlichting de God van Abraham, Isaak en Jakob verving door een vaag Opperwezen. 11) Zij had er geen flauw vermoeden van dat deze vervlakte religie zou uitlopen op secularisme en oorlogen, ietsisme en wetten verachtend nietsisme.

 

986.1. Zijn communisme en humanisme surrogaat-religies?
Ja, het Russische communisme (1917-1991) zag godsdienst als sta-in-de-weg (‘opium’) voor een staat met gemeenschap van goederen. Het verving de HEER door collectiviteit en partij; de hemel door de heilsstaat; de hel door concentratiekampen voor dissidenten en het liefdegebod door de regel dat het doel de middelen heiligt, wat leidde tot moord op miljoenen. 12). Menige humanistische beweging propageert zelfbeschikking, rekt de vrijheid van aborteren op en pleit voor erkenning voor zelfdoding van zeventigjarigen en ouderen die hun leven voltooid vinden. Zij keert zich tegen de absolute vrijheid tot aborteren en zelfdoding op grond van de natuurwet, humaniteit en onderlinge afspraken: een zwakke basis tegen willekeur. Geen overheid kan zonder religie, normen en waarden.

 

987. Dient de overheid afstand te nemen van godsdienstige groepen?
Zij kan in gradaties afstand bewaren van kerken, synagogen, moskeeën en humanistische stromingen, maar is nooit neutraal en gaat altijd uit van een levensbeschouwing. Hier tekenen zich drie lijnen af.

 

987.1. Wat is de exclusieve lijn?
Op deze lijn steunt de overheid geen enkele religieuze, kerkelijke of humanistische beweging, omdat zij volstrekt onzijdig (laïkaal) wil zijn en vindt dat iedere beweging zichzelf moet bedruipen.
- Deze lijn geeft de genadeslag aan de christelijke, rooms-katholieke en islamitische en andere bijzondere scholen, organisaties voor ontwikkelingssamenwerking en de geestelijke verzorging in het leger, gevangenissen en in ziekenhuizen. Voorstanders van deze lijn doen aan de diversiteit tekort, ondermijnen de weerkracht van een volk en bevorderen de dictatuur van een bovendrijvende groep. Vele overheden doen dit dan ook niet consequent en rekenen op het aandeel van groepen met waarden, normen en activiteiten van sociale hulp. In het laïkale Frankrijk steunt de overheid het onderhoud van kathedralen.

 

987.2. Wat is de inclusieve lijn?
In deze lijn steunt de overheid levensbeschouwelijke groepen (‘zuilen’) en pastorale taken financiëel, maar bemoeit zich niet met de inhoud daarvan, al oefent zij wel toezicht op correct gebruik van subsidies. Dit is sinds de negentiende eeuw in Nederland een traditie, die recht doet aan de diversiteit van levensbeschouwingen. Het kostte strijd om dit te bereiken. De openbare school was eerst een christelijke school; toen de overheid deze ‘ontchristelijkte’, kwam de christenheid in verzet in de schoolstrijd voor gelijkberechtiging van alle groepen. Christenen bevochten deze op liberalen die ook thans veelal afwijzend staan tegenover subsidie van activiteiten vanuit een levensovertuiging.

 

987.3. Wat is de compenserende lijn?
Op deze lijn steunt de overheid levensbeschouwelijke groepen-met-achterstand voor hun publieke ontplooiing, zij het met toezicht op het nakomen van regels. 13) Deze steun gaat uit naar moskee en tempel, islamitische en hindoeïstische groepen. Hier stuiten we op kernvragen.
Hebben christendom, jodendom en humanisme in Nederland niet een historisch en rangordelijk primaat? Weet men wel wat men doet als men hen gelijkwaardig stelt met islam en hindoeïsme? Wettigt artikel één van de grondwet polygamie en kastenstelsel? Hoe kan het christendom, dat de bijbelse openbaring superieur acht boven de koran, de islam als gelijkwaardig erkennen? Hoe kan de islam, die zich superieur acht boven het christendom, dit als gelijkwaardig gaan zien?

 

988. Welke schokken kreeg de scheiding van Kerk en staat?
De grondwet van 1798 scheidde kerk en staat en kende geen bevoorrechte kerk, al voerde de overheid dit niet consequent door. De grondwet van 1848 verleende godsdienstvrijheid en gelijke bescherming aan alle kerkgenootschappen en achtte de belijder van iedere godsdienst bevoegd ambten te bekleden.14)
Een schok - deuk? - kreeg de scheiding van kerk en staat door de na 1870 ontstane en later gesubsidiëerde christelijke scholen en de door christenen beheerste kabinetten.
Een tweede schok liep deze op met de komst van ± twee miljoen allochtonen. Moslims verwachten dat de overheid kiest voor Allah, moskeebouw steunt en atheïsme afwijst. Het godsdienstministerie in Turkije Dianet benoemt de imams in Turkije, het buitenland en Nederland. Door dit alles veranderde de overheid van een quasi-neutrale in een zeer betrokken instantie bij de vrijheid van overtuiging (a. 6) en gelijkheid van alle vaderlanders (a. 1).

 

989. Ontbreekt er iets in artikel 1 van Grondrechten in de Grondwet?
Daarin is een heldere formulering nodig over laakbare bewegingen zoals: “ Stromingen, die democratie en geloofsvrijheid ondermijnen, hebben geen recht op gelijke behandeling.” De huidige bepalingen luiden. “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook is niet toegestaan.” “Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. “
8. Wat is christelijke tolerantie en de grens daarvan? (990-992)

 

990. Waarop grondt de HEER in de bijbel zijn tolerantie?
Hij grondt deze niet op zijn toegeeflijkheid aan bedrijvers van het kwaad; want de Ene en Heilige verfoeit het kwaad.
Hij grondt deze ook niet op onverschilligheid voor de waarheid of op een meervoud van heilswegen en aller zalig eind. Want Hij is de Betrouwbare en Rechtvaardige Rechter. Jezus presenteert zich als de enige route naar Hem. “Ik ben de Weg, de Waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij!”, Joh. 14:6.
Hij grondt zijn tolerantie op ‘ingehouden toorn’. Hij plaatste zijn geduld tussen zijn barmhartigheid enerzijds en zijn liefde/trouw anderzijds, Ex. 34:6. “Jahweh is een barmhartige en genadige God, geduldig, groot in liefde en trouw.”, Ex. 34:6b. “De liefde is geduldig of groothartig (makro-thumei).”, 1 Kor. 13:4a.

 

991. Waar trekt de Lankmoedige grenzen voor werkers van het kwaad?
In de gelijkenis over het goede zaad en het onkruid, Mat. 13:24-30, 36-43, zijn rechtvaardigen het goede zaad en Satans kinderen het kwade. De Lankmoedige wil niet dat wij voortijdig het kwade zaad uitrukken; want dan zouden we ook het goede zaad kunnen meenemen. Hij stelt de straf uit tot het eindgericht, als Hij de uitverkorenen heeft verzameld, de bozen bekeerd of zij gerijpt zijn voor de hel. Als bozen het te bar maken, gebruikt Hij geweld zoals bij de zondvloed en Farao’s ondergang of vuur en zwaard zoals bij de val van Samaria en Jeruzalem (2x) of bommen zoals bij de ondergang van nazi’s, HIEB I, 628-645.

 

992. Hoe geduldig dienen christenen/kerken tegenover elkaar te zijn?
De Kerk is één kudde van de Goede Herder, maar bestaat in groepen en families, Oef. 30-34. De schapen dienen elkaar als deelhebbers aan Gods verbond te zoeken en hun liefde voor elkaar te tonen als spiegel van het liefdeleven van de Vader en de Zoon, Joh. 17. Bij ieder streven naar eenheid is het nodig elkaar zachtmoedig te bejegenen om nieuwe partijschappen te voorkomen, 1 Kor. 1:10-17; Ef. 4:1-6. Bij openbare zonden waarschuwen leden overtreders met als uiterste tuchtmaatregel hun overgave aan Satan en mijding door de gemeente, Mat. 18:3-20; 1 Kor. 5. Liefde, vergeving en aanvaarding van elkaar zijn de basis van de eenheid in Christus, 1 Joh. 4:11; Rom. 15:7 (14:3); Kol. 3:13 (3:12-17).

 

992.1. Hoe tolerant dienen christenen te zijn voor andere religies?
Zij staan in voor het evangelie van het behoud door het geloof in Jezus Christus, Mat. 1:21; Joh. 3:14-21; Hand. 4:12; Rom. 10:5-13; 1 Joh. 2:20-23; 5:10-13. Zij verdragen andere religies en aanhangers omdat zij Gods goedheid en geduld willen weerspiegelen, Mat. 5:53-48. Zij zijn niet tolerant omdat zij alle religies min of meer gelijkwaardig achten aan het evangelie; zij doen niet mee met aan afgoden gewijde riten, 1 Kor. 19:14-22. :43-48. Zij trachten zoekers ervan te overtuigen dat zij de HEER pas goed kennen door Jezus Christus, Hand. 17:16-34. Zij streven ernaar in vrede met anderen te leven en zich niet te laten overwinnen door het kwade maar dit te overwinnen door het goede, Rom. 12:9-21; 13:10-14.
9. Mag de overheid doden? Is opstand geoorloofd? (993-994)

 

993. Na welke straf heeft de HEER de doodstraf ingesteld?
Dat deed Hij na de verdelging van de geweldzuchtige mensheid, Gen. 6-9. Hij zorgde voor leefbaarheid, nu gebleken was dat de mens tot alles in staat is. Als Eigenaar van het vernietigde leven eist Hij in ruil daarvoor evenredige vergelding. “Het bloed van hem die het bloed van de mens vergiet, zal door de mensen worden vergoten; want de mens is gemaakt naar Gods beeld.”, Gen. 9:6. Ook dieren die mensen doden moesten worden afgemaakt. Paulus verkondigt de vrees voor het zwaard van de overheid. “Want zij is Gods dienaar, wreekster tot toorn (ekdikos eis orgèn) voor hem die het kwade bedrijft.”, Rom. 13:4. Doodstraf is vergelding om recht te doen aan de overledene en familie, afschrikking en beperkte waarborg voor veiligheid. Calvijn achtte de doodstraf voor moordenaars Gods gebod. 15) In vele landen is deze afgeschaft, in Nederland is deze in 1870 uit het wetboek en in 1983 ook uit het militaire recht en oorlogsrecht geschrapt. In anderen landen – USA, China, Arabische landen - geldt deze nog steeds. Niet weinigen pleiten voor herinvoering van de doodstraf; zij achten het onrechtvaardig dat seriemoordenaars familie en vrienden levenslang verdriet bezorgen en na hun straftijd vrij komen met de kans dat zij hun wanpraktijken voortzetten. Een bezwaar tegen doodstraf is dat rechters vergissingen nooit meer ongedaan kunnen maken, celstraf wel.

 

994. Wanneer dient een volk ongehoorzaam te zijn aan de overheid?
Ouders en vroedvrouwen zetten Farao de voet dwars en wierpen hun jongens niet in de Nijl, Ex. 1:17-22; 2:1-10. De apostelen weigerden het Sanhedrin te gehoorzamen, omdat Gods wil voor hen zwaarder woog; zij trotseerden daarmee de dood, Hand. 4:19-21; 5:29; Mat. 10:28. Christenen in het Romeinse rijk weigerden om de keizer te vereren en namen geen deel aan de immorele feesten om christenen te identificeren, waarbij de keizer eens een als christen herkend succesvolle generaal om het leven liet brengen. Vele christenen herbergden van 1942-1945 moedig joden met levensgevaar; huivering wekt dat anderen uit angst voor straf bij sabotage hen als politieagent naar treinen voerden en meewerkten aan hun ondergang in doodsfabrieken. We mogen Romeinen 13 niet misbruiken om lijdelijk te blijven onder onrecht en tirannie, 16) maar wat doen we, als God de overheid als godslasterlijk beest toestemming geeft heiligen te overwinnen?, Openb. 13:8-10. Hij neemt martelaars op in heerlijkheid, maar pijnigt eens hun vijanden, Openb. 14. Christenen dienen zich te trainen in standvastigheid voor tijden van beproeving, Openb. 13:10.

 

Wie de noten 9- 16 leest, stuit op de vindplaatsen van de boven behandelde stof.
9. Gideon Strauss, president van het in Washington gevestigde Center for Public Jusstice (CPJ) stelt dat de Amerikaanse regering te zeer in het teken staat van verwezenlijking van de zelfbeschikking van het volk en de meerderheid bepaalt wat publieke gerechtigheid is. Politieke partijen in de USA zijn instrumenten om verkiezingen te winnen. Hij acht de leer van de algemene genade (common grace) en soevereiniteit in eigen kring, antithese en het sociale denken van Abraham Kuyper het meest relevant voor het CPJ, ND 12-4-2010, p. 16. Men kan de democratie verafgoden. In Indonesië zijn vijf zuilen (Panca Sila), grondslag evenals Eenheid in de verscheidenheid (Bineke Tunggal Ika), maar zij blijken niet afdoende om het verwoesten van kerken tegen te gaan.

 

10. Karel de Grote steunde de zending met wapenen, H. Veldman, Licht en schaduw in de lage landen, 1993, 11-41. De slag bij Verden aan de Aller is berucht omdat vijfenveertighonderd gevangenen genomen Saksen zouden zijn afgeslacht door Karels troepen. Volgens Rudolph Wahl heeft Karels kroniekschrijver Einhard een fout gemaakt door in plaats van ‘decolavit’(= hij verplaatste) het woord ‘decollavit’ (= hij onthoofde) te noteren, a.w. p. 21. Karels imperialisme is deels vermenging van Staat en Kerk, deels onderwerping van de Kerk aan de Staat.
De middeleeuwse christenheid beschouwde de islam als bedreiging, die slechts met wapengeweld kon worden tegengehouden. Volgens Bernardus begingen kruisvaders, die moslims doodden, geen misdaad, maar brachten glorie aan God; dtierf een soldaat, dan was de hemelse glorie voor hem verzekerd, Tractatus de Nova Militia, Petr. Lat 182, 921-931, G. Basetti-Sani, Concilium 4e jrg. 19, 1968, p. 17, vgl. 11-26.

 

11. A.Th. van Deursen, De Bataafse revolutie (1795-1995),Apeldoorn 1995. Koning Willem I aanvaardde in 1813 de Bataafse erfenis, die een einde maakte aan de heerschappij van baronnen en regenten. Wie voorheen carrière wilde maken moest zich aangenaam te maken bij het hof. Het parlement koos Pieter Paulus tot leider, verdediger van het beginsel van gelijkheid. De overheid verbood het dragen van oranje op 4 maart 1795 op straffe van geseling, insluiting en verbanning. In 1795 werd een ontwikkeling ingezet die leidde tot de huidige parlementaire democratie.

 

12. Andrea Riccardi beschreef in De eeuw van de martelaren, 2002, de holocaust van christenen in de Sowje-Unie van 1917 tot 1991, In 1937 verordende Stalin de moord op alle religieuzen in gevangenissen en kampen. Tusen 1917 en 1980 werden ongeveer 200.000 Russische geestelijken ter dood veroordeeld. Een half tot één miljoen christenen werden gedood, p. 33

 

13. Dit model kreeg de naam van ‘vercohennisering’ van de relatie van staat, synagoge, kerk, moskee en tempel, afgeleid van Job Cohen, burgemeester van Amsterdam die pionierde in inventieve interventies tussen staat, kerk en moskee in partnerschappen, Herman Veenhof, Tussen ambtsgebed en hoofddoek, ND 25 -4-2009. Veenhof: “Moslims en christenen mogen wel meedoen, maar Koran en sharia, Bijbel en tien geboden, moeten worden thuisgelaten als men wil aanschuiven aan de tafel van Cohen. Zo wordt de eenheid van het land alleen schijnbaar hersteld. Het is religieus inclusief meepraten op basis van ethische zwijgplicht, dat is de echte erfenis van Paars.”, a.a.

 

14. Jack M. De Vos, Geschiedenis van ons vaderland, 1915, veertiende, herziene druk, p. 246-248.

 

15. Calvijn gaf als commentaar bij Romeinen 15:4: “Daarom strijden zij tegen God die menen, dat het ongeoorloofd is het bloed van misdadige lieden te vergieten.”, D.J. de Groot, Uitlegging van de zendbrief van Paulus aan de Romeinen, 1950, p. 401. Van Bruggen acht het niet aannemelijk dat Paulus hier bewust onderscheidt tussen wettig gezag en feitelijke macht en ervan overtuigd is dat de HEER machthebbers macht verleent en ontneemt, Romeinen, 2006, p. 196-197.

 

16. Romeinen 13 staat met aanwijzigen voor de overheid om kwaden te bestraffen en goeden te belonen in het kader van de heiliging. Christenen hebben de plicht onrechtvaardigheid in het staatsapparaat aan de kaak te stellen en een bijdrage te leveren aan aller welzijn, maar zij ontbeerden toentertijd nog democratische instellingen. Vgl. H. Baarlink, Romeinen II, 1989, p. 92 v.

 

Wilt u zich verdiepen in zaken over de overheid? Lees dan de volgende boeken.
Abma Hans, Gerechtigheid zonder beul: over doodstraf, recht op leven en christelijk geloof, Baarn 1997.

 

Achterhuis Hans, Met alle geweld – een filosofische zoektocht, 2008. (Een pasklaar antwoord of geweld geoorloofd is, is volgens hem niet te geven.).

 

Bemmelen J.H. van, Auschwitz en de doodsstraf, in: Ybo Buruma (red.), 100 jaar strafrecht, Un. Press, Amsterdam 1999, 135-144. (Hij is tegen doodstraf, ook van oorlogsmisdadigers).

 

Bruggen Jakob van, Romeinen. Christenen tussen stad en synagoge, Kok, Kampen 2006.

 

Fahner Chris, Eusebius’ Kerkgeschiedenis, vertaald en van aantekeningen voorzien, Boekencentrum , Zoetermeer 2000. (Verplichte stof over de eerste eeuwen.)

 

Cliteur P.B., P.A. van Gennip, L. Laeyendekker (red.), Burgerschap, levensbeschouwing en criminaliteit. Humanistische, katholieke en protestantse visies op de kwaliteit van de huidige samenleving, Amersfoort/Leuven 1991.

 

Heide G.J. van der, Christendom en politiek in de tijd van keizer Constantijn de Grote, Kampen 1979.

 

Kamsteeg Aad, Een Amerikaanse regering wikt, de burger beschikt, ND 17-4-2010. p. 16.

 

Kruijf G.G. de, Waakzaam en nuchter. Over christelijke ethiek in een democratie, Baarn 1994.

 

Kuiper Roel e.a., Tolereren of bekeren. Naar een christelijke visie op verdraagzaamheid, Zoetermeer 2002.

 

Mandela Nelson, Long walk to freedom, London 1994. (Zijn ontwikkeling tot vrijheidsstrijder, gevangenisjaren op Robbeneiland en streven naar gesprek met het blanke apartheidsregiem.)

 

Meyering Eginhard, Geschiedenis van het vroege Christendom. Van de jood Jezus van Nazareth tot de Romeinse keizer Constantijn, Balans 2004, Amsterdam.

 

Veenhof Herman, Tussen ambtsgebed en hoofddoek, ND 25 april 2009, ZOZ p. 1.

 

Vereniging van Nederlandse gemeenten, Religie en publiek domein, 2009.

 

Velde Henk te, Van regentenmentaliteit tot populisme. Politieke tradities in Nederland, Bert Bakker, Amsterdam 2010.

 

Zwaag K. van der, Onverkort of gekortwiekt? Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de spanning tussen overheid en religie. Een systematisch-historische interpretatie van een ómstreden’geloofsartikel, Heerenveen 1999.

 

Oefening: 40a | 40b | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46