Oefening: 40a | 40b | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46

 

Gesprekken II - Oefening 44 (932-952)

Hoe eren wij, ontzagwekkende, Uw naam in een afgodische cultuur?

(Eerste wetstafel)

 

1. Gesprek als gebed. (932-935)

 

932. HEER, hoe bevestigen we dat U de Enige bent?
Laat aan ieder blijken dat u Mij liefhebt met heel uw hart, heel uw ziel en al uw krachten, Deut. 6:4-9; Mat. 22:37.
Kom uit voor Mij, buig het recht niet en zie Mij, niet de meerderheid naar de ogen, Ex. 23:1-3; Ps. 37; 145; Mat. 10:16-42; 27:27-44.

 

932.1. Hoe komt het dat afgoden zo’n zuigkracht uitoefenen?
Ik ben onzichtbaar en openbaar mij door mijn werken, Woord en Geest; u aanbidt graag zichtbare beelden, Ex. 32; Joh. 4:22-26.
Velen raken bedwelmd door aanzien, geld en genot, Luc. 12:13-21.
Anderen komen in de greep van politieke of godsdienstige machten of de heersende wetenschap, Ps. 115; 1 Kon. 17-21; Mat. 23.
De meesten wordt betoverd door Satan en de demonen, 2 Kron. 33; Jes. 57:12-15; Luc. 11:14-26; Gal. 5:19-20; Ef. 5:1-20; 6:10-20.

 

932.2. Hoe weerstaan wij, o Vader, deze zuigkracht?
Heb de hebzuchtige wereld niet lief; als u daarmee bevriend raakt, woon Ik niet in u maar ben uw vijand, 1 Joh. 2:15-17; Jak. 4:4-10.
Roep Mij aan, wees stil voor Mij, eerbiedig Mij en vertrouw op Mij; Ik laat u niet in de steek, Ps. 37; Mat. 4:1-10; Joh. 5:19-47.
Ik houd u staande, als u wordt bedreigd en alleen staat, Deut. 6:13-15; Spr. 3:1-12; Jes. 41:8-16; Luc. 22:43; Hand. 27:21-27.
U kunt op tegen leugenprofeten; Ik ben sterker dan zij, 1 Joh. 4:4-6.
Ik maak u zo sterk dat u niemand en niets vreest, ook de dood niet, en voor geen machten buigt, Ps. 27; 37; 91; Mat. 10:19-33.

 

933. Hoe komt het, HEER, dat wij U omvormen naar eigen ideeën?
Uw verstand is verduisterd, uw hart bedorven en uw wil is dwars.
U verdringt Mij daardoor en maakt van Mij karikaturen.
Ik ben anders dan u wenst; u ergert zich eraan dat Ik ben zoals Ik ben en vervormt het evangelie naar uw smaak, 1 Kor. 1:18-2:16.
Velen verdragen de gezonde leer niet meer en verzamelen leraren om zich heen die de oren strelen, 2 Tim. 4:3-4.

 

933.1. Waaruit blijken die ergernis en willekeur?
Velen vinden Mij te streng en hardvochtig, omdat Ik van mijn volk duizenden liet omkomen in de woestijn, Num. 13-14; 2 Kor. 10:5, en miljoenen verdoem, Mat. 13:36-43; Openb. 21:27; 22:15.
Anderen vinden Mij te barmhartig, omdat zij in het paradijs ook ex-criminelen, die berouw tonen, ontmoeten zullen, Luc. 23:36-43.
Derden misvormen mijn openbaring zoals zij die Jezus Christus niet als mijn Zoon erkennen en beweren dat de Kerk Hem heeft opgehemeld en twintig eeuwen heeft gedwaald!

 

934. Hoe maakt U uw Naam tot kracht in een god-loze cultuur?
Ik handhaaf zelf mijn Naam onder hen die Mij belijden en onder hen die Mij de rug toekeren, Joh. 3:18-21; Rom. 1:18-32; 2; 3:1-29.
U, christenen, bent brieven van mijn Zoon Jezus Christus, geschreven door mijn Geest en voor ieder leesbaar, 2 Kor. 3.
Ik maak u in mijn tweevoudige triomftocht tot levenwekkend aroma voor hen die behouden worden en tot dodelijke walm ten oordeel voor wie Ik lucht ben, Joh. 3:18-21; 5:27-28; 2 Kor. 2:14-16.

 

935. Hoe volgen wij, Vader, Uw voorbeeld in het vierde gebod?
Ik regel ritme van arbeid, rust en heiliging als de grondslag voor een gezonde maatschappij, Ex. 20:8-11; Deut. 5:12-15.
Wijd u Mij toe, verricht trouw uw werk, wordt geen werkslaaf en maak tijd voor ontspanning, Ex. 23:12.
Door op de zondag op adem te komen en Mij met de gemeente te ontmoeten, krijgt u energie voor de werkweek, Hand. 20:7-12.

 

935.1. Bent U op bijzondere wijze aanwezig in erediensten?
Als u met twee of drie of meer bijeen bent in Mijn Naam, ben Ik in uw midden aanwezig, Mat. 18:20.
Ik zegen u, als u Mij eert in huizen en kerken, het heil viert in Woord en sacrament en elkaar opbouwt, Hand. 2:42-47.
Ik schep vreugde in u, als u Mij als Vader en mijn Zoon als het Lam door mijn Geest bejubelt, Ps. 103; Ef. 5:19-20; Openb. 4 en 5.
2. Waarom presenteert de HEER zich als onze Bevrijder? (936)

 

936. Hoe beginnen, leraar, de Tien Geboden en wat betekent dit?
“Ik ben de HEER, uw God, die u uit het land Egypte uitgeleid heb, het huis van de slavernij.” Ex. 20:2. Ik ben Hij-Is-Er-Bij, Jahweh, de naam waarmee Ik u door Mozes vertrouwd maakte.
Ik heb als uw Bevrijder recht op uw dank, gehoorzaamheid en toewijding, Ex. 12:24-28; 24; Deut. 7:1-8.
Ik leg u als uw Wetgever verplichtingen op in verbondsoorkonden, Deut. 4-9.

 

936.1. Is heel Israëls levenspatroon gegrond op hun Bevrijder?
Ja, daarom mogen zij geen andere goden naast Hem of in zijn plaats dienen 1) en geen kinderen uithuwelijken aan dienaars van afgoden, Deut. 7. Wie aan de afgoden offerde moest gewijd worden aan de vernietiging: enkeling en groep, Ex. 22:19; Deut. 13:1-19. “Wees heilig, want Ik, de HEER, uw God, ben heilig. Ieder van u moet eerbied hebben voor zijn moeder en vader en mijn sabbatdagen onderhouden. Laat u niet in met afgoden en maak geen metalen beelden. Ik ben de HEER, uw God.”, Lev. 19:2b-4, Oef. 1,2.

 

936.2. Hoe toonde, leraar, de HEER zich bevrijder in onze tijd?
Hij bevrijdde miljoenen van nazitirannie (1933-1945), koloniale overheersing en het Hem vijandige communisme (1917-1991). Hij liet het ijzeren gordijn tussen Oost- en West-Europa vallen. Hij beëindigde de koude oorlog en angst voor wereldoorlog-III met atoomraketten (1948-1989). Hij deed dit alles door zijn Zoon, die zijn volk verloste van Satans tirannie en daarmee de grondslag legde voor zijn Koninkrijk van vrede en gerechtigheid. Hij bewaart zijn volk tijdens de massale afval, Mat. 24:3-14; 1 Kor. 10:1-12.

 

936.3. Legt, leraar, onze Bevrijder een claim op ons?
Ja, Hij eist dat wij ons aan Hem ter beschikking stellen. Hij reinigt, heiligt en rechtvaardigt ons en roept ons tot ommekeer, 1 Kor. 6:9-11. Op grond van Zijn ontferming over ons mogen wij ons als levende, heilige, Hem welgevallige offers aan Hem wijden, Rom. 12-13. Hij geeft afgodendienaars, uitbuiters en moordenaars geen deel aan zijn Koninkrijk. Satan legt beslag op mensen; er bestaat geen neutraliteit, Ef. 6:10-20. Pas in het vrederijk zal niemand de oorlog meer leren, Jes. 2:1-4; Openb. 21-22, Oef. 35-39.
3. Hoe deelt u de tien geboden in? Zijn zij ingeschapen? (937-938)

 

937. Hoeveel geboden stonden er op één tafel?
Mozes daalde van de berg af met in zijn hand twee verbondsplaten, door God beschreven aan de achter- en voorkant, Ex. 32:15-16. Toen hij het stierkalf waarnam, smeet hij de platen razend aan stukken en wierp het kalf in het vuur, Ex. 32:19; Deut. 5:13-21. Hij moest opnieuw twee stenen platen houwen; de HEER grifte daarin opnieuw de tien geboden, Ex. 34:28; Deut. 4:13; 10:4. Stonden er vijf geboden op iedere tafel van de dekaloog (deka = tien; logos = woord) ? Maar Paulus noemt het vijfde gebod het eerste met belofte, Ef. 6:2 (bij het tweede staat er ook een, Ex. 20:6). Dan stonden er op de eerste tafel vier (drie) en op de tweede tafel zes (zeven) geboden in analogie met de liefde tot God en de naaste, Mat. 22:34-40.

 

937.1. Hoe delen we de tien geboden in?
Joden zien de zelfpresentatie in Exodus 20:2 (‘Ik ben de HEER, uw God’) als eerste gebod en 20:3-6 als tweede; wie de HEER dient, houdt er geen andere goden of beelden op na.2) De oude, grieks-katholieke en gereformeerde kerk lazen met Philo en Jozefus 20:3 als eerste gebod en 20:4-6 als het tweede. De rooms-katholieke en lutherse kerk lezen 20:3 tot 6 als het eerste gebod en splitsten 20:17 in negen en tien; hiervoor is geen grond in de tekst.3) Verschil in nummering is lastig; de lezer moet er steeds op letten welk gebod men bedoelt; uniformering is nodig. 4)

 

938. Wortelen de tien geboden in mens en ‘natuurwet’?
Ja, zij komen overeen met wat goed is voor beelddragers. Veelgodendom en beeldendienst, polygamie en prostitutie zijn tegennatuurlijk, Gen. 2:15-22; Jes. 40:16-20; Rom. 1:18-32. Prostitutie gaat vaak gepaard met bedreigingen, geweld, angst, afhankelijkheid, onvrijwilligheid en uitbuiting. Christus ging in tegen wan-toestanden, Mat. 23. De Her-Schepper her-stelde wan-beelden tot zijn tempels, 2 Kor. 3. Hij vervulde de Tora, Mat. 5:12-20, en deed Satans werken teniet, 1 Joh. 3:1-10, opdat wij ons zouden houden aan regels, Ps. 119; Rom. 12:13-14.
4. Wie is de Ware? Zijn andere goden gelijk aan afgoden? (939-942)

 

939. Is de HEER de Ene zonder anderen of de Ene onder anderen?
Gangbaar is het onderscheid tussen geloof in de Exclusief Ene die andere goden uitsluit (= monotheïsme) èn in de Betrekkelijk Ene die van zijn volk aanbidding vraagt zonder het bestaan van andere goden uit te sluiten (= heno-theïsme of monolatrie). 5) De mening dat er andere goden echt zouden bestaan is uit de lucht gegrepen. Waan en waarheid vallen niet samen. Jefta’s gezanten, gezonden om vrede met Ammonieten te sluiten, erkenden dat god Kemos (Milkom?) hun dit land in bezit gegeven had zoals Jahweh aan Israël Kanaän, Richt. 11:24, in de waan dat ieder volk een landsgod heeft, 1 Sam. 26:19-20; 1 Kon. 11:33. Achab vermengde de dienst aan de waan-god van Sidon met die van de Ware, 1 Kon. 16:30-34 (syncretisme).

 

940. Wat is het verschil tussen een lands- of groepsgod en de Ware?
Een groepsgod is een bedenksel (= projectie) en vaak mengsel van nationale trots, staatscultus met priesters en volksmythen onder invloed van demonen. In de Chinese cultuur verhief men ook keizers en grote generaals tot halfgoden. Waar is het dat politiek-religieuse machten als (af)goden beslag leggen op volken, waan is het dat er godheden leven en werken. Ook in een digitale samenleving steken mengsels van eigen beelden de kop op. Het veelgodendom denkt dat één God niet bij machte is het complex van krachten te regeren en Weergoden, magische Krachten, Toeval en Noodlot een rol spelen. Alleen de HEER is God, de Onvergelijkelijke die geduchte machten in een oogwenk tot as maakt, Am. 4:13; 9:15; Jes. 40:21-31 Jesaja spot met door smeden en timmerlui gefabriceerde beelden, die als goden vereerd worden, Jes. 40:18-26; 44:9-20; Ps. 115.

 

940.1. Hoe oordeelde de apostel Paulus over de afgodendienst?
Hij erkende de zuigkracht van de cultus van Griekse en Romeinse goden, zelfs op de vleesmarkt, Rom. 14:1-12; 1 Kor. 8, maar beleed de Ene zonder anderen en niet de Ene onder anderen. “Want ook al zijn er zogenaamde goden, hetzij in de hemel, hetzij op aarde – en in deze zin zijn er vele goden en godheden – toch is er voor ons maar één God: de Vader, uit wie alles voortkomt en voor wie wij bestemd zijn, en één Kurios, Jezus Christus, door wie er alles is en door wie wij leven.”, 1 Kor. 8:5-6. De goden van het hindoeïsme met meer dan miljard aanhangers bestaan niet; vele herderloze schapen, Zach. 10:2, zitten in de greep van magiërs en toverboeken, Hand. 19:19.

 

941. Wat betekent: ‘U zult geen andere goden naast Mij hebben.’?
‘Stel niets en niemand als gelijkwaardig naast Mij. Erken Mij, heb Mij lief, vertrouw op Mij en eerbiedig Mij en mjn Woord!, Deut. 6:4-9; Mat. 22:27; Ps. 115. ‘Verwacht alles van Mij en geloof dat Ik sterker ben dan alle u tegenwerkende machten!’, Deut. 19:12-20; Jes. 43; 46; Rom. 8:31-39, HC. Zo. 34, vr. en antw. 94-95.

 

941.1. Is de HEER de enige Redder?
Ja, er is geen ander dan Hij voor Jood en Griek, moslim en hindoe. Hij is uniek en exclusief. 6) “Eerder dan Ik werd er geen god gevormd, en ook na Mij zal er geen zijn. Ik, Ik alleen ben Jahweh en buiten Mij is er geen Redder.”, Jes. 43:10c en 11. Hij heeft zich geopenbaard niet in boedda’s maar in Zijn Zoon, de Goede Herder, de Deur naar de schaapskooi, de Weg, de Waarheid en het leven, Joh. 10:2-18; 14:6. “Wie de Zoon niet erkent, erkent ook de Vader niet die Hem gezonden heeft.”, Joh. 5:23. Niemand anders redt ons naar Gods plan van zijn gericht. “Door niemand anders komt de redding; want er is onder de hemel geen andere naam aan mensen gegeven waardoor wij moeten behouden worden.”, Hand. 4:12. Ieder moet luisteren naar de profeet Jezus op straffe van zijn ondergang, Hand. 3:22-26; Deut. 18:13-22.

 

941.2. Welke concurrenten kunnen ons bij Hem vandaan trekken?
Ouders kunnen hun kinderen bij Hem vandaan trekken en kinderen ouders. Sporthelden en publieke opinie, carrière(jacht) en roem, geld en goed, wetenschap en staat kunnen ons in beslag nemen. Eigen ik of groepsik, zaak of ideaal, erotiek en genot kunnen we zo uitvergroten dat zij Hem verdringen. Luther plaatste bij elk gebod het eerste voorop: “Wij moeten God vrezen en liefhebben. . en daarom Hem aanroepen en zijn Woord horen enz.” 7)

 

942. Is Allah identiek met de Vader van Jezus Christus?
Op Malta, in Indonesië - de staat met verhoudingsgewijze de meeste moslims - en andere streken noemen christenen Jezus’ Vader ook Allah; ook in de Indonesische bijbel – alkitab - heet Hij soms zo. Er zijn moslims die hiertegen ernstige bezwaren koesteren, omdat zij vrezen dat dan met de titel ook het bijbelse profiel wordt meegenomen. De in de koran getekende Allah is niet dezelfde als de in de bijbel beleden Vader, Zoon en Heilige Geest. Wat doen we dan met alwetendheid en almacht, die elkaar in beide boeken schijnen te overlappen als segmenten van twee ongelijke cirkels? 8)
Niemand mag onderschatten de breuk bij ommekeer van de ene naar de andere religie, al herkent de bekeerde fragmenten van zijn eerste religie in de tweede. Dat geldt ook van het verschil tussen talmoedische joden en christenen. Wie in de Zoon gelooft, leidt Hij binnen in een wereld met andere geloofsinhouden en normen, Joh. 17; Mat. 5-7, Oef. 1, 2, 14.
5. Wat is beeldendienst in onze cultuur? (943-947)

 

943. Hoe luidt het tweede gebod?
“Maak geen godenbeelden (pèsèl), of enige afbeelding (temoenah) van iets dat in de hemel hierboven is of van iets beneden op de aarde of in de wateren onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet, vereer ze niet. Want Ik de HEER, uw God, ben een jaloerse God, El Qana’! Ik bezoek de overtreding van voorouders aan hun kinderen, aan het derde en vierde geslacht van die Mij haten, maar betoon duurzame liefde, chèsèd, aan hen die Mij liefhebben en mijn geboden nakomen, tot het duizendste geslacht.”, Ex. 20:4-7.

 

944. Wat hield dit gebod van de Jaloerse in voor oud-Israël?
Hij verbood hen Hem te dienen in de vorm van vogels, stieren en vissen zoals heidenen hun lucht-, land- en watergoden vereerden. Het mocht wel afbeeldingen als kunstvoorwerpen maken, maar die niet vereren, ook niet de cherubs op de ark, Ex. 25:18, en koperen slang, Num. 21:8. Jerobeam liet in 933 v. C. te Dan en Bethel een gouden stierenbeeld oprichten, 1 Kon. 12:25-32. Hij stuurde daarom een godsman om de ondergang hiervan aan te kondigen, 1 Kon. 13. Hij liet in 722 Samaria verwoesten en het volk deporteren naar Assyrië; zij vervielen tot niets, omdat ze nietigheden naliepen, 2 Kon.17. Heidenen vestigden zich in hun plaats, 1 Kon. 18. Vromen en heidenen vermengden zich in het Galilea der heidenen (= syncretisme), waar Jezus predikte, Mat. 4:12-17; vgl. Jes. 8:23-9:1.

 

945. Wat is beeldendienst in onze tijd en cultuur?
Beeldendienaars waaien als weerhanen met alle spirituele winden mee. Wie zich aan de Verlichting aanpast, maakt de HEER tot Rede-god en zijn Zoon tot de leraar of profeet van de vooruitgang. In de nazitijd (1923-45) minachtten velen de God van het OT als jodengod en zuiverden het NT. 9) In en na de eerste en tweede wereldoorlog gaf menigeen zich gewonnen aan de leer van de lijdende, sommigen zelfs van de overleden of dode God. 10) Men maakte zich los van God en de Kerk en stelde zichzelf tot wet (= autonomie). Deze stroom sleurde velen mee in geloofsafval, zodat in de 20/21ste eeuw duizenden kerken werden afgebroken. De alverzoeningsleer kreeg velen, ook predikanten, in zijn greep. Wie deze bestrijdt, staat vaak alleen met zijn geloof in de exclusieve redding van uitverkorenen en uitwijzing van afvalligen naar de vuurpoel, Oef. 49. Ambtsdragers dienen tegen verval en verloedering op de bazuin te blazen, Jer. 4:5; 6:1; 51:27; 2 Tim. 3-4.

 

946. Moeten wij, leraar, eigentijds en vooruitstrevend zijn?
Wij hebben de opdracht om de cultuur onder Gods leiding en in afhankelijkheid van Hem en dus met beperkingen te ontwikkelen, Gen.1:26-28; Ps. 8. Jezus vuurde volgelingen aan om goede werken te doen, Mat. 5:16. Hij bad de Vader niet of Hij hen weg wilde nemen uit deze wereld, maar behoeden voor het kwaad, Joh. 17:15. Hij wil dat zij hun gedrag niet afstemmen op de wereld maar een betere gezindheid na te jagen, Rom. 12:1-2. De wereldgelijkvormige past zich aan de verkilling en vergroving aan. Christenen houden niet krampachtig vast aan al het oude, maar streven naar al wat waar en edel, rechtvaardig en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, deugdelijk en loffelijk is, Fil. 3:7.

 

947. Gelden bedreiging en zegen ook Kerk en mensheid?
Ja, de Kerk, die trouw blijft aan de HEER, krijgt zegen in vrome geslachten; wordt zij ontrouw, dan volgen er ontbinding, afbraak en geloofsafval in de generaties. De gelovige is geen los individu maar lid van een gemeenschap en deelnemer aan het verbond. Ieder mens is verantwoordelijk voor eigen doen en laten maar ook voor gezin en familie, kerk en volk, Ez. 11; 18; 22; 33; Openb. 2-3, Oef. 17.

 

Wilt u meer weten over het eerste, tweede gebod, raadplege dan de noten 1-10
1. W.H. Gispen (1900-1986) gaf een korte verklaring van Exodus in twee delen, Exodus II, KV,1939, 58-74. C. Houtman (geb. 1945) gaf in drie delen een uitvoerige, grondige verklaring van dit boek, Exodus deel III (COT), 1996, 15-27.

 

2. Er zijn onder joden nogal wat verschillen hierover. Er bestond een systeem van indeling in verzen en een in geboden en een masoretische paragraafindeling, Houtman, a.w. p. 15-16. De masoreten zijn degenen die het OT overleverden en de medeklinkers van tekens voorzagen.

 

3. Luther behandelt in de Grote Catechismus bij het eerste gebod Exodus 20: 3 tot 6, dus twee geboden als één gebod. A. Burghoorn, Lutherse geschriften. Belijdenisteksten van een kerk,1987, p. 31-38, BPKN, 55-72.

 

4. Het meest voor de hand ligt de indeling van de oude kerk en Grieks katholieken. De rooms-katholieke en lutherse indeling gaat terug op Augustinus, Quaest. 71 in Exodus, Keil, Genesis und Exodus, Leipzig 1966, 465. Houtman ziet geen overtuigend argument om Exodus 20:3-6 uiteen te leggen in twee geboden evenmin als 20:17 en vraagt zich dan af: “Bestaat de decaloog dus feitelijk uit negen geboden?” “Of vloeien de problemen van de afbakening voort uit de overleveringsgeschiedenis van de decaloog en bestond de oorspronkelijke decaloog wel uit een duidelijk herkenbaar tiental?”, a.w. III, p. 17; vgl. p. 29-44.

 

5. Joh. De Groot/A.R. Hulst, Macht en wil, p. 299-353. Zij lezen in de dekaloog allereerst dat er behalve Jahweh nog andere goden bestaan. “Hun werkelijkheid wordt niet ontkend.”, p. 309. Jahweh, de ijveraar, duldt geen verering van anderen naast zich. “De goden worden niet ontkend; ze zijn er nog wel, maar voor Israël moeten ze hebben afgedaan.”, 313.

 

6. Ook de wis- en natuurkundige en apologeet Blaise Pascal (1623-1662) beleed Christus als bron van Godskennis en als verlosser. “Il est non seulement impossible, mais inutile de connaître Dieu sans Jésus Christ. ‘ Jean Guitton, Pensées, Gallimard 1962, no. 728. Vertaling: ‘Het is niet alleen onmogelijk maar nutteloos om God te kennen zonder Jezus Christus.’

 

7. Luther schreef de Kleine Catechismus voor onderwijs in het gezin (ook wel voor geestelijken) en de Grote Catechismus voor predikanten die daarin materiaal voor hun catechese en prediking aangeboden kregen, BPKN, p. 55-72. Hij stelt dat van alle geboden het eerste gebod de grondslag is. Hij noemt de Mammon de meest voorkomende afgod maar geselt ook hen die zich laten voorstaan op grote geleerdheid, wijsheid, macht, gunst, vriendschap en eer als afgod, p. 67.

 

8. In 2007 waren er 12.000 tot de islam bekeerde Nederlanders, onder welke ook ex-christenen (CBS). Zie hierover uitvoeriger HIJ-IS-ER-BIJ, deel I, p. 34-59.

 

9. Menige gnosticus vond de God van het OT jaloers en aanmatigend, zelfs een menseneter, R. Roukema (red.), Het andere christendom, p. 19. Marcion verwierp het OT als jodenbijbel. W.J. de Wilde hield hierover in 1938 aan de Universiteit van Leiden een voordracht onder de titel: Het probleem van het OT in verband met de verkondiging van den Christus Jezus. Marcion had navolgers in Adolf von Harnack en in 1899 in Houston Chamberlain; zij maakten het christendom los van het jodendom. Friedrich Delitzsch ging zeer ver in zijn jodenhaat. Alfred Rosenberg stelde in plaats van de oudtestamentische verhalen van sjacheraars en veehandelaren de Noorse/Germaanse sagen van eer en vrijheid en stelde voor het OT als godsdienstboek voor goed af te schaffen, a.w. p. 8.

 

10. G.C. Berkouwer en A.D.R. Polman wezen èn de lijdende èn de onbeweeglijke God af. J. Moltmann leert het theopaschitisme en de alverzoening, wat de Kerk heeft afgewezen, Dogm. I, 330-336; 3A, 479-484; 3B, 405-422. HIJ-IS-ER-BIJ, deel I,272-274; 547-552;743-745.
6. Wat is de geldingskracht van de Naam in onze cultuur? (948-950)

 

948. Hoe luidt het derde gebod en tegen wie is dit gericht?
“U zult de Naam van de HEER, uw God, niet als nietswaardig of dekmantel van fraude (sjawe’) opheffen. 11) Want de HEER laat hen die zijn Naam als nietswaardig of dekking van fraude op de lippen neemt, niet vrijuit gaan.”, Ex. 20:7; Deut. 5:11. Meinedigen ontwijden zijn naam, Lev. 19:12. Pseudopredikers zenden zichzelf met boodschappen uit eigen hart, Deut. 18:15-22; Jer. 23; 28; 29. Ware gezondenen openbaren de kracht van de Naam en treffen harten zoals Messias Jezus, Mat. 21:1-17; Joh. 1:11; 5:19-47. Wie de Naam verwenste in oud-Israël, moest gestenigd worden, Lev. 24:10-16. Jezus verdiepte de eed tot betrouwbaarheid in handel en wandel, “U ja zij ja en uw nee zij nee; wat daar nog bij komt, is uit de boze.”, Mat. 5:37.

 

948.1. Hoe liet de HEER zijn Naam in Israëls levenspatroon gelden?
Alle geboden wortelen in Hem, alle overtredingen raken Hem. Kinderen dienen hun ouders te eren ter wille van de HEER, Ex. 20:12; opvoeding en school zijn geen neutrale aangelegenheid. Allen dienen om Hem werkweek en sabbat te onderhouden, Ex. 20:8-11; Lev. 19:1-3; de tijd en het werk zijn niet neutraal. Niemand mag haat of wrok koesteren tegen een volksgenoot maar moet zijn naaste liefhebben als zichzelf: ‘Ik ben Jahweh!’, Lev. 19:17. Jezus radicaliseerde de liefde, betrok hierin ook de vijand, Mat. 5:21-26; 43-48, en geselde huichelachtige Naamgebruikers als wit gekalkte graven vol doodsbeenderen, Mat. 23:27; vgl. 1-39. Een eigenaar mocht van de oogst van eigen akker geen nalezing houden; want de HEER bestemde resterende druiven en koren voor armen en vreemdelingen, Lev.19:9-10. We krijgen ons salaris niet alleen voor onszelf. Wee hem die zich verrijkt en akker bij akker trekt, Jes. 5:8. De hebzuchtige is een afgodendienaar, Ef. 5:5

 

949. Welke kracht heeft de Naam bij van Hem vervreemden?
Onder hen die niet in Hem of iets na dit leven geloven aarzelen toch velen om de hand aan zichzelf te slaan: vanwaar die aarzeling? Als er geen Rechter zou bestaan, zou toch alles geoorloofd zijn? 12) Zij schrikken terug voor consequenties. Dat komt omdat de HEER zichzelf in hun geweten handhaaft. Hij kan zich ook laten gelden in de gevolgen van afval: haat, ruzie en oorlog, Rom. 1:18-32. Huwelijken en gezinnen vallen dan uiteen; gezinsleden raken vervreemd van elkaar; kinderen leren geen eerbied, liefde en gehoorzaamheid en lopen kans crimineel te worden. Bankiers overschrijden normen; banken gaan ten onder; er vallen ontslagen. Corruptie remt de economische bloei. Is er verandering mogelijk? De HEER, de enige Helper, voltrekt verrassende wendingen voor hen die Hem aanroepen, Jes. 2:1-6; 55; Hand. 2; 3; Ef. 2; 3.

 

950. Hoe houden we zijn Naam hoog in onze cultuur?
De Alziende wil waarheid, liefde en gerechtigheid in hart en geweten, woorden en daden, Ps. 51:8; 139; Joh. 3:19-21; 1 Kor. 13. We behagen Hem als wij vrucht dragen in kennis en liefde, blijdschap en goede werken, Mat. 5:15-16; Joh. 15:1-14; Kol. 1:9-11. Dat doen gelovigen als ranken aan de wijnstok Jezus Christus. We kunnen geen sektor aan Gods aandacht onttrekken. Er bestaat geen neutraal terrein. 13) We mogen vrijmoedig getuigen van zijn Naam op alle posten. 14) Dat godloochenaars op Hem zijn aangelegd blijkt uit hun ontkennen van zijn bestaan; als Hij niet de Levende zou zijn, zou dit niet nodig zijn en zouden zij daaraan geen behoefte hebben; zij verraden gebrek aan inzicht in eigen identiteit, Ps. 14; 53.

 

950.1. Wat hebben overheden met de Naam te maken?
Overheden blijven ook bij scheiding van staat en Kerk Zijn dienaar (= diakonos) en ambtsdrager (= leitourgos); de staat heeft zijn wortels in God en zijn gerechtigheid, Gen. 9. Magistraten moeten rekening houden met hun Lastgever en zijn geboden uitvoeren, Rom. 13:1-7. Zij lijken neutraal (‘laikaal’), maar zijn dit nooit. Zij nemen beslissingen die hoofd, hart en wandel raken. Nog vele ambtenaren en parlementariërs zweren bij zijn Naam, Oef. 46; HC. zo. 37.
7. Hoe volgen wij Hem na in arbeid, rust en zegening? (951-952)

 

951. Hoe luidt het vierde gebod?
“Vier (gedenk) de dag van rust tot wijding of heiliging (le-qodsjo). Zes dagen mag u uw arbeid verrichten en al uw werk doen, maar de zevende dag is de rustdag voor Jahweh, uw God. Dan mag u geen enkele arbeid verrichten, u zelf niet, uw zoon niet, uw dochter niet, evenmin uw slaaf of slavin, uw vee of de vreemdeling die binnen uw steden verkeert. Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde, de zee en alles wat er in de wereld is gemaakt, maar de zevende dag heeft Hij gerust; daarom heeft de HEER de sabbat gezegend en geheiligd.”, Ex. 20:8-11. Elders is bevrijding het heiligingsmotief, Deut. 5:12-15.

 

951.1.Wat hield dit gebod voor Joden in?
Voor hen was de sabbat bekend uit schepping en woestijn; zij raapten manna op zes werkdagen, op de zevende dag geen korrel, Ex.16:5,23-27. Omdat de HEER hun tijd en agenda regeerde, dienden zij Hem na te volgen in arbeid, rust en heiliging, Ex. 20:8-11. De verlossing uit Egypte is motief van alle geboden, Ex. 20:1-2; Deut. 5:6; bij de herhaling van de wet wordt deze bevrijding in het vierde gebod nog eens aangestipt tegen uitbuiters, slavendrijvers en workaholics, 5:15. De HEER bestemde de sabbat als Schepper-Onderhouder en Bevrijder tot Zijn Dag om Hem te erkennen en te loven, en daarna tot sociaal en humanitair gebeuren. 15) De andere dagen zijn voor ons, maar mogen niet zonder Hem geleefd worden. Joden ontlenen hun identiteit vooral aan de sabbat als kenteken van verbondenheid met Hem; dit geldt ook voor proselieten, Jes. 56:1-8.

 

951. 2. Bevatte het vierde gebod nog meer bepalingen?
Ook werkdieren, bedienden en vreemdelingen moeten op sabbat stoppen met arbeid en op adem komen, Ex. 23:12; 20:10. In het zevende jaar, het sabbatsjaar, moest men bouwland, wijngaard en olijftuin braak laten liggen, opdat armen ervan zouden eten en de rest voor wilde dieren zou zijn, Ex. 23:10-11; dit is een begin van sociale wetten. Jezus schafte de sabbat niet af maar stelde deze in het licht van de werken van onderhouding, noodzaak en barmhartigheid en van zijn identiteit, Mat. 12:1-21; Luc. 13:10-21; Joh. 5:1-18. Christenen uit de joden vierden de sabbat met andere joden.

 

952. In welk opzicht geldt het vierde gebod voor christenen?
Het geldt in vervulde zin. Het concilie van apostelen/presbyters besliste dat voor christenen uit de heidenen de ceremoniële bepalingen van het Sinaïtische verbond zoals de sabbat, het verbod van het eten van onreine dieren en de besnijdenis vervielen, Hand. 15:1-29; 10:9-16. De sabbat behoort tot de dienst van de schaduwen, waarvan Christus de werkelijkheid is, Kol. 2:10-11; Hebr. 8 en 9. De gemeente kwam op de eerste dag van de week bijeen om brood te breken, Hand. 20:7-12, omdat op die dag Christus opstond en aan velen verscheen, Joh. 20:1, 19,26.
De zondag raakte los van de navelstreng van de sabbat maar de dochter lijkt op moeder in de trekken van arbeid en rust (1), van heiliging en bevrijding (2), van verbond en voleinding (3) en van sociale rust en recreatie (4). De christelijke cultuur is ook kenbaar aan de zondagviering met bewuste zingeving daarvan.

 

952.1. Hoe volgen beelddragers, leraar, God na in arbeid en rust?
Zij arbeiden ambtelijk voor Hem als producent en rusten in Hem vol overgave en aanbidding als recreant, Gen. 1:26-31; 2:1-4; Ex. 20:8-11; Ps. 84; 122; Hand. 2:41-47; Kol. 1:9-11; 3:16-17; Openb. 4-5.
a. We volgen Hem na door ons brood te verdienen en het ons toevertrouwde te vermenigvuldigen, Luc. 19:11-27, Oef. 38. Paulus voorzag in eigen onderhoud door handenarbeid en wilde niemand op kosten jagen, 1 Tes. 3:6-10. Hij riep werkstakers, die zich op een spoedige wederkomst instelden, hun arbeidsplichten te hervatten, 1 Tes. 3:6,11-12. “Ook toen wij bij u waren, hielden wij u telkens deze regel voor: iemand die niet wil werken, zal ook niet eten!”, 1 Tes. 3:10.
b. We zoeken voor alles Gods Koninkrijk en leggen onze zorgen te ruste in handen van de Vader, Mat. 5:19-34. Zondagsrust voorkomt rusteloosheid en graaizucht; we rusten in Hem en zijn zorg voor ons.

 

952.2. Hoe past u het vierde gebod toe als heiliging en bevrijding?
a. God zegende de zevende dag en stelde deze apart opdat het volk zich Hem zou toewijden in dank, thuis en in de tempel, Gen. 2:3; Ex. 20:8-11; Num. 28:6-10; Lev. 24:1-9; 1 Kron. 9.
b. Ook de bevrijding is motief tot heiliging, klein-Pèsach, Deut. 5:15. De zondag heet klein-Pasen, omdat Christus op de eerste dag verrees als blijk van zijn overwinning op duivel en dood en vervulling van het oude verbond, Mat. 28:1-10; Luc. 24:1-12; 13-34; 36-48. Hij verscheen op die dag aan de apostelen en maakte hen daarmee tot wettige getuigen van zijn opstanding, Joh. 20:24-29; Hand. 10:34-43. De gemeente kwam op de opstandingsdag bijeen voor Gods lof en de gemeenschap der heiligen, Hand. 20:7-12.

 

952.3. Hoe past u in het vierde gebod verbond en voleinding toe?
a. Mozes moest zijn volk op het hart drukken de sabbat - met sanctie van doodstraf - te onderhouden als verbondsteken, Ex. 31:12-17. Het verbondsboek, Ex. 21-23, vermeldt de sabbat tussen het sabbatsjaar en de drie verbondsfeesten, Ex. 23:12. De priesterwet stelt de sabbat onder de heilige dagen en feesten, Lev. 23. Naar Jesaja krijgen castraten en vreemdelingen in Gods huis een gedenksteen en eeuwige naam, Jes. 56:3-5 (yad wa-sjem = hand en naam); zij zullen de sabbat onderhouden en vasthouden aan het verbond, 56:2,6; 58:13-14. Nehemia herstelde na de ballingschap een strikte sabbatsviering, Neh. 13:1-22; onze Heer doorbrak het angstvallig wetticisme en leerde dat de sabbat dient om wel te doen aan de mens, Mc. 2:27; Luc. 14:1-5; Joh. 9. Omdat Christus alle tien geboden vervult en het vierde gebod een van de tien verbondsregels is, is de zondag een teken, zegel en regel van het verbond.
b. De gemeenteleden vervullen het verbond als brieven van Christus, geschreven door de Geest, 2 Kor. 3. Zoals Hij door de sabbat als gezinsfeest met de woning als heiligdom de herinnering aan zich levend hield onder ontheemden ver van de tempel, zo houdt Christus door de zondagviering zijn gemeente bijeen tot Hij zijn verbond voltooit in eeuwige gemeenschap, vrede en rust, Hebr. 3:7-19; 4:1-11; Openb. 21.

 

952.4. Hoe passen we het vierde gebod toe in de sociale rust?
Christendom en mensheid namen het ritme van zes dagen werken en één dag rusten over van Gods openbaring in het eerste verbond. 16) Huwelijk en sabbat wortelen in de schepping. Deze weldaad voor de mensheid remt werkslavernij en graaizucht, bedrijfsjacht en overspanning. We dienen winstdoeleinden ondergeschikt te maken aan welzijn en allen vrije dagen voor ontspanning te geven. Verzet tegen verplicht openstellen van alle winkels op zondag dient de humaniteit. Er dienen winkels op zondag open te zijn voor barmhartigheid, onderhoud en toerisme, maar vastgoedbeheerders, die alle winkeliers verplichten hun winkel te openen om economisch gewin en sancties stellen op weigering, belemmeren heiliging en rust en drijven mensen tot oververmoeidheid of stoppen met hun zaak. 17)

 

Wilt u meer weten over het derde en vierde gebod raadpleeg dan de noten 11-17
11. Twee maal wordt sjawe’ gebruikt; dit betekent a. inhoudloos, ijdel, niets b. leugen, valsheid, bedrog, fraude, huichelarij. Gesenius, Hebräisches und Aramäisches Handwörterbuch über das AT, Leipzig, 1915, zestiende druk, p. 809. Ook Houtman beklemtoont dat het niet zozeer om lichtvaardig als wel om schadelijk gebruik gaat, a.w. III, p. 44-48.

 

12. Kornelis Heiko Miskotte (1894-1976) was predikant in de Ned. Herv. Kerk in Kortgene (1921-1925), Meppel (1925-1930), Haarlem (1930-1938) en Amsterdam (1938-1945) en hoogleraar in de dogmatiek, ethiek, kerkrecht en zendingswetenschap vanwege de NHK in de vacature F.W.A. Korff te Leiden. Als zijn hoofdwerk wordt beschouwd Als de goden zwijgen, Ovcer de zin van het Oude Testament, Amsterdam 1956, 19652. Hij ging al vroeg in op het secularisme zoals in Het atheïsme bij Dostojevski, VW 12, 1999 (1952), p. 234. Vgl. G.G. de Kruijf, Heiden, Jood en Christen. Een studie over de theologie van K.H. Miskotte, Baarn 1981.

 

13. Ik ging op de cultuurvragen in bij De Naam, de cultuur en de secularisatie, Dogmatiek deel 2, p. 197-232.

 

14. Luther geeft als commentaar op het derde (tweede) gebod: “Maar het allermeest bestaat dit misbruik in geestelijke zaken, die op het geweten betrekking hebben, wanneer namelijk valse predikers opstaan en hun leugenachtig geklets als Gods Woord aanprijzen.”, BPKN, p. 38.

 

15. Houtman sluit de buitenbijbelse herkomst van de sabbat niet uit maar constateert dat het niet gelukt is dit aannemelijk te maken, Exodus III, p. 52; 49-59. Hij stelt dat het sociale en humanitaire voortvloeien uit het religieuze motief “gericht op het behoud en van kennis omtrent JHWH en zijn betrokkenheid op Israël.”, a.w. p. 53. “Het sacrale en religieuze karakter is een kenmerk door de tijden heen.”, p. 55. Hij acht de conclusie dat de sabbat aanvankelijk een sociale dag was niet gerechtvaardigd. Luther omschrijft het vierde (derde) gebod ‘Gij zult de rustdag heiligen’ als: “Wij moeten God vrezen en liefhebben, dat wij de prediking en zijn Woord niet verachten, maar dit heilig houden, gaarne horen en leren.”, BPKN, 57.

 

16. Calvijn stelt dat God het ceremoniële aspect van het vierde gebod deed vervallen en gebiedt
a. dat we de hele week zijn werken overdenken, afsterven en opstaan, Kol. 2;
b. dat we om onze zwakheid één dag afzonderen voor de dienst van Woord en sacrament, gebeden en geloofsbelijdenis;
c. dat er sociale rust is gedurende een dag voor werknemers, BPKN, vr. 177-184, p. 133-134;
Balke vertelt dat Calvijn op zondag zeilde naar vrienden voor een paar dagen vacantie, geen sabbattist of puritein is en het hem gaat om geestelijke rust op elke dag, zondagviering en sociale rust, Calvijn en de zondagsviering, in: Calvijn en de bijbel, p. 128-139.

 

17. Ruurd Ubels, ND 23-1-2010. Over de scheppingsdagen: HIJ-IS-ER-BIJ-I, 274-278.

 

Wie zich verdiepen wil in bovenstaande stof, raadplege volgende werken
Balke W., Calvijn en de zondagsheiliging, in: Calvijn en de bijbel, Kok, 2003, p. 128-139.

 

Burghoorn A. (Ten geleide), Lutherse geschriften. Belijdenisteksten van een kerk, 1987.

 

Dekker W. en P.J. Visser (red.), Om de verstaanbaarheid. Over bijbel, geloof en kerk in een postmoderne samenleving, Boekencentrum, Zoetermeer 2002.

 

Douma J. , De tien geboden I en II, 2e druk, Van den Berg, Kampen 1987.

 

Geffré Claude/Jean-Pierre Jossua, Eén God. Ontwikkelingen in de westerse cultuur noodzaken ons opnieuw na te denken over het historisch en theologisch monotheïsme, Conc. 1985, 1

 

Groot Joh. de/A.R. Hulst, Macht en wil. De verkondiging van het Oude Testament aangaande God, Callenbach, Nijkerk z,j. (1951?).

 

C. Houtman, Exodus, Commentaar op het OT, deel III, Exodus 20-40, 1996, 13-80.

 

Keel Othmar, De wereld van de oud-oosterse beeldsymboliek en het Oude Testament, toegelicht aan de hand van de psalmen, Kok, Kampen 1984.

 

Koole J.L., De tien geboden, Baarn 1964.

 

Miskotte K.H., Het atheïsme bij Dostojevski, in: Messiaans verlangen. Verzameld werk 12, Kampen 1999, p. 232-254.

 

Oost Gert, Aan de hand van Bach. Tekst en uitleg bij een jaargang cantates, Boekencentrum Zoetermeer/Skandalon, Vught 2006. (463 blz., toespraken van Oost, organist en muziek- wetenschapper bij cantatediensten in de Utrechtse Geertekerk met teksten van cantates.).

 

Parkes J., The Conflict of the Church and the Synagogue. A Study of the Origins of Antisemitisme, London 1934. (Joden voltrokken wrede straffen aan joden-christenen).

 

Rordorf W., Sabbat und Sonntag in der Alten Kirche, Zürich 1972.

 

Severy Merle, Grote godsdiensten. National Geographic Society, 1971, Bussum 1976.

 

Tomson Peter J., De dynamiek van het christelijk-joodse conflict 50-150 AD in: Ned. Theol. Tijdschrift 62/4, nov. 2008, p. 284-298. (Vooral van 60-70 en 132-135 troffen rabbijnen zware maatregelen tegen joodse christenen).

 

Ubels Ruurd, Gewoon de deuren dicht op zondag, ND Zaterdagopzondag 23-1-2010, .p.18.

 

Wentsel B., Sabbat en zondag, in: Dogmatiek 3A, p. 508-512 (met literatuur over de zondag op p. 512); vgl. HIEB I, p. 274-278.

 

Oefening: 40a | 40b | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46