Oefening: 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34

 

Gesprekken II - Oefening 32 (691-710)

Wat bedoelt U met uw Kerk als instituut met ambtsdragers?

1. Gesprek als gebed. (691-695)

 

691. Hoe regeerde U, HEER, als Koning uw volk Israël?
Ik stelde Mozes, oudsten en koningen aan om namens Mij mijn volk te hoeden in vroomheid, vrede en gerechtigheid, Ex. 3-4; Num. 11; 1 Sam. 9-10; 16.
Ik stelde priesters en levieten aan om mijn Naam in het heiligdom te verheffen, de omgang met mijn volk door offers gaaf te onderhouden en de gedachtenis aan mijn daden van heil en gericht levend te houden, Lev. 8-10; Num. 18.
Ik stelde profeten aan om mijn Woord actueel door te geven, Deut.18:15-22.

 

692. Hoe regeert U, HEER, uw volk in het nieuwe verbond?
Ik stelde mijn Zoon aan tot Hoofd van mijn Kerk en Heer van de wereld om over mijn huis en de mensheid namens Mij te regeren, Mat. 22:41-46; 28:18-20; Hand. 2:22-36; Ef. 1:15-22; Hebr. 3:1-6.
Ik stelde Hem aan tot priester-koning om zich te offeren en als middelaar voor mijn volk te pleiten, Ps. 110:4; Joh. 14:12-14; Hebr. 7-9.

 

693. Hoe leidt U, Koning Jezus Christus, uw Kerk?
Ik doe dit door Woord en Geest en vele door Mij aangestelde dienaren.
Ik stelde Twaalf oog- en oorgetuigen aan om van Mij te getuigen en de basis van de Kerk te leggen, Luc. 6:12-15; 9:1-6; Hand. 2-15; 10:34-43; Ef. 2:20.
Ik neem zaaiers van mijn Woord in dienst, Mat. 13; 24:14; 28:19; Luc. 8:4-15; 24:43-49; Rom. 10:14-21; 2 Kor. 5:11-21; 6:1-10; 2 Tim. 3:10-17; 4:1-5.
Ik zorg voor mijn kudde door herders en helpers, Luc. 10:25-37; Joh. 21:15-19; Hand. 6:1-7; 20:17-38; 1 Tim. 3: 8-13; Titus 1; 1 Pe. 5:1-4.

 

694. Wat is het verschil tussen ambtsdragers en andere leden?
Ik geef alle gedoopten geestesgaven, maar stel ambtsdragers aan als mijn vertegenwoordigers om mijn volk te leiden en te bewaren bij het evangelie, Mat. 16:13-20; Hand. 20:17-38; Rom. 1:1-5; 1 Kor. 12:28.

 

695. Regeert U de gemeente ook door raden, synoden en concilies?
Ik gaf u in de bijeenkomst van apostelen en oudsten in Jeruzalem het voorbeeld hoe Ik gemeenten leid door raden van ambtsdragers, Hand. 15:1-35.
Ik stel hen aan om eenheid en orde in de gemeenten te bevorderen en vruchten te oogsten in mijn wijngaard, Luc. 20:9-19; Joh. 17.
2. Geeft het Oude Testament aanwijzingen voor de kerkregering? (696-697)

 

696. In welk opzicht is, leraar, het Oude Testament norm voor het ambt?
Hierin ligt het grondpatroon. De HEER vervulde in het nieuwe verbond de ambten van leiders, priesters en oudsten uit het oude. Hij maakte Mozes tot standaardvoorbeeld van roepingen. Evenals Hij hem riep, toerustte en Zijn Woorden in zijn mond legde, Ex. 3-4, zo riep en inspireerde ook Jezus de Twaalf apostelen, Mat. 10:19-20l; Joh. 15:26, 16:12-15. Hij omringde Mozes met ouderlingen en raadgevers, Num. 11. Hij koos profeten om zijn wil te openbaren en sloot hun rij af met Johannes de Doper, die als roepende in de woestijn de profetie van Jesaja vervulde, Joh. 1:19-34; Jes. 40:3-4. Dit ambt kreeg zijn vervolg en vervulling in predikers van het Woord Gods.

 

696.1. Beriepen Jezus en de apostelen zich op het Oude Testament?
Ja, heel vaak. Jezus presenteerde zich in Nazaret als Gods gezalfde, heilbrenger en bevrijder, Luc. 4:14-22; Jes. 61:1-2. Hij beriep zich voor zijn identiteit als Zoon van God en zijn troongenoot op Psalm 110:1, Mat. 22:41-46; vgl. Joh. 5:19-47. Hij las zijn vernedering en verhoging af uit het OT, Mat. 16:21-28; Luc. 24:44-48. Petrus openbaarde dat met Judas’ zelfmoord de Psalmen in vervulling gingen, Hand. 1:15-21; Ps. 69:26; 109:8. Paulus beriep zich op het zoutverbond met priesters voor het recht van predikers op salaris (sal = zout), vgl. 1 Kor. 9 met Num. 18, Dogm. 4B, 551-638.

 

697. Is er een lijn van het centrale gezag uit het oude naar het nieuwe verbond?
Mozes stelde het college van zeventig oudsten aan om hem bij te staan; de HEER gaf hun delen van Mozes’ geest, Num. 11. Dit was de aanzet tot de Hoge Raad of het Sanhedrin als centrale gezagsinstantie. In de gemeente in Jeruzalem gaven het Apostelcollege en de Oudstenraad leiding, Hand. 15:1-35. Vanuit dit college lopen er lijnen naar synoden en concilies. Apostelen en oudsten namen besluiten voor heel de Kerk in overleg met heel de gemeente, 15:22. Zij zonden een rondschrijven aan de gemeenten met het besluit dat christenen uit de heidenen voor hun behoud niet hoeven besneden te worden en zich alleen moeten onthouden van aan afgoden gewijd vlees, bloed, verstikt vlees en ontucht, 15:22-29. Zij zetten een is-gelijk-teken tussen Gods wil en het besluit van het concilie, 15:28 (‘De Heilige Geest en wij hebben besloten’).
3. Wat zijn oudsten, dienaren van het Woord en diakenen? (698-701)

 

698. Wat houdt het ambt van oudste of opziener in?
Oudsten (= zeqeniem) namen eeuwenlang een positie van aanzien onder Israël in. Zij ontwikkelden zich van oudsten-in-jaren (senioren) en familiehoofden tot wijzen en prominenten, raadsleden en senatoren. De oudste (= presbyter) kreeg de positie van herder-waker van de schapen van de Goede Herder, Joh. 10; 21:15-19. Paulus drukte bij zijn afscheid van de oudsten uit Efeze hen op het hart dit ambt zorgvuldig in te vullen. “Weet u verantwoordelijk voor u zelf en de hele kudde, waarover de Heilige Geest u als opzieners heeft aangesteld om Gods Kerk te hoeden, die Hij verworven heeft door het bloed van zijn eigen Zoon. Ik weet dat er na mijn vertrek (misleiders als) gevaarlijke wolven zullen binnendringen die de kudde niet sparen; zelfs mensen uit uw eigen kring zullen de waarheid gaan verdraaien om volgelingen achter zich te krijgen. Wees daarom op uw hoede en houdt in gedachten dat ik drie jaar lang dag en nacht onophoudelijk iedereen onder tranen gewaarschuwd heb.”, Hand. 20:28-31; vgl. Ez. 33-34. Hij gaf Titus richtlijnen om in elke stad oudsten als wachters, herders en opzieners (episkopen) aan te stellen, Ti. 1:5-9.

 

699. Hoe loopt de lijn van priesters naar het nieuwe verbond?
De Heilige beval priesters te wijden met zalfolie voor het offeren, bidden, zegenen en onderrichten, Lev. 8-9. Hij beantwoordde de voltrekking van offerriten door zelf de offers met vuur te verteren; het volk juichte daarbij, Lev. 9:6-24. In en na de ballingschap kregen priesters de rol van rabbijn: wetsleraar, schriftgeleerde, doctor. Jezus, leraar, messias en priester-koning, stelde de Twaalf aan tot zijn oog- en oorgetuigen, Mat. 19:1-4; Hand, 1:3-14. Zij heten dienaren van God, 2 Kor. 6:4, of dienaren van Christus, 2 Kor. 11:23. Hun ambt heeft een vervolg in dat van liturg, herder en leraar. Deze doet voorbeden, bedient Woord en Tafel, geeft onderricht en verkondigt als vreugdebode, Jes. 52:7, het goede nieuws van Jezus’ verzoeningswerk en heerschappij, Jes. 55:10-11; Mat 13; 2 Kor. 5; 2 Tim. 4:1-5. Hij kreeg in de 16e eeuw als ambtsnaam: herder-leraar, dienaar van het goddelijke Woord, verbi divini minister (= vdm), predikant, dominee. Domine is de tweede naamval van het Latijnse dominus, heer, betekent o, heer! Het wordt ook voor de HEER zelf gebruikt zodat zender en gezondene daarin samenvallen. De Rooms-katholieke, Oosters-orthodoxe en Anglicaanse kerk handhaven de naam priester, maar we vinden deze als ambtstitel niet meer in het Nieuwe Testament, Dogm. 4B, 650-697.

 

699.1. Wat zijn diakenen in het nieuwe verbond?
Er loopt een lijn van de levieten naar de diakenen. Levieten dienden God in eredienst en onderwijs, barmhartigheid en gerechtigheid. De stam Levi verving de eerstgeborenen die de HEER toebehoorden, Num. 3-4; we moeten Levieten als stamleden - waartoe ook de priesters behoorden – onderscheiden van levieten als helpers bij het offeren, zang, muziek en vervoer van het gerei. De eerste diakenen waren medewerkers van de apostelen tot steun van weduwen, maar verkondigden ook het evangelie en deden wonderen, Hand. 6:8-15; 7; 8:26-40. Later verandert dit beeld, 1 Tim. 3:8-10. Het diakonaat wortelt in Gods barmhartigheid en gerechtigheid en Jezus’ dienst tot ons welzijn. De taak van diakenen variëert van huisbezoeker tot hulpkoster, van lector in de eredienst tot organisator van bustochten, van begeleider van ontspoorden tot kasbeheerder, Dogm, 4B, 697-727.

 

700. Staat het instituut met ambten tegenover de gemeente met geestesgaven?
Neen, tussen die beide is er geen tegenstelling. De Geest der waarheid leidde de Raad van apostelen/oudsten in Jeruzalem, Hand. 15:1-29, en schonk aan de gemeenten charismata, 1 Kor. 12-14. Op de Pinksterdag liet Christus de gemeenteleden in tongentalen van Hem getuigen en de apostel Petrus uitleggen wat er gaande was, Hand. 2. Paulus rekent zijn apostelambt onder de charismata, 1 Kor. 1:1; 2 Kor. 10-11, maar gebruikt in de rij gaven alleen bij de apostelen, profeten en leraren de ambtsterm aanstellen, tithèmi, 1 Kor. 12:28. Men kan de ware en wettige apostel afgrenzen van pseudo-apostelen, 2 Kor. 11:12-15. Het ambt is èn charisma èn instelling. De Kerk is èn een met gaven verweven lichaam èn een ambtelijk instituut. De drager van het ambt - samentrekking van ‘ambacht’ – treedt op als (slag)vaardige met het gezag van zijn Zender.

 

701. Wat is dan het verschil tussen gemeenteleden en ambtsdragers?
De overeenkomst is dat allen zelfstandige leden zijn van het ene lichaam en elkaar dienen, het verschil is dat ambtsdragers geroepen en gezonden zijn van Godswege. Zij vertegenwoordigen hun Zender, zijn beloften en geboden en moeten zich soms tegenover de gemeente en de wereld stellen. Zij zijn gebonden aan de bijbel, het belijden van de Kerk en hun instructies. Zij hebben in die zin prioriteit dat zij namens hun Heer komen in trouw aan zijn leer en die van de apostelen. De Heilige Geest stelde het ambt in als duurzaam, boven-persoonlijk instituut, terwijl andere geestesgaven komen en gaan. Ambtsdragers worden ‘geïnstalleerd’ met handoplegging zoals in Israël de priesters (ordinatie). Zij bewaren het evangelie en geven dit door. Zij houden de kudde dicht bij de Goede Herder en bij de schapen contra grimmige wolven. Zij openen en sluiten als sleuteldragers de deuren van het paleis van de Koning. Zij delen als dienaar van de gemeente in haar moeiten, HIEB-2, 277-375; Dogm, 4B. 469-550.
4. Waarop rust het kerkverband van de lokale gemeenten? (702)

 

702. Waarop rust het verband tussen de gemeenten?
Deze rust niet op een overeenkomst tussen hen maar op Gods verbond (1), zijn heilshistorisch werk (2), zijn Drie-eenheid (3) en de binding aan zijn Woord (4).

 

702.1. Welke prioriteit geeft het genadeverbond met Abraham voor gemeenten?
De HEER richtte zijn genadeverbond op met hem niet als bestaande partner maar koos hem uit als vertegenwoordiger en vader van alle gelovigen, Gen. 17; Rom. 4. Hij deed dit verbond verrijzen uit het niets en liet zijn initiatief door hem beamen in geloof, Gen. 17:7. Wij richten de Kerk niet op en onderhouden deze evenmin; wij beamen beloften en onderhouden banden omdat Hij ons eerst in dit verbond opnam en bewaart.

 

702.2. Wat betekent het dat Christus zijn Kerk in zijn heilswerk grondde?
Hij nam als vertegenwoordiger zijn ene volk mee in zijn lijden, kruisiging, dood, opstanding en hemelvaart, Rom. 5 en 6; Kol. 3. Alle christenen en lokale kerken waren al een éénheid voordat zij zich bij elkaar voegden in een kerkverband. Zij behoeven dit verband evenmin uit te vinden als de waarheid. Zij zijn in Christus eeuwen geleden opgenomen in verbond en gemeenschap, waarheid en eenheid.

 

702.3. Waarom is de Drie-eenheid het geheim van de eenheid van de Kerk?
De Vader heeft in zijn heilsplan zijn kinderen uitverkoren in de Zoon en roept hen in de tijd tot zich, Ef. 1:3-14. De gemeente weerspiegelt in de saamhorigheid van de leden de liefde van de Vader en de Zoon door werkingen van de Heilige Geest, Joh. 17:20-23. Gedoopten zijn leden van het ene lichaam met Christus als het hoofd. Alle kerkorden zijn een uitwerking van Gods werk als de Drie-enige.

 

702.4. Waarom draagt het kerkverband een bindend karakter?
De Heer bindt zijn Kerk aan het woord van de apostelen als oog- en oorgetuigen van zijn leven, woorden en werken. Hij heeft hun de Woorden, die Hij van de Vader ontving, toevertrouwd, Joh. 17:6-8, 17-19. Zij zijn grondleggers van zijn Kerk, Hand. 2-28; Ef. 2:20. Daarmee bindt Hij de kerken geestelijk en juridisch aan zichzelf en zijn waarheid, aan de apostelen en hun woord en aan elkaar als leden van zijn lichaam met sancties op het schenden van de afspraken. Hiermee is alle individualisme van de enkeling en de groep veroordeeld. Niemand kan een eigen kerkje stichten. Iedere ambtsdrager is gebonden aan zijn opdracht.
5. Maakt het enig verschil hoe we de Kerk organiseren en regeren? (703-708)

 

703. Is het nodig dat er regionale herders centraal toezicht uitoefenen?
In menige kerkfamilie treedt een ‘opziener’ (= epi-skopos, bisschop) regelend op ten behoeve van de eenheid en oefent toezicht op lokale gemeenten en herders (= episcopale stelsel). Zijn positie is echter niet overal gelijk. Volgens de Rooms-katholieke en Oosters-Orthodoxe kerk droegen de apostelen hun bevoegdheden over op opzieners als opvolgers; dit heet apostolische successie. Deze dienen op hun beurt de traditie door te geven (= leersuccessie) aan hun opvolgers in een onafgebroken keten (= personensuccessie). In de kerkorde zijn priester en de diaken dan meestal hiërarchisch aan de bisschop ondergeschikt. Andere kerken kennen geen hiërarchie of successie maar een taakverdeling, waarbij de bisschop het opzicht heeft over kerken in een bisdom zoals bij de Anglicaanse, Methodistische en Lutherse kerken; deze gaan uit van het historisch gegroeide episcopaat. Ook in de bijbel hebben leiders ruime bevoegdheden zoals Mozes, Jozua, Samuel, Petrus en Paulus, Titus en Timotheüs, maar zij blijven dicht bij de kudde.

 

704. Heeft de Kerk een paus nodig voor de eenheid?
De RKK leert dat bisschoppen opvolgers van de apostelen zijn. Zij regeren als college van gelijkwaardigen met de paus als hoofd en opvolger van Petrus, die aan het apostelcollege leiding gaf (= papaal-episcopale stelsel). Door wijding of consecratie (sacer = heilig) ontvangen bisschoppen het volle priesterschap als duurzaam merkteken. Het bisschoppencollege is drager van de hoogste en volledige macht over de kerk, maar kan deze bevoegdheid alleen uitoefenen met instemming van de paus, Christus’ plaatsbekleder en herder van de hele kerk. Hij bezit de volledige, hoogste en universele macht over de kerk, die hij altijd kan uitoefenen en bovendien de voorrang van de gewone macht over alle particuliere kerken, Wetboek van canoniek recht, 331, 333.

 

704.1. Is de pauselijke regeermacht in Petrus’ primaat te funderen?
Petrus lichtte de uitstorting van de Heilige Geest toe, Hand. 2:14-40, deed met Johannes wonderen, getuigde moedig van zijn Heer, 3-4, stichtte de eerste gemeente uit de heidenen, 10-11:1-18, en voerde na zijn bevrijding uit de gevangenis, 12:1-19, op het apostelconvent als eerste het woord, 15:4-11. De Reformatie van 1517 erkende deze primaat-functie, maar achtte deze te sterk uitgedijd en stuitte op de weigering de Kerk te reformeren. Indien paus en concilie tot een bijbelse reformatie hadden besloten, was het vermoedelijk niet tot een breuk gekomen en zou de paus als eerste collega onder zijn gelijken, de gelijkwaardige bisschoppen, erkend zijn. De Reformatie blijft aandringen op het terugbrengen van de petrusfunctie tot de positie van eerste onder zijns gelijken, tot herstel van de rechtvaardigverklaring door het geloof en opheffing van de leer van het vagevuur en celibaatsplicht. Als het grootste deel van de RKK de verplichting tot het celibaat wil opheffen en paus en concilie hieraan vasthouden, leggen zij gemeente en voorgangers een onbijbels juk op. Zij treden niet in het spoor van de getrouwde Petrus, Mc. 1:29-31, en evenmin in dat van Paulus die een vrijwillig celibaat kent, 1 Kor. 7:1-10.

 

705. Wat is de presbyteriaanse kerkinrichting?
De term presbyterianisme komt van presbyter, dat is oudste, senior, regent. De kerk dient volgens dit systeem geregeerd te worden door uit de gemeente gekozen oudsten, niet door enkelen maar door velen. Christus regeert door dit veelhoofdig gezag van kerkenraden, classes en synoden zijn Kerk. Deze zijn gebonden aan de bijbel en het belijden van de Kerk. Zij nemen een positie in ‘tegenover’ de gemeente; want zij zijn geen uitvoerders van de volkswil maar van Gods wil. Zij nemen besluiten in onderling overleg op vergaderingen (conciliarisme) en kennen aan classes en synoden als meerdere vergaderingen een groter gezag toe dan aan kerkenraden. Hun besluiten dragen niet het karakter van ijzeren decreten of vrijblijvende voorstellen, maar van appèl en orde, waarbij hardnekkig verzet tot schorsing of afzetting kan leiden.

 

706. Hoe verklaart u, leraar, de vele scheuringen in presbyteriaanse kerken?
Dit komt voort uit een te sterke vrijheidszin, uit verzet tegen gewetensdwang en dwalingen en uit groepsindividualisme. 1) Waar een synode de presbyteriaan te strak bindt, geeft de laatste er de voorkeur aan onder een ander kerkdak te gaan wonen dan te moeten zuchten onder maatregelen die zijn geweten bezwaren. Als hij een van het evangelie afwijkende prediking moet aanhoren, sticht hij een andere kerkgemeenschap.

 

706.1. Zijn er middelen om dit verschijnsel van scheuringen te overwinnen?
Ja, ambtsdragers dienen zich meer bewust te zijn dat zij de Goede Herder vertegenwoordigen en hoeders zijn van alle groeperingen. De Herder gaf zijn leven voor allerlei soorten schapen opdat zij naar Hem zouden luisteren, Joh. 10:11-17. Hij bad voor hun volmaakte eenheid, Joh. 17:20-23. Geen huwelijk houdt stand zonder zelfverloochening. Wie zich afscheidt, komt vroeg of laat in eigen kring voor soortgelijke problemen te staan. Door gekibbel is de liefde ver te zoeken. Paulus waarschuwt tegen fanclubs in de Kerk, 1 Kor. 1:10-17. Wie zich bij geschillen schaart om de ronde tafel en opsomt wat hij samen met anderen belijdt, blijkt met anderen vele waarheden gemeenschappelijk te hebben. Is het dan nodig om vanwege resterende geschillen uiteen te gaan? Als het niet gelukt bij elkaar te blijven, dan blijkt dat gekwetstheid, eer- en heerszucht verhinderen dat men elkaar aanvaardt of duldt. Ook dient het besef te groeien dat wie een deel van de waarheid heeft ook vastzit aan de hele waarheid zoals een arm bij het lichaam behoort. Tegenstrijdige waarheden kunnen nooit tegelijkertijd gelden. Wie een deel van Zijn waarheid erkent, groeit op den duur ook weer naar het geheel van de onvergankelijke, ondeelbare waarheid.

 

707. Is er plaats voor een protestantse bisschop?
Een protestantse opziener (superintendent) is een andere figuur dan een roomskatholieke bisschop, omdat hij zich in vergaderingen van besturen van classes en synoden moet verantwoorden. Het beginsel van meerhoofdigheid en verantwoordingsplicht remt de heerschappij van de enkeling af. Hij kan als herder-van-herders predikanten bijstaan en verantwoordelijkheden dragen voor een breed werkterrein zoals Timotheüs en Titus. Hij blijft echter eerste onder zijns gelijken; de bijbel kent geen hogere en lagere ambten (hiërarchie). Zou herinvoering van deze figuur helpen tegen repeterende breuken of vermeerdert dit de kwaal nog?

 

708. Dient de kerkregering te liggen in handen van de leden zelf?
Het congregationalisme stelt dat de gemeente (= congregatio) als draagster van Gods beloften, opdrachten en charismata zichzelf dient te regeren. De leden verenigen zich onder Christus als Hoofd met elkaar in een verbond (= covenant). De gemeente kiest ambtsdragers, die aan haar verantwoording schuldig zijn. Gemeenten kunnen samen vergaderen met andere gemeenten maar dit is niet beslist noodzakelijk; zij kunnen geen bindende uitspraken doen. Als grondleggers van dit stelsel worden beschouwd Henri Jacob (1560-1624) en Robert Browne (1550-1633). In 1658 aanvaardden Engelse congregationalisten de Savoy Declaration, die voor het grootste deel overeenkomt met de Westminster Confession, 1648, maar daarvan afwijkt in de kerkregering. Congregationalisten zijn verwant met Vrij Evangelischen, Darbisten en vrije Baptisten. Waardevol is dat leden een grote inbreng hebben in het beleid. Onvoldoende komt uit de verf dat de ambtsdrager voor alles verantwoording schuldig is aan zijn Zender. Verder is het kerkverband erg los. In Engeland gingen presbyterianen en congregationalisten fusies aan

 

708.1. Wat zijn independentisten?
Deze gaan hun weg onafhankelijk (= independent) van een andere lokale kerken, kerkgroepen of kerkfamilies. Zulke groepen met weinig binding aan anderen vinden we vooral in Afrika rondom eigen leiders. De bezwaren hiertegen zijn dat in dit stelsel te weinig tot zijn recht komt dat Gods volk één is; kerken hebben elkaar immers nodig als leden van het ene lichaam. Bovendien krijgen door hun isolement allerlei vreemdsoortige, sektarische ideeën ingang.
6. Hoe vinden we de weg naar een institutionele eenheid? (709-710)

 

709. Wat is de World Council of Churches (=WCC)?
De Wereldraad van Kerken werd in 1948 gesticht in Amsterdam om de oecumene (= bewoonde wereld) of wereldkerk gestalte en podium te geven. Deze groeide in 2009 tot 349 lidkerken met 560 miljoen leden, Dogm. 4A, 307-332. Zij bevorderde de band tussen de kerken, maar slaagde er zelden in deze te verenigen. Daarom groeide de overtuiging dat we er genoegen mee moeten nemen dat er vele kerkfamilies bestaan binnen Gods verbond. Wel slaagden enige programma’s om wantoestanden in maatschappij. politiek en milieu aan te pakken. In de relatie met andere godsdiensten stond de Wereldraad de dialoog voor, waarbij christenen ook dienen te luisteren naar wat God aan anderen openbaart. Dit lokte de tegenbeweging van evangelikalen uit tot het bedrijven van meer zending. De Wereldraad is geen evenknie van het Vaticaan geworden maar kan ook door deelname van evangelikalen en charismatici bloeiperioden tegemoet gaan. Als secretarissen-generaal traden op W. A. Visser ’t Hooft (1938-1966), E.C. Blake (1966-1972), Philippe A. Potter (1972-1984), Emilio Castro (1985-1993), Konrad Raiser (1993-2003), Samuel Kobia (2003-2008) en Olav Fykse Tweit (2009-).

 

710. Langs welke wegen bereiken we meer eenheid tussen de kerken?
Is het mogelijk dat kerken hun identiteit handhaven en toch hun eenheid uitdrukken in instituties en vergaderingen (= concilia)? Dit streven kreeg de naam conciliarisme. Kerken kunnen banden van vriendschap aangaan en afgevaardigden naar vergaderingen van elkanders kerkenraden en synodes zenden. Uit grensovergangen 2) blijkt dat de ligging in kerken zeer uiteenloopt. De winst van een fusie is bedenkelijk als er tegelijkertijd nog weer twee kerken bijkomen. Laverend tussen de behoefte aan eigen identiteit en het gebod tot eenheid relativeren we eigen nestgeur, mijden we partijzucht en trachten we de ander hoger te achten dan zichzelf, Fil. 2:1-11.
1. Tussen 1846 en 1914 maakten 200.000 landgenoten de oversteek naar de USA met als koplopers de Afgescheidenen van 1834 o. l. v. ds. A.C. van Raalte in West-Michigan. Al in 1628 was de Reformed Protestant Dutch Church (de latere RCA) gesticht met Hope College als opleidingscentrum. In 1857 leidde een scheuring tot de stichting van de Christian Reformed Church (CRC). Na het besluit dat ook vrouwen predikant konden worden, 1995, ontstonden de United Reformed Churches met ca 20.000 leden over 96 gemeenten. Tussen 1948 en 1960 trokken in een tweede golf ongeveer 100.000 Nederlanders naar de USA om verbetering van welzijn of angst voor het communisme. Bij de emigratie na 1945 ontstonden naast de Reformed Church of Amerika en de Christian Reformed Church ook de Free Reformed Church (parallel van CGK in Nederland), de Canadian Reformed Church (parallel van GKN-vrijgemaakt), de Geref. Gemeenten (met scheuringen na 1953) en de United Reformed Churches in 1995, Agnes Amelink, Gereformeerden overzee, 2006.
2. De Geref. Gemeenten verloren van ca. 1960 tot 2008 ca 60.000 leden, die individueel in stilte vertrokken. Sinds 1965 – het eerste jaar dat kerkelijke overgangen werden bijgehouden - bedroeg het aantal onttrokken personen op jaarbasis exact 52.782, vgl C.S.J. Janse, De Saambinder, Dec. 2007. Het aantal nam in de loop der jaren toe. In 2006 vertrokken er meer dan 2000. Toch groeide deze kerk in 2006 tot 103.500 leden, mede dankzij hoge geboortecijfers en overgangen uit de rechterflank zoals de Oud-Gerereformeerde Gemeenten en Gereformeerde Gemeenten in Nederland. Dit aantal bedroeg in 50 jaar ruim 30.000 (van 1965-2007 28.177). In 2007 had 30% van de dienstdoende predikanten in de Geref. Gemeenten zijn wortels niet in dit kerkgenootschap. Vooral academici lieten het afweten vanwege het beperkte genadeaanbod zoals J. Blaauwendraad, A.A. Bart en K. van der Zwaag. De meeste gingen over naar de PKN, een goede tweede is de Hersteld Hervormde Kerk, ND 9-2-2008

 

 
Amelink Agnes, Gereformeerden overzee. Protestants-christelijke landverhuizers in Noord-Amerika.Bert Bakker, Amsterdam 2006.
Borght Ed. A.J.G., Het ambt her-dacht. De gereformeerde ambtstheologie in het licht van het rapport Baptism, Eucharist and Ministry (Lima, 1982) van de theologische commissie Fait and Order van de Wereldraad van kerken, Meinema Zoetermeer 2000 (diss. RUL).
Generale synode PKN, Kerkorde en ordinanties van de Protestantse Kerk in Nederland inclusief de Overgangsbepalingen, Boekencentrum, Zoetermeer 2003.
Gosker Margriet, Het ambt in de oecumenische discussie. De betekenis van de Lima-ambtstekst voor de voortgang van de oecumene en de doorwerking in de Nederlandse SOW-kerken, Budapest-Amstelveen 200 (diss. Károli Gáspár Universiteit).
Heitink Gerben, Biografie van de dominee, Ten Have, Baarn 2001.
Heuvel P. van den (red.), De toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland, Boekencentrum, Zoetermeer 2004.
Holten Johan van, Rol en roeping, Boekencentrum, Zoetermeer 2009. (Diss. over de relatie tussen roepingsbesef en de wijze waarop de predikant de rol in de gemeente opvat).
Johannes Paulus PP. II, Wetboek van canoniek recht, Brussel-Hilversum-Kevelaer 1987.
Krabbendam Hans, Vrijheid in het verschiet. Nederlandse emigratie naar Amerika 1840-1940, Uitg. Verloren, Hilversum, 2006.).
Rasker A.J., De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795. Geschiedenis, theologische ontwikkelingen en de verhouding tot de zusterkerken in de negentiende en twintigste eeuw, Kok, Kampen 1974, derde herziene en vermeerderde druk 1986, 7e druk 2004 (herdruk van de derde druk).
Veldman Harm, Hendrik de Cock (1801-1842), op de breuklijnen in theologie en kerk in Nederland, Kok, Kampen 2009 (diss. TUGKV).
Wentsel B., ‘Ambt, charisma en istituut’, in: De Kerk als het saamhorige volk Gods, Dogm. 4B, 1998.
Wentsel Ben, ‘U, Zender van ambtsdragers en kerkbouwer’, in: HIJ-IS-ER-BIJ II, Handboek bijbelse geloofsleer, Kok, Kampen 2006, 277-375.

 

Oefening: 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34