Oefening: 40a | 40b | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46

 

Gesprekken II - Oefening 40b (861-868)

Neemt U ook de kleintjes op in uw Koninkrijk?

1. Gesprek als gebed. (861)

 

861. Waarom nam U, HEER, kinderen op in uw verbond?
Ik richtte in mijn duurzame liefde en trouw mijn verbond op met Abraham en zijn nageslacht en nam de enkeling op in het volk.
Tot dat volk reken Ik de Israëlieten en alle gelovige ouders met hun (klein)kinderen uit alle volken, Gen. 17; Jer. 31:35-37; Hand. 2:39; 3:11-26; 10 en 11:1-18; Rom. 4; 9-11.

 

861.1. Baby’s zijn toch nog niet in staat om te geloven?
Ik nam hen vanaf hun prille begin op in mijn volk, dat Ik liefde en trouw bewijs, collectief verlos en straf, Deut.7:6-8; Jer. 5:15-18.
Ik bewerk door mijn Geest al de ongeboren vrucht zoals de opspringende Johannes in Elizabets schoot, Luc. 1:39-55.
Ik liet mijn Zoon als baby besnijden voor zondige baby’s, Luc. 2:21.
Ik bechermde Hem tegen Herodes’ moordzucht door zijn ouders te manen uit Bethlehem te vertrekken, Mat. 2:1-23; Luc. 1:21.
Ik wil dat ouders baby’s tot Mij brengen, want voor dezulken bestem Ik mijn Koninkrijk; wie dit niet ontvangt als een kind, laat Ik er niet binnen, Mc. 10:14-15.

 

861.2. Is het niet beter de doop uit te stellen tot zij zelf kiezen?
Neen, dan onderschat u de werking van mijn trouwbeloften in hen. Natuurlijk moeten zij zelf kiezen, maar hun keuze is door de invloed van hun ouders vrucht van mijn genade, liefde en trouw.

 

861.3. Wat voor troost biedt U ons, ouders, als kinderen afdwalen?
Ik kan ook in een later stadium nog ingrijpen, laat mijn beloften een leven lang gelden en blijf uw gebeden gedenken.
Ik geef u de genade om rust te vinden en uw volwassene kinderen, die zelf verantwoordelijk zijn, aan Mij over te geven.
2. Hoe benaderde Jezus Christus baby’s? (862)

 

862. Welke boodschap had Jezus over kinderen tegen de apostelen?
Hij berispte hen fel, verontwaardigd als Hij was, toen zijn medewerkers moeders met kleine kinderen wegstuurden, omdat zij op hen neerkeken als onmondigen, te gering om Hem aan te raken! Die kinderen zijn voor u juist voorbeeld van ontvankelijkheid en vertrouwen, Mc. 10:13-15; Mat. 19:13-15; Luc. 18:15-17. “Laat die kleintjes (= paidia) tot Mij komen en houd hen niet tegen; want voor zodanigen is Gods Koninkrijk. Ik verzeker u dat wie Gods Koninkrijk niet aanneemt als een klein kind, er beslist niet binnen gaat!”, Mc. 10:14-15. Hen omarmend zegende Hij hen door handoplegging, Mc. 10:16.

 

862.1. Is Jezus’ nodiging van kinderen grond van de kinderdoop?
Hij doopte hen niet, maar dat deed Hij ook niet bij volwassenen. Hij betrok hen wel zeer dicht bij zich en zijn Koninkrijk. Zijn zegening is dus niet direct de grond van de kinderdoop maar wel een krachtige aanwijzing dat Hij wil dat kinderen tot Hem komen. 1) Tot de kring rond Hem behoren mondigen die een beslissing voor Hem hebben genomen en onmondigen die tot Jezus gebracht worden. Zijn bewogen appčl is een dringende uitnodiging voor ouders, die hun kinderen niet willen laten dopen, hen in ieder geval de handen op te laten leggen. 2)

 

862.2. Wat staat bij Jezus tegenover elkaar?
Bij Jezus staan niet tegenover elkaar jongeren en ouderen, ook niet mondigen en onmondigen, baby’s en bejaarden maar ootmoedigen en hoogmoedigen, eenvoudigen en ‘wijzen’, wedergeborenen en vleselijken, allen die Gods wil doen en bloedeigen familie, Joh. 3:1-13; Mat. 11:25-27; Mc. 3:31-35; 10:29-30. Dat moet ons voorzichtig maken een onmondige leeftijdsgroep uit te sluiten van de doop. Het werk van de Heilige Geest gaat uit boven verstand, bewustheid en natuurlijke groei en raakt het hart. Kinderen zijn vaak ontvankelijker dan ouderen.
3. Wat betekent de uitdrukking: ‘Gij en uw huis’? (863-865)

 

863. Werden er in de tijd van de apostelen kinderen gedoopt?
Vermoedelijk wel. Op het zendingsterrein lieten bekeerde heidenen zich met hun huis(gemeenschap), oikia, inclusief kinderen en personeel dopen. Petrus rapporteerde aan de raad in Jeruzalem dat God door een engel aan Cornelius had voorspeld dat zijn Geest over hem en zijn huis zou komen. Deze bode zei: ‘Stuur iemand naar Joppe om Petrus te halen; deze zal woorden tot u spreken waardoor u gered zult worden, u en al uw huisgenoten.’, Hand. 11:14. De Heilige Geest kwam over allen en zij werden daarna gedoopt, 10:44-48. Dat gebeurde in Filippi bij Lydia en haar huisgemeenschap, 16:15, en bij de gevangenisbewaarder en zijn huis aldaar, 16:32-34. We lezen het ook van de gevangenisbeheerder Crispus met zijn huisgenoten, 18:8, en het gezin van Stefanas, 1 Kor. 1:16.

 

864. Waarin wortelt de spreekwijze ‘gij en uw huis’?
Deze gaat terug op Gods verbond met Abraham, vertegenwoordiger van een huisgemeenschap, volk en volken, Gen. 17; Rom. 4. Tot het huisgezin behoren ouders, hun kinderen, dienstknechten en hun kinderen, Gen. 17:17. Mozes’ opvolger Jozua stelde zijn volk op de Sichemse landdag voor de keuze: de HEER of de afgoden! “Ik en mijn huisgemeenschap, wij dienen Jahweh!”, Joz. 24:15b. Petrus betuigde zijn volk: ‘deze geestesgaven zijn bestemd voor u, ouders, uw kinderen en verre generaties!’, Hand. 2:39; 3:13-26. Paulus richt zich tot kinderen en huispersoneel als volwaardige leden, Ef. 6:1-9; Kol. 3:20-25, 4:1. De Getrouwe ent zijn gemeente op Israël als de edele olijf, Mat. 8:11; Rom. 9-11; Ef. 2:1-22; Openb. 15:1-4.

 

864.1. Veranderde de positie van man/vrouw in het nieuwe verbond?
In het OT waren vrouwen begrepen in de man zoals de stammen in levieten. Zij behoefden niet drie maal per jaar naar het heiligdom te komen, Ex. 23:17, maar konden de Heer kennen als leden van het koninkrijk van priesters, het heilige volk, Ex. 19:6. In het NT is de met de man ongelijke vrouw als gedoopte aan hem gelijkwaardig en zelfstandig, Gal. 3:28. De HEER schafte de ceremoniële wet voor de christenen uit de heidenen af en daarmee de besnijdenis, maar niet zijn verbond met Abraham, Hand. 15. Bewijs van continuďteit 3) tussen besnijdenis en doop is dat Christus kwam om het OT te vervullen, Mat. 5:17-20, en Petrus de gemeente van het nieuwe verbond precies zo betitelt als Israël, 1 Pe. 2:5, 9-10

 

865. Bepaalde alleen de bloedsband in Israël de besnijdenis?
Neen. Abraham moest ook vreemdelingen als huisgenoten laten besnijden, Gen. 17:23, 27. Iedere man moest besneden, ongelovige weigeraars moesten uit de stam verwijderd worden, Gen. 17:9-16. De Betrouwbare bevestigde zijn beloften in de besnijdenis van de 99-jarige, de 13-jarige Ismaël en alle mannelijke huisgenoten en hun zonen, Gen. 17:23-26. Joden maakten buiten eigen volk bekeerlingen, Mat. 23:15. Het eigenlijke zaad van Abraham werd bepaald door geestelijke geboorte, Mat. 8:5-13; Rom. 4:13-14, Gal. 4:21-31. Abraham, wiens geloof als onbesnedene werd aangerekend als gerechtigheid, Gen. 15:6, is vader en voorbeeld voor hen die vertrouwen dat Jezus Christus alle gerechtigheid voor hen verwierf, Rom. 4:1-25. Besnijdenis en doop heten beiden zegel van de heilsgerechtigheid, Rom. 4:11. Omgekeerd geldt dat in de Kerk de HEER krachtens de verbondsorde ook bloedeigen kinderen opneemt in zijn huisgezin, Hand. 11:14; 10:47-48; 16:15,33; 1 Kor. 1:6; 7:14

 

865.1. Is het nog steeds verbondsrijkdom een groot gezin te krijgen?
Ja, wij zijn er in het nieuwe verbond niet armer op geworden. In het OT golden kinderen als verbondsschatten en een groot kindertal als voorrecht. Een vruchtbare vrouw en kinderen zijn een zegen voor hen die de HEER eerbiedigen, Ps. 128:3,4; 144:12. Zij zijn soldaten van een leger in dienst van de Heer en zijn Koninkrijk en doen de boze afbreuk, Ps. 127:3,4; Luc. 1:68-79. In het NT zijn er gesnedenen ter wille van Gods Koninkrijk die zich geroepen weten Hem als ongehuwden te dienen, Mat. 19:12; 1 Kor. 7:1-8. Wie die gave van onthouding niet krijgt, heeft als roeping de HEER te verheerlijken in de huwelijke staat en een gezin, 1 Kor. 7:10-24. Kinderen zijn in de christen-partner heilig, 1 Kor. 7:12-16. Moeten christenen vanwege de groei van de mensheid – in deze eeuw tien of meer miljard? – afzien van een groot gezin wegens ‘onsociaal gedrag’? Laat ieder zijn roeping volgen door het talent van de vruchtbaarheid optimaal tot eer van God te besteden.
4. Is het dopen van kinderen (voor)recht, plicht of keuze? (866)

 

866. Is dopen van kleine kinderen (voor)recht, keuze, gebod?
Het is alle drie tegelijk. Het is een voorrecht voor ouders dat de Genadige hun belooft zijn liefdesrelatie voort te zetten met hun kinderen. Het is de keuze van ouders die delen in Christus’ sterven en opstanding, die hopen en bidden dat hun kind in Hem mag opgroeien en delen in de schatten waarin zij rijk zijn, 859.2. Het is ook gehoorzaamheid aan Gods gebod en dus meer dan voorkeur of voorliefde voor de kinderdoop. Ouders mogen kinderen niet laten dopen door groepsdwang of als inwijdingrite in de cultuur, maar enkel op grond van Zijn genade en trouw, beloften en gebod.

 

866.1. Ziet u, leraar, een tegenstelling tussen vrije keuze en gebod?
Neen, Abraham geloofde vrijwillig in God en zijn belofte, Gen. 15:6. Hij blijft het voorbeeld van alle gelovigen, Rom. 4. Toch maakte de Getrouwe bij de oprichting van zijn verbond afspraken met zegen voor getrouwen en bedreiging voor verwijdering van saboteurs uit de stam, Gen. 17:14. Hij liet onbesnedenen het beloofde land niet ingaan, Joz. 5:1-9. De Voorhuidenheuvel blijft het monument van de inhaalslag van nalatigen en oproep tot trouw aan de verbondsregels, Joz. 5:3. Nu leven we in de bedeling van vrijheid door de Heilige Geest, 2 Kor. 3, maar ook in het NT ontbreekt de oproep tot gehoorzaamheid niet. God roept gedoopten op de zonde niet langer gehoorzaam te zijn, maar zich aan Hem te offeren als werktuigen in dienst van de gerechtigheid, Rom. 6:12-14. Hij troost ons met de doop als teken van onze vrijkoop van de boze, maar roept ons ook op om ons hart te ‘besnijden’ om zijn Koninkrijk binnen te gaan, Mat. 3:1-12; Kol. 2:12 (‘besnijdenis van Christus’).

 

866.2. Noopt veler geloofsafval ons de kinderdoop af te schaffen?
Nee, belofte en gebod vallen of staan niet met wanpraktijken. 4) Ook onder de als volwassenen gedoopten is er afval; toch schaffen Baptisten de mondigendoop niet af. Bovendien roept de Getrouwe de dwalende levenslang tot zich terug door dit teken, dat in de oordeelsdag tegen verharden getuigt. Niet de afschaffing maar de zorgvuldige doopbediening is eis. De Kerk mag de kinderdoop alleen praktiseren, als ouders zelf sterven en opstaan, daarin een voorbeeld geven aan hun kinderen en hen zelf of door anderen (laten) onderrichten. God geeft zijn Geest alleen aan hen die zijn verbond onderhouden en Hem gehoorzamen, Ps. 103:17-18; Hand. 5:5:30-32. Een kerkenraad mag of moet ouders, die niet willen instaan voor hun opvoeding-in-Christus, de doop weigeren. Johannes weigerde onbekeerden de doop, Mat. 3:1-12.
5. Is de spanning tussen Zijn Ik en mijn ik op te heffen? (867-868)

 

867. Beslist het (on)heilige ik van dienaren over geldigheid?
Nee, de HEER bemiddelt door zijn Woord, Doop en Avondmaal zijn genade. Bisschop Donatus in Noord-Afrika en volgelingen erkenden de bediening niet van bisschoppen, die tijdens de vervolging onder keizer Diocletianus hun geloof hadden verloochend door een bijbel in te leveren (traditor); zij verklaarden om de smet van collaboratie hun wijding ongeldig. Cyprianus erkende de doop van ketters niet, omdat buiten de Kerk geen ware sacramenten bestaan. De Kerk der eeuwen stelde hiertegenover dat de geldigheid van de bediening van Woord, Doop en Avondmaal niet afhangt van de kwaliteiten of vroomheid van de bedienaar, maar van Christus die daarin door zijn Geest werkzaam is. Wel streefde zij ernaar om door vrome dienaren de sacramenten te doen bedienen.5)

 

867.1. Beslist het (on)bekeerde ik over de geldigheid van de doop?
Nee, de doop blijft geldig als teken en zegel van Gods liefde en trouw, onafhankelijk of de gedoopte al of niet bekeerd is en zal, als de gedoopte onbekeerd blijft, tegen hem getuigen. Predikers roepen zondaren op hun schuld te belijden en vrucht voort te brengen die aan hun ommekeer beantwoordt. Zij weigeren pseudo-bekeerden, maar kunnen niet in het hart lezen, Mat. 3:1-12; Hand. 2:37-39.

 

868. Ben ik, leraar, als individu niet vrij van alle banden?
Nee, u was al voor uw geboorte met duizenden draden verbonden aan uw familie en de mensheid. Gods verbond als instelling met Abraham en miljoenen uit hem bestond al, toen u nog lang niet het daglicht zag, Gen. 17. Om voor ons eeuwig leven te verwerven voldeed de Messias aan de afspraken in het oude verbond, Mat. 3:15; 16:21-28. Hij stelde het instituut van Twaalf ooggetuigen in en maakte hen tot grondleggers van de Kerk om door hun geschriften ons met het evangelie te bereiken, Hand. 10:34-43; Ef. 2:2:20; Openb. 21:9-14. De individualist blaast zeepbellen als hij zegt in het luchtledig, los van allen, te zweven; ieder is afhankelijk van ouders, profeten en apostelen als bemiddelaars en van de Zoon als de Middelaar van het verbond om Gods Koninkrijk in te gaan.6) De drieëenheid Kerk, gezin en school bemiddelen ook thans ons heil.

 

868.1. Hebben kinderdoop en volwassendoop gelijke rechten?
In bepaalde zin. In de eerste eeuwen lieten bekeerden hun huisgezin (oikia) dopen. Gezinsdoop was van de vierde tot de negentiende eeuw volksgewoonte. Toen tradities sleten, instituties gezag verloren en de volkskerk verdween, werd Europa weer zendingsveld. Thans worden er weer meer volwassenen gedoopt, maar ook hier nemen ouders hun kinderen mee in de gezinsdoop, die uitgaat boven het dilemma ‘volwassendoop’ of ‘kleine-kinderdoop. De beheerder van de gevangenis in Filippi, een van de eerste bekeerlingen in Europa, liet zich met al de zijnen dopen; dit is standaardvoorbeeld van de gemeenschapsdoop voor alle tijden, Hand. 17:13. De HEER dompelt rond de doop een cultuur onder in zijn gemeenschap. De driehoek gezin, Kerk en school staat onder druk omdat het kerklidmaatschap voor menigeen niet meer bepalend is voor het christen zijn en de kerk in hun leefwereld een vreemde kathedraal is geworden, maar is toch zo krachtig dat deze altijd weer terugkeert.7)

 

868. 2. Hoe voorkomen we dat de doop tot talisman verwordt?
Een talisman is een voorwerp dat geluk aanbrengt of tegen ongeluk behoedt. Menige onbekeerde zag in besnijdenis of doop het entreebiljet voor Gods Koninkrijk. Jezus keerde zich tegen dit automatisme zonder bekering, Joh. 8:31-59. Het concilie in Jeruzalem besloot dat christenen uit de heidenen zonder besnijdenis behouden worden, maar niet zonder bekering, Hand. 15:1-28. Paulus zag in de Galaten (= Kelten), die van christenen uit de heidenen het onderhouden van de ceremoniële wet eisten, een verloochening van Christus’ kruis en aantasting van de vrijheid. “Want in Christus Jezus is niet de besnijdenis of onbesnedenheid van belang maar het geloof dat werkzaam is door de liefde.”, Gal. 5:6; vgl. 6:15; 1 Kor. 7:18-19. Het is niet beslissend is of wij vroeger of later gedoopt zijn maar dat wij, vroeg of laat, een nieuw schepsel in Christus zijn; het teken valt niet samen met de be-teken-de zaak.

 

868.3. Wat kunnen we leren van de baptistische traditie?
Baptisten zijn sterk in het zendingswerk. De schoolmeester en schoenlapper William Carey (1761-1834) geldt als de vader van de nieuwere zending. Hij riep krachtig op tot zending, toen velen nog meenden dat deze opdracht alleen voor de apostelen gold. Zijn levensdevies was: ‘Verwacht grote dingen van God, onderneemt grote dingen voor God!’ Onder zijn inspiratie werd opgericht de Engelse Baptis t Missonary Society, 1792.
Carey ging naar Serampore in India, voorzag in eigen onderhoud en vertaalde met zijn talentalent samen met zijn medewerkers de bijbel of delen daarvan in 40 talen in India, waarvan hij er alleen 27 verzorgde, waaronder de hele bijbel in 7 talen. 8) Hij stelde in 1810 voor een wereldzendingsconferentie te houden wat in 1910 is gelukt.

 

Noten bij de vragen en antwoorden bij Oefening 40B, 850-868
1. Vanaf Tertullianus in zijn De baptismo, 18,5, heeft men dit op de doop van kinderen betrokken, Versteeg, a.w. p. 129. In 1929 stelde G. Dehn dat men zich voor het recht van de kinderdoop terecht op deze geschiedenis kan beroepen, al heeft deze op zichzelf daarmee niets te maken, Der Gottessohn, Berlin, 1929, p. 177. Bij Cyprianus is de kinderdoop normaal. Volgens Origenes is de kinderdoop ontvangen van de apostelen, Comm. Op brief aan de Romeinen, boek 5, h. 9. In catacomben vindt men opschriften als ‘heilig kindje’, hagion paidion, Dogm. 4A, p. 279-283. ‘Wat verhindert hen’, was een liturgische vraag voor het dopen. Handoplegging was een wezenlijk deel van het dopen in de oude kerk ook bij kleine kinderen. Men las deze passage “as a baptismal lection from medieval times”. Richardson, p. 361.

 

2. Gijs van den Brink stel dat er in het volmaakte Koninkrijk geen onderscheid tussen gedoopte gelovigen en kinderen maar in het voorlopige Rijk voor zijn wederkomst wel. Onvolwassen kinderen van gelovige ouders zijn wel lid van de gemeente maar zijn onderscheiden van volwassen gelovigen, Soteria, 20ste jrg. Nr. 1, 2003, 30-37, 49-51; zij delen in de heiligheid van de ouders – ten dele, overgedragen, voorlopig – tot zij zelfstandig worden, 1 Kor. 7:14. Van den Brink laat de ‘overdoop’ afhangen van de wens van de dopeling en acht de ‘overdoop’ niet in strijd met het feit dat er maar één doop is, Hand. 19:7.

 

3. Velen ontkennen de continuďteit van het verbond en samenhang tussen besnijdenis en doop. In Israël zou voor de besnijdenis de bloedsband bepalend zijn, in de Kerk de doop als geestelijke (weder)geboorte; in Israël worden alleen mannen besneden, in de Kerk worden mannen en vrouwen gedoopt; aan de besnijdenis zou het geloof niet vooraf gaan, bij de doop moet geloof voorafgaan. Zie over de lijn besnijdenis-doop uitvoerig Dogm. 4A, p. 383-402.

 

4. Rondom 2000 deden er minder dan 30% van de jonggedoopte leden in de GKN (syn.) belijdenis van hun geloof. In de PKN kan dit nog lager zijn. Voor vele jonge ouders is de kinderdoop niet meer vanzelfsprekend, H. Stoffels, Kerk moet reorganiseren, CW 11 dec. 2009.

 

5. Dit verschil wordt uitgedrukt met de woorden ex opere operatis, dat is door het werk van de handelende bedienaar en ex opere operato, dat is door het gedane werk van Christus die werkzaam is in dit sacrament, Alister McGrath, Christelijke theologie, 446-448.

 

6. De Reformatie van 1517 koos voor de kinderdoop op grond van het verbond en de parallel met de besnijdenis, Heid. Cat. zondag 26 en 27; NGB art. 34; Beza, Geloofsbelijdenis a. 47-49 (contra herdoop, doop heeft dezelfde reden van bestaan als de besnijdenis, kinderen hebben het zaad of de kiem van het geloof) enz.

 

7. Over de triangel en stille omwenteling: ND 11, 23-4-2007.

 

8. Murray vermeldt dat Carey 26 gemeenten in India heeft geplant en de bijbel of delen daarvan heeft vertaald in 34 talen, The Puritan hope, 141.

 

Wilt u zich nader in verbond en doop verdiepen, lees dan de volgende lectuur
Bridge D. D. Phypers, Hans Cornelder, Het water dat scheiding brengt, Interlectuur 1981.

 

Leer Teun van der (eindred.), Soteria. Kwartaalblad voor evangelische theologische bezinning. Themanummer de Doop, 20e jrg. Nr 1, 2003.

 

Lumpkin W.L, Baptist Confessions of Faith. An Interpretation of every significant Baptist Confession from the earliest Anabaptist times to the present day, Judson Press, Valley Forge 1959, 1969 (rev, ed.), 19804. (Handboek met al de belijdenissen van baptisten).

 

Murray Ian H., The puritan Hope. Revival and the Interpretation of Prophecy, The Banner of Truth Trust, Edinburgh 1971, 1975 (rep.), 1984 (rep.), 1991 (rep.).

 

Richardson Alan, An Introduction to the Theology of the New Testament, 1958, 19829.

 

Ru G. de, De kinderdoop en het Nieuwe Testament, Wageningen 1964, 19683. (Dissertatie met verdediging van de kinderdoop tegen Karl Barth’s aanval daarop).

 

’t Spijker, W. Balke, K. Exalto, L. van Driel (red.), Rondom de doopvont. Leer en gebruik van heilige doop in het NT en de geschiedenis van de westerse kerk, De Groot Goudriaan, 1983.

 

Velde te Mees (red.) e.a., Confessies. Gereformeerde Geloofsverantwoording in zestiende- -eeuws Europa, Groen Heerenveen 2009. (Met vijf confessies, waaronder die van Beza).

 

Versteeg J.P., De doop volgens het Nieuwe Testament, in: Rondom de doopvont, 1983, 9-136.

 

Vries Olof de, Gelovig gedoopt, 400 jaar baptisme, 150 jaar in Nederland, Kok, Kampen 2009. (De Waarheidsvriend, 5 november 2009, nr. 44, p. 14).

 

Wentsel B.,’De Geestesdoop, de waterdoop en de kinderdoop’ en ‘De verbondsstatus, het nieuwe leven en de gezondenen’ in: De Persoon en het werk van de Heilige Geest, Dogm. 4A, 1995, 219-383, lit. 299-302. Dogm. 4C behandelt de doopinstelling, 1998, 17-76.

 

Wentsel B., Getuigen in familie, kerk en samenleving. Symboliek I en II, Zwijndrecht 2002 (Module met drie symbolen, enige reformatorische belijdenisgeschriften en opsomming van doperse en baptistische confessies, waaronder de Londense confessie van 1644).

 

Wentsel Ben, HIJ-IS-ER-BIJ II, 2006, 578-584 (samenvatting van de dogmatiek) .

 

Oefening: 40a | 40b | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46