Oefening: 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27

 

Gesprekken II - Oefening 24 (510-525)

Wat voor doel hebben uw lijden, kruisiging en sterven?

1. Gesprek als gebed. (510)

 

510. Och, hemelse Vader, waarom was het lijden van uw Zoon nodig?
Wij achtten het noodzakelijk om de verbroken relatie tussen Mij en u te herstellen door zijn inzet en offerdood.
Ik heb u zo lief dat Ik mijn eniggeboren Zoon aan u geschonken heb opdat u door geloof in Hem niet verloren gaat maar eeuwig leeft, tot het licht komt en de waarheid doet, Joh. 3:16-21.

 

510.1. Waarom liet U uw Zoon als misdadiger tussen misdadigers kruisigen?
Ik heb mijn vervloekingen over u, misdadigers-in-kiem, in uw plaats op mijn schuldeloze Zoon geladen om u als gelovigen vrij te spreken van schuld en straf en u in mijn zegeningen te laten delen, Luc. 23:39-43; Gal. 3:10-14.
Ik heb u met Hem aan uw verdorven aard doen sterven opdat u met Hem zou opstaan tot gehoorzaamheid en Hem navolgen, Joh. 13:1-21; Rom.6.
2. Zijn er sleutels om Jezus’ lijden recht te verstaan? (511-512)

 

511. Wat zijn de sleutels, leraar, om Jezus’ lijden naar Gods wil te vertolken?
Jezus zelf verwees herhaaldelijk naar het Oude Testament als getuigenis over zijn lijden, Mat. 16:21; 17:12, 22-23; 20:17-19; 26:54; Luc. 24:25-26, 44-47. De Heilige Geest gaf ons door evangelisten en apostelen daarin meer inzicht, Joh. 1:29, 35; 10:11-18; Hand. 8:35; Jes. 53:7-8; 2 Kor. 5:11-21. Het verbond is het raam waarin de HEER de verzoening voltrok tussen zichzelf en ons, Oef. 9-17. De offerwet met dank- en verzoeningsoffers is vervuld door het lam, hogepriester en lijdende knecht, die veler zonden op zich laadde en uitwiste door zijn zondoffer, Lev. 1:1-17; Jes. 53; Hand. 8:26-40; Hebr. 8-10.

 

512. In welke voorzetsels wordt dit heilswerk ordelijk omschreven?
In de gezichtsvelden komen we constante trekken tegen uit het grondpatroon in het OT, vooral de voorzetsels met, in en voor. Wij zijn met Hem gekruisigd enz., Rom. 6:1-14. In Hem heeft de Vader ons uitgekozen enz. , Ef 1:3-14 (twaalf maal). Hij is vóór goddelozen gestorven, Rom. 5:6; 2 Kor. 5:14 (voor allen), 5:21 (voor ons); Fil. 3:9 (één met Hem). Soms komen deze samen in één zin voor. “Met Christus ben ik gekruisigd; ik leef niet meer, Christus leeft in mij; mijn sterfelijk leven is leven in het geloof in Gods Zoon, die mij heeft liefgehad en zich heeft overgegeven voor mij.”, Gal. 2:19b-21. Het plaatsbekledende vóór zin gaat soms over in het dienstbare voor. ”En Hij is vóór allen gestorven opdat zij die leven niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem die voor hen is gestorven en verrezen.”, 2 Kor. 5:15.

 

512.1. Met welke inhoud vult de apostel deze lidwoorden?
Met: wijst op de wederzijdse verbondsrelatie: Hij-met-ons, wij-met-Hem.
In: slaat op de band met de vertegenwoordiger: Hij-in-ons, wij-in-Hem.
Voor: cirkelt om plaatsbekleding en toewijding: Hij-vóór-ons, wij-voor-Hem.
Voor-ons-uit: tekent de navolging: Hij-voor-ons-uit, wij-achter-Hem-aan.
3. Wat betekent: Hij-met-ons, wij-met-Hem? (513-517)

 

513. Hoe verliep het tweerichtingsverkeer tussen de HEER en zijn volk?
Hij beloofde Abraham, Isaak en Jakob zijn gemeenschap en hulp en vroeg van hen vertrouwen, Gen. 12:1-4; 17; 26:1-6; 28:10-22. Er is een wisselwerking tussen Hem en de met Hem verbondenen. Hij ging om met zijn volk in tabernakel en tempel; daarin bracht het volk dankoffers, waarop Hij reageerde met zegeningen. Als er een deuk kwam in de relatie, mocht de overtreder een zond- en schuldoffer brengen tot herstel van geschonden verhouding, Lev. 1-3 De offeraar legde zijn hand op de kop van het dier als overdracht van zijn toewijding aan de HEER en slachtte het dier; daarna sprenkelde de priester bloed tegen het altaar. De vaste term is: ”Zo voltrekt de priester de rite van de verdelging of uitwissing (= kipper) en het zal hem vergeven worden,”, Lev. 4:20, 26b, 31b. Zo bewerkte hij verzoening door voldoening of herstel van de gemeenschap door aan Gods eis te voldoen met een offer, gelijkwaardig met de begane zonde.

 

514. Hoe volrok de Vader de wisselwerking tussen zijn Vader en ons?
Hij werd één-van-ons, één-met-ons, God-met-ons, Immanu-El, Mat. 1:18-25; Jes. 7:14; vgl. 7:1-35. Hij vluchtte net als asielzoekers voor bedreigingen, maar zijn Vader zorgde ervoor dat Hem niets overkwam, Mat. 2; Hos. 11:1. De vaak bedreigde ontkwam aan de voortijdige dood, Luc. 4:28-30; Joh. 5:18; 7:1.
Hij is door Satan verzocht maar weerstond hem om ons van zijn dodelijke heerschappij te bevrijden, Mat. 4:1-11; Hebr. 2:16-19.
Hij gaf zich als dank- en schuldoffer in onze plaats aan zijn Vader om de met Hem geschonden relatie te herstellen opdat wij met Hem zouden leven; als loon daarvoor deed de Vader Hem opstaan en gaf Hem alle macht.
Jezus beschermt zijn gemeente en is alle dagen met haar, Mat. 28:18-20. Hij vereenzelvigt zich met vervolgden en verdrukten, Hand. 9:5; Mat. 25:31-46. Hij begeleidt dienaren zoals Paulus, om wie Hij de bemanning en schepelingen van een schip in een storm redde, Hand.24:27. Hij reageert op dankoffers en gebeden met zijn zegen, Hand. 4:23-31.
Aldus is er een levendig verkeer tussen Hem en de Vader, de Immanu-El en ons.

 

515. Heeft Jezus zich ook geuit over het verbond en zijn offerbloed?
Hij sprak zijn volk aan als kinderen van Abraham en stelde de wijn tot teken van zijn verbondsbloed, dat Hij stortte voor velen tot vergeving van onze zonden, Mat. 26:28. Hij vervulde daarmee het verbond op de Sinaï, toen Mozes bloed sprenkelde over volk en altaar om de wederzijdse trouw tussen de HEER en zijn volk te verzegelen en zijn volk te heiligen, Ex. 24:8. De bloedige eredienst van dit verbond is achterhaald maar de zin daarvan blijft in het zijn offer doorleven.

 

516. Wat betekent dat de Vader de Zoon heeft beladen met zijn verbondsvloek?
De Vader deed de slagen, die wij verdiend hadden, neerkomen op zijn Zoon en vervloekte Hem voor ons en in onze plaats als gehangene, die nog dezelfde dag begraven moest worden, Deut. 21:22-23; Mat. 27:57-60. Christus kocht ons vrij van de straf, die de HEER aan wetsovertreding verbond, door in onze plaats ‘straf’ of ‘vloek’ te worden, Gal. 3:13. De Vader vervloekte Hem echter niet als de Zoon; de band tussen beide is eeuwig gaaf, maar als plaatsvervangende misdadiger voor ons om ons te zegenen met zijn genade.

 

517. Wat verwacht de HEER van ons en wat belooft Hij ons?
Hij verwacht dat wij Hem met ons leven een lofoffer brengen, bereid zijn om schuldigen te vergeven, met Christus sterven aan slechte eigenschappen en met Hem opstaan tot een leven in dienst van Hem en de naaste in gerechtigheid, Rom. 6;2 Kor. 5:11-21; Ef. 2:14-18; Hebr. 12:13-16.
Hij belooft ons dat we, als we als ranken aan de Wijnstok verbonden blijven, veel vrucht zullen dragen, vooral van liefde en blijdschap, Joh. 15:1-17; Mat. 5:1-17; 1 Kor. 13; Gal. 5:22; Kol. 3:1-17.
4. Wat betekent: Hij-in-ons, wij-in-Hem? (518-520)

 

518. Hoe zijn wij in de Zoon en hoe is Hij in ons?
De Vader schenkt ons alle weldaden in gemeenschap met zijn Zoon, Ef. 1:3-21 (elf maal ‘ín’), Rom. 8:31-39. Hij verhoort onze gebeden, als we deze opzenden in de naam van zijn Zoon, Joh. 14:32-33. Samen wonen zij in ons door de Heilige Geest, Joh. 14:20, maar smelten niet met ons samen als druppels met de oceaan; zij blijven als Schepper en Herschepper boven ons staan.

 

519. Welke vier relaties heeft God de Zoon met zijn mensheid?
Het scheppende en onderhoudende Woord heeft met iedere beelddrager een band. Joden en christenen, moslims en hindoes, humanisten en atheïsten bestaan, leven en bewegen in Hem, Joh. 1:1-4; Hand. 17:22-28; Hebr. 1:1-4, Oef. 6.
Wij zijn in het vleesgeworden Woord als onze vertegenwoordiger begrepen zoals de mens begrepen is in Adam als aller representant, Luc. 3:23-38;
Rom. 5:12-21; 1 Kor. 15. Zoals God allen in de ene ongehoorzame deed sterven zo maakt Hij de mensheid levend in Christus, Oef. 9. Hij heeft met gelovigen een persoonlijke relatie, redt hen van zonden en geeft hun eeuwig leven, Mat. 1:21; Joh. 3:16-21. De goede tijding gaat uit tot velen, maar alleen wie door Gods welbehagen in Hem gelooft, kent Hem en daarmee ook de Vader, Mat. 11:25-30; Ef. 1:3-21.
Hij vereenzelvigt zich met de minsten, Mat 25:31-46, door Hem gezondenen, Mat. 10:40; Joh. 13:20, en zijn gemeente, Hand. 9:4.

 

520. Hoe kan Hij in ons zijn op aarde en kunnen wij in Hem in de hemel zijn?
Wij zenden onze gebeden tot de Vader door de Middelaar, onze representant in de hemel, Kol. 3. Wie in Hem gedoopt is, is met Hem gestorven, begraven, opgewekt en ten hemel gevaren. Hij woont en werkt in ons met zijn Geest zodat wij op aarde met Hem in de hemel verbonden zijn. Dat wij zelfs eens met Hem verschijnen in heerlijkheid en de wereld regeren, Rom. 6:4-11; 2 Tim. 2:11-13, is geen droom, maar werkelijkheid, waarvan Hij het paasbewijs geeft in vernieuwde beelddragers. Zij zijn herkenbaar aan hun streven om naar het patroon van de bergrede te leven, Mat. 5-7, en aan de vrucht van de Geest, vooral liefde en blijdschap, Joh. 15:1-17; 2 Kor. 3; Gal. 5:22-23; Fil. 2:1-11; Kol. 3:1-17.
5. Wat betekent: Hij-vóór-ons, wij-voor-Hem? (521-523)

 

521. Heeft onze Heer Jezus Christus ook gezegd waarom Hij moest lijden?
Hij zei tot de Twaalf dat Hij het Oude Testament moest vervullen in zijn sterven en opstanding, Mat. 16:21-28; 17:12,22-23; 20:17-19 enz. Hij verweet hun na zijn opstanding traagheid in het geloof in het OT en zijn voorspelling, Luc. 24:25-27; 44-47. De Knecht bracht dankoffers voor onze heiliging (dadelijke gehoorzaamheid) en zond- en schuldoffers voor het uitwissen van onze schuld (lijdelijke gehoorzaamheid), Jes. 52:13-15 tot 53:1-12; vgl. Hand. 8:26-39. Hij brak de tempel en offerdienst af door zijn dood en presenteerde zich als nieuwe tempel, Joh. 2:13-22; Luc. 21:5-36. Hij is gekomen is om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen, Mc. 10:45; Mat. 20:28; Jes. 53:11b; 1 Tim. 2:6, en zijn schapen uit de greep van misleiders te bevrijden, Joh. 10:1-18.

 

522. Had de aanklacht ‘opstandeling’ betekenis voor de plaatsbekleding?
Kajafas, hogepriester van dat jaar, stelde het Sanhedrin voor Jezus uit de weg te ruimen, omdat, als het volk Hem tot leider zou maken, dit zou uitlopen op een botsing met de Romeinen. “Gebruik toch uw verstand. Ziet u niet in dat het beter is dat één mens sterft voor het volk en niet onze hele natie te gronde gaat?”, Joh. 11:49b-50. Hiermee werd hij onbewust profeet van Jezus’ plaatsbekledend lijden, Joh. 11:51-53. Hij zette met deze beschuldiging Pilatus onder druk; deze zou, als hij Jezus’ doodvonnis niet zou voltrekken, de gunst van keizer Tiberius verliezen, Joh. 19:9-16. Zo werkten tegenstanders eraan mee dat de Heer in de plaats en ten behoeve van zijn volk (vóór ons) werd gekruisigd als politieke rebel met twee misdadigers. Luc. 23:22-43. Voor eigen kring was zijn aanspraak de Zoon van God te zijn grond van de aanklacht, Mat. 26:63-64; Joh.19:7.

 

523. Wat zei de apostel Petrus over plaatsbekleding?
Deze verkondigde zijn schuldbewuste volk in Jezus’ naam vergeving van zonden, Hand. 2:38. Hij verklaarde dat de Knecht (pais) allereerst opstond voor Israël, Hand. 3:13, 26; vgl. Jes. 52:17 (dienaar, èbèd); 4:30 (‘heilige knecht ’). Hij predikte - met een genezen verlamde als bewijs - de exclusieve redding door Jezus Christus, Hand. 4:12. Hij tekent de gemeente als de door de Vader voorbestemde en door de Geest geheiligde gemeenschap om gehoorzaam te zijn aan Jezus Christus en om besprenkeld te worden met zijn bloed, 1 Pe. 1:1-2. Het Lam bedekt met zijn kostbaar bloed de schuld en bevrijdt zijn volk van de bezettende machten, 1 Pe. 1:19.

 

523.1. Wat schreef de apostel Johannes over plaatsbekleding?
Deze haalt Ik-Ben-woorden aan zoals “Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald.”, Joh. 6:51. Jezus noemt zich ook de Goede Herder, die zijn leven geeft voor zijn schapen, 10: 11 en 15. De evangelist schrijft dat Johannes de Doper Jezus aankondigde als het Lam. “Daar is het Lam, dat de zonde van de wereld wegneemt.”, 1:29, 36. Hij tekent Jezus als het Lam dat Pèsach vervulde, waarin lammeren een centrale rol vervulden voor de bevrijding en voorbijgang van Gods toorn, Joh. 13-19.
6. Wat betekent: Hij-voor-ons-uit en wij –achter-Hem-aan? (524-525)

 

524. Hoe volgen we Jezus na?
We kunnen Hem navolgen omdat Hij zich vóór ons – in onze plaats en tot ons welzijn – in de dood gaf, opstond en ons door zijn Geest aanraakt. Hij vormt ons om naar zijn beeld als gekruisigde en verrezene. Hij acht navolging nodig, maar geen imitatie, Mat. 16:21-28. “Wie Mij wil dienen, zal Mij moeten volgen, en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn; wie Mij dient, zal erkenning vinden bij de Vader.”, Joh. 12:26; vgl. 21:18-20. Aan het Paschamaal gaf Hij in de voetwassing het voorbeeld van nederige dienstbaarheid aan elkaar, Joh. 13:1-17.

 

525. Behoren christenen zich in te stellen op het martelaarschap?
Zij houden rekening met tegenwerking maar moeten het martelaarschap niet zoeken, Mat. 5:1-12; 10:16-42; 24:9-12. Moslims, die christen worden, stellen zich er in vele landen op in dat iedere dag hun laatste kan zijn door een aanval van een islamist. In de koran is er echter geen enkel vers dat een aardse straf voor een afvallige voorschrijft; er zijn wel teksten over een straf in het hiernamaals, soera 2:217c. Moslims onderscheiden tussen de grote djihad (= inspanning), waarin de moslim eigen ondeugden bestrijdt, en de kleine djihad waarin hij voor Allah opkomt tegen zijn bestrijders met geweld.
Een christen strijdt met geestelijke wapenen voor Gods Naam en gebruikt geen geweld tenzij voor zelfverdediging om het antichristelijke rijk uit te roeien. Hij aanvaardt het martelaarschap als consequentie van zijn keuze en bidt voor zijn vijanden om bekering en ontferming zoals Stefanus, Hand. 7:60.

 

Oefening: 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27