Oefening: 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27

 

Gesprekken II - Oefening 22 (464-487)

Hoe oefent U, Messias, uw profetische ambt uit?

1. Gesprek als gebed. (464-466)

 

464. Welk ambt, Heer Jezus, hebt U als de Christus op aarde bekleed?
Ik werd tot Messias-Koning aangesteld door mijn Vader, Ps. 2; Joh. 17:4.
Ik voerde zijn heilsplan uit om allen, die Hij Mij toevertrouwde, Hem te doen kennen en te behouden, Luc. 2:11-14; 9:9-10; Joh. 6:26-59; 15:9-17; 17.
Ik kreeg de naam Jezus, omdat Ik mijn volk verloste van zonden en vijanden en over hen en de volken regeer, Mat. 1:21; Luc. 1:26-28; 19:9-10.

 

465. Heeft het U inspanning gekost uw opdracht onder uw volk uit te voeren?
Ik stuitte op ongeloof en zwaar verzet, toen Ik mijn volk tot mijn Vader trachtte terug te brengen en mij verhuld bekend maakte, Mc. 2; 6:1-6; Mat. 11:20-30.
Ik werd, toen Ik in mijn vaderstad Nazaret verkondigde dat Ik de Messias ben, bijna door de inwoners van een steilte in de afgrond geworpen, Luc. 4:14-30.
Ik werd bijna gestenigd als godslasteraar, omdat Ik mij Gods Zoon noemde, Joh. 10:31-41, en werd hierom uiteindelijk gekruisigd als vervloekte, Joh. 19:7.

 

465.1. Werd U vaak aangevallen door Satan?
Ik weerstond Satan, koning over de mensheid, en wierp hem uit de hemel, Luc. 4:1-13; 3:32-43; 7:18-23; 11:14-26; Joh. 8:1-59; 12:30-33; Openb. 12.
Ik werd aangevallen door demonen en dreef deze vaak uit, Mc. 1:1-34; 5.
Ik zweette bloeddruppels en stierf aan een schandpaal voor misdadigers om voor u vrijspraak en leven te verwerven, Mat. 16:21; 26:36-46; 27:47-53; Luc. 22:39-53; Joh. 3:14-21; 5:25-30.

 

466. Wat is het verband tussen uw ambt en persoon?
Ik heb Mij als Vaders Zoon vernederd en de gestalte van een zwak mens aangenomen om mijn ambt te vervullen, Luc. 2:1-14; Joh. 1:1-14; Fil. 2:1-11.
Ik was bij machte dit werk als Messias voor u te volbrengen omdat mijn Vader Mij toerustte met zijn Heilige Geest, Mat. 3:13-17; Luc. 3:21; 4:1, 14-21.
2. Wat betekent Jezus’ messiaanse ambt en wat is ons ambt? (467-472)

 

467. Wanneer, leraar, bevestigde de Vader zijn Zoon als Messias (= Gezalfde)?
Dat deed Hij na zijn doop door Johannes bij de Jordaan, toen Hij ongeveer dertig jaar was. Hij liet een duif uit de hemel op Hem neerdalen als teken dat Hij Hem begiftigde met de gaven van de Heilige Geest. Jezus werd op de Pinksterdag zelf de Doper met de Geest, Mat. 3:16b; Joh. 1:29-34; Hand. 2:5. Hij is net als een duif zacht, oprecht en eenvoudig, Mat. 10:16; 11:28, maar ook vol wijsheid en inzicht, beleid en sterkte, kennis en ontzag, gerechtigheid en trouw, Jes. 11;1-9. God de Vader proclameerde daarna: “Deze is mijn Zoon, de geliefde, in Wie Ik mijn welbehagen heb.”, Mat. 3:17, naar de profetie: “Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun, mijn uitverkorene, die Ik met genoegen gadesla.”, Jes. 42:1-4.

 

468. Waarom riep de Vader Hem uit tot de Zoon van zijn welbehagen?
Hij bevestigde daarmee voor omstanders openlijk:
a. dat Jezus, de Messias, zijn eigen Zoon is;
b. dat Hij Hem aannam als zoon van David, met wie Hij een innige band had; “David, mijn dienaar, heb Ik uitverkoren en met heilige olie gezalfd; mijn trouw en liefde zijn altijd voor hem.”, Ps. 89:21 en 25; en
c. dat Hij aan Hem zijn goedkeuring gaf als de vernederde, gehoorzame knecht die zich liet dopen en de profetie vervulde, Jes. 42:1-2.

 

469. Waarom liet de Vader Jezus dopen en wat betekent zijn doop voor ons?
Zijn doop was een onderdeel van zijn loopbaan en samenvatting-vooraf van zijn heilswerk. Deze komt overeenkomt met onze doop als bad van wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest, Titus 3:5b, maar heeft eigensoortige betekenissen.

 

469.1. Wat zijn de vijf betekenissen van Jezus’ doop?
Hij werd ons in alles gelijk behalve in de zonde en droeg als het Lam onze zonde weg, Joh. 1:29, 35; Hij vraagt van ons bereidheid om onze schulden in te zien en die te belijden, Hand. 2:37-40.
Hij vertegenwoordigde ons als één-voor-allen zoals Adam de mensheid, zodat wij met Hem ten onder gingen in zijn dood en herrezen in zijn opstanding, Rom. 6:1-14; Hij vraagt van ons bestrijding van onze knoestige aard, heiliging en ijver voor gerechtigheid.
Hij voldeed in onze plaats aan al Gods eisen of gerechtigheid, Mat. 3:15, opdat God ons zijn gerechtigheid zou toerekenen, Rom. 4, en vernieuwen, Ti. 3:1-7; Hij vraagt van ons geloof in zijn werk voor ons.
Hij nam ons door de doop met zijn Geest op in zijn gemeenschap en die van zijn lichaam de Kerk en vraagt zijn leden elkaar tot hand en voet te zijn, Mat. 3:11; Hand. 1:8; 1 Kor. 12-14.
Hij neemt ons in zijn vuurdoop mee in smaad en lijden, Mat. 5:1-16; 10; 2 Tim. 2:11-13, zodat volgelingen tegenspraak ondervinden.

 

470. Kreeg Jezus ook de titels van profeet, priester en koning?
Hij kreeg deze in een diepere zin dan ambtsdragers in het oude verbond.
Profeet. Hij is leraar en criticus van schriftgeleerden en volk, Mat. 5-7; 23, evenbeeld van zijn Vader, Joh. 1:18; Kol. 1:15-17, getuige van zijn heerlijkheid bij Hem, Joh. 17, en Zender van de Waarheidsgetuige, Luc. 25:48-49; Hand. 2:1-11; Joh. 16:13-15.
Priester. Hij stamt niet uit een geslacht van priesters, maar is priester-koning naar de orde van Melchizedek, Ps. 110; Hebr. 7, stortte zijn bloed voor ons, Joh. 10:11-18, en pleit voor ons bij de Vader, Hebr. 7:25.
Koning. Hij stamt uit Davids geslacht en kreeg de rang van eeuwig koning over zijn volk en de volkeren, Luc. 1:26-38; Mat. 28:18-20.

 

471. Krijgen kerkleden ook zulk soort titels?
Ja, zoals Hij Israël noemde zijn priesterlijk koninkrijk, Ex. 19:5, tekende Hij zijn gemeente met dezelfde trekken. U bent “een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk van Gods speciale eigendom om de roemruchtige daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, u, – voorheen geen volk van Hem, thans Gods volk; u, - voorheen verstoken van genade, thans begenadigd.”, 1 Pe. 2:9-10; Openb. 5:9-10.

 

472. Heeft de Kerk deze ambten ook beleden?
De meeste kerken kennen deze drie ambten en passen deze toe op het gedoopte volk Gods en in speciale zin op ambtsdragers. De Catechismus van Heidelberg, 1563, omschreef in zondag 12 de ambten van Christus en die van de leden.

 

472.1. Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde genoemd?
Omdat Hij door God de Vader gesteld en door de Heilige Geest gezalfd is
tot onze hoogste Profeet en Leraar, die ons het verborgen raadsbesluit en de wil van God aangaande onze verlossing volkomen geopenbaard heeft;
tot onze enige Hogepriester, die ons met het enige offer van zijn lichaam verlost heeft en met zijn voorbede steeds voor ons pleit bij de Vader; en
tot onze eeuwige Koning, die ons door zijn Woord en Geest regeert en ons in de verworven verlossing beschermt en bewaart.

 

472.2. Waarom wordt u een christen genoemd?
Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus ben en daardoor deel heb aan zijn zalving
opdat ik zijn naam belijd,
mijzelf als een levend dankoffer aan Hem geef,
met een vrij en goed geweten in dit leven tegen de zonde en de duivel strijd en hierna in eeuwigheid met Hem over alle schepselen zal regeren, Zo. 12, vr. en antw. 31-32.
3. Hoe verrrichte Jezus zijn profetisch ambt in zijn vernedering? (473-477)

 

473. Wat zijn de kenmerken van een pro-feet of spreker-namens?
Hij wordt door God geroepen tot zijn plaatsbekleder en spreekbuis, 474-475.
Hij springt als bidder voor anderen in de bres en pleit voor hen bij God, 476.
Hij is wetsuitlegger, klokkenluider en verkondiger van wel en wee, 477-488.
Hij is wonderdoener, die God openbaart, zichzelf en anderen legitimeert en twijfelenden bemoedigt, Oef. 23.

 

474. Waar stelde de HEER het ambt van profeet in?
Dat deed Hij ten tijde van Mozes, die model staat voor het ambt van alle profeten, Ex. 3-4. Hij legde door zijn Geest zijn Woorden in zijn mond, en gaf hem zijn broer mee als ‘zijn mond’. 4:14-16. Uniek was dat Hij tot zijn knecht Mozes sprak als zijn vriend van aangezicht tot aangezicht, 24:12-18; 33:11; 34:28; Deut. 34:10. Toen Hij zijn donderend stemgeluid deed horen onder tekenen op de Sinaď, vroeg het benauwde volk aan Mozes: ‘verzoek Hem toch of Hij voortaan tot één persoon wil spreken die als intermediair zijn boodschap aan ons overdraagt! ’God willigde Mozes’ bede in en stelde het profetenambt als instituut in met de belofte: ”Mijn Woord zal in uw midden nooit ontbreken.”

 

474.1. Wat zei de HEER over de profeet als intermediair tussen Hem en ons?
“Ik zal uit hun eigen broeders een profeet laten opstaan. Ik zal hem mijn woorden in de mond leggen en hij zal hun alles zeggen wat Ik hem opdraag. Ik zal van hem die geen gehoor geeft aan de woorden die deze profeet in mijn Naam spreekt, rekenschap vragen. Is er een profeet die zegt in mijn Naam te spreken zonder dat Ik hem opdracht heb gegeven, of die spreekt in naam van andere goden, - dan moet hij sterven, die profeet.”, Deut. 18:18-20.

 

475. Hoe was Jezus de tolk van zijn Vader en zijn wil?
Hij ging na de opwekking van de zoon van de weduwe in Naďn door voor een groot profeet, Luc. 7:16, maar betitelt zichzelf als de in heerlijkheid komende Mensenzoon, Luc. 7:34; 21:36; Mat 13:41; 26:46, Gods Zoon en Getuige van de heerlijkheid van de Vader. Wie Hem kent en ziet, kent en ziet ook zijn Vader, Joh. 1:14-18; 3:11-21; 5:36; 7:28-29; 14:9; 17:5,24; Kol. 1:13-17. Petrus zag in Hem belichaamd de aan Mozes beloofde profeet, wiens woord gehoorzaamd moet worden op straffe van uitroeiing uit het volk, Hand. 3:22-23. Hij verkondigde Hem als de enige redder van Gods toorn, Hand. 2:40; 4:12.

 

476. Hoe vervult Jezus zijn taak als voorbidder?
Zoals Mozes pleitte voor levensverlenging van zijn volk, Ex. 34:8, stelde Jezus als Herder zijn leven voor zijn schapen om hun eeuwig leven te schenken, Joh. 10:11-18. Hij pleit voor hun bewaring en eenheid, Joh. 17. De Vader schenkt ons de gaven die wij Hem vragen in Jezus’ naam, Joh. 14:13-14; Hebr. 7:25. Hij wees Jeremia’s smeekgebed om afwending van zijn toorn af. “Bid niet meer voor dit volk, het baat niet, Ik ben vastbesloten mijn strafgericht uit te voeren. “’, Jer. 11:14; 14:11; 18:20. Jezus trok zich Abrahams nakomelingen zeer aan en voorzei met smart Jeruzalems verwoesting, Luc. 21:1-35. Zijn voorbede voor Petrus’ behoud werd verhoord, Luc. 22:31-38; 54-65; Joh. 21:15-19; Hand. 12. De kenner van ons hart is ook onze voorbidder. “Vandaar dat Hij in alles aan zijn broeders gelijk moest worden om een barmhartig en trouw hogepriester te worden bij God en de zonden van het volk uit te boeten. Omdat Hij zelf de proef van het lijden doorstaan heeft, kan Hij allen helpen die beproefd worden.”, Hebr. 2:17-18.

 

477. Hoe verdiepte Jezus het profeetschap?
Hij verdiepte als leraar de wet, Mat. 5-7, maar steeg daar boven uit door zich Heer, Kurios, te noemen en werkers van ongerechtigheid de toegang tot Gods Koninkrijk te ontzeggen, Mat. 7:23. Zijn onderwijs maakte op de schare diepe indruk omdat Hij met volmacht sprak, Mat. 7:28-29.
Hij trad in het spoor van de gerichtsprofeten met zijn zevenvoudig Wee u over onrecht, Mat. 23, maar steeg daar boven uit door zich als Zender van profeten op één lijn te stellen met zijn Vader, Mat. 23:34.
Hij kondigde als profeten het oordeel aan, maar is meer dan deze; Hij scheidt als Rechter de mensheid door rechtvaardigen stralend Gods Koninkrijk te doen binnengaan en werkers van ongerechtigheid jammerend in de vuuroven te laten werpen, Mat. 5:1-16; 13:42-43; 18:8, 35; 25.
Hij zette de wonderdaden van Mozes voort, Ex. 1-15; Mat. 4:23-29, ook door de apostelen, Hand 2:43; 6:8; 2 Kor. 12:12, maar is meer dan wonderdoener; Hij openbaarde hierin zijn identiteit, maakte zijn Koninkrijk zichtbaar, legitimeerde gezondenen en bemoedigde twijfelenden, Oef. 23.
4. Wat was Jezus’ werk als Verhoogde Profeet rond Pinksteren? (478-484)

 

478. Welke arbeid verrichte Jezus tussen opstanding en hemelvaart?
Hij stuurde engelen om zijn verrijzenis te melden, Luc. 23:55-56 en 23:1-12.
Hij verzekerde door verschijningen zijn discipelen ervan dat Hij identiek was met de gekruisigde, Luc. 24:13-41; Joh. 20:10-20.
Hij onderrichtte hen over de betekenis van zijn dood en opstanding, Luc. 24:25-26. 43-46, en bereidde hen voor op hun taak als herders en verkondigers, Luc. 24:47-48; Joh. 21; Hand. 1:1-11, Oef. 26-27.

 

479. Wat deed Hij in de periode tussen hemelvaart en Pinksteren?
Hij completeerde het Elftal met Mattias als twaalfde apostel, ooggetuige van zijn werk en verrijzenis, Hand. 1:25-26. Hij bouwde zijn gemeente op zich Zelf als hoeksteen en op het fundament van profeten, evangelisten en apostelen, Hand. 1:1-4; 10:34-43; Ef. 2:19-22. De Kerk gaat voor haar verkondiging terug naar de door Hem aangewezen en toegeruste apostelen als ooggetuigen en grondleggers van de Kerk, Hand. 1-11.

 

480. In welke kringen stortte Hij zijn Geest al spoedig uit?
Hij deed dit in vijf kringen, tweemaal in Jeruzalem in de verbondskring op de Pinksterdag, eenmaal in Samaria onder een gemengd joods-heidense bevolking, eenmaal via een ambtenaar in Ethiopië en eenmaal in Caesarea onder de heidenen. Het ging in alle gevallen om het evangelie maar iedere gebeurtenis heeft een eigen kleur en spits.

 

481. Welke twee uitstortingen deed Hij op het volk in Jeruzalem?
a. Hij rustte eerst de gemeente van ongeveer 120 personen toe met de gave van de tongen(talen), Hand 1:15; 2:1-12. Zij waren al gelovig en hadden Gods Geest al ontvangen maar misten vrijmoedigheid en taalvaardigheid om de boodschap naar buiten uit te dragen. Door hun vrijmoedig spreken konden de uit vele landen afkomstige in Jeruzalem woonachtige joden en de Wekenfeestvierders in hun eigen talen horen wie Jezus is en wat Hij gedaan heeft, Hand. 2:14-40; 3-7.
b. Hij stortte kort daarop in een tweede doorbraak zijn Geest uit op ongeveer drie duizend joden, die Hem aanvaarden in geloof, Hand. 2:42. Hij gaf deze dus tegelijkertijd gaven van geloof, heiliging en toerusting. Zij vormden een bloeiende en groeiende gemeente van geredden als model voor de wereldkerk, 2:41-47; 4:32-35. De Geest dreef de gemeente met Petrus als woordvoerder aan om te getuigen van Jezus als enige Redder. “En in niemand anders is het behoud; want er is geen andere naam onder de hemel de gegevene onder de mensen waardoor wij moeten worden gered.”, Hand. 4:12.

 

482. Waar bewerkte de Geest de derde doorbraak?
Hij voltrok deze in Samaria onder een gemengde bevolking, Hand. 8:5-13; Joh. 4:1-42. Filippus had er wonderen verricht, Hand. 8:5-13. Petrus en Johannes legde de leden de handen op om de Heilige Geest te ontvangen, 8:14-25. Het tijdstip van de waterdoop valt niet altijd samen met dat van de Geestesdoop, al horen zij bij elkaar; de ontvangst van de Heilige Geest is nodig.

 

483. Wat is de betekenis van de doop van de hofambtenaar uit Ethiopë?
De Heer zond Filippus naar de weg die van Jeruzalem naar Gaza loopt om het continent Afrika te bereiken, Hand. 8:26-40. Daar trof hij een hofambtenaar uit Ethiopië, die Jesaja 53:7-8 hardop las. De Heilige Geest leerde hem en ons door deze evangelist dat Jezus de knecht van Jahweh uit Jesaja is, Hand. 8:32-35. Door deze ambtenaar drong het evangelie door in zijn land.

 

484. Wat bewerkte Jezus met de doorbraak in Caesarea?
De uitstorting aldaar is om drie redenen van groot gewicht, Hand 10-11:18.
a. De Drie-Enige zette zichzelf helemaal in op deze strategisch gewichtige plek. Lucas vermeldt de Vader tienmaal, de Zoon en de Heilige Geest minstens vier maal. Hij gebruikte gebeden, engelen en dromen, Petrus en gemeenteleden om juist hier een gemeente te vestigen.
b. Hij vormde in deze havenstad een gemeente opdat deze haar licht zou laten uitstralen in het Romeinse rijk. Caesarea stond in verbinding met de hoofdstad Rome, zodat West-Europa in het gezichtsveld van het evangelie kwam te liggen.
c. Hij doorbrak de tegenstelling tussen het uitverkoren volk Israël en de heidenen door uit proselieten een gemeente te vormen. Petrus moeite met deze doorbraak evenals de raad van joodse christen-presbyters, Hand. 10:9-16;11:1-18. Toch erkenden zij dat, als Gods Geest waait, niemand Hem kan tegenhouden, 11:17-18, tot onze bemoediging als we op weerstanden stuiten.
5. Hoe verricht Jezus zijn profetisch werk in onze tijd? (485-487)

 

485. Waarom strooit de Heer zijn Woord door steeds nieuwe vertalingen?
Hij gaf daartoe de stoot door het spreek- en hoorwonder in Jeruzalem, waar joden uit de omliggende landen aanwezig waren om het Wekenfeest te vieren. Zij vingen een geluid op alsof er een storm loeide en hoorden de apostelen en gemeenteleden over Jezus spreken in hun eigen landstaal. Zij konden dit niet verklaren omdat de vissers uit Galilea niet opgeleid waren om talen te spreken. Hiermee gaf Hij ons te kennen dat Hij het evangelie wil verbreiden in alle talen. De bijbel is al in alle grote talen vertaald maar nog lang niet in alle kleinere streektalen. Hij strooit zijn evangelie door de gelezen, vertaalde en verkondigde bijbel, die de Heilige Geest in de harten doet ingaan, Mat. 13, Oef. 28-38

 

486. Waarom drijft Hij mensen aan om de bijbel steeds weer te hertalen?
Hij maakt daardoor zijn Woord voor alle hoorders verstaanbaar en toegankelijk, Mat. 13:1-23. Zo was vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) in 1951 nodig omdat de drie eeuwen oude Statenvertaling beslist niet meer voor allen doorzichtig was. Ook de taal van het NBG verouderde; daarom verscheen in 2004 de interconfessionele Nieuwe Bijbelvertaling (NBV). De Geest vuurt ons aan de bijbel te hertalen, omdat Hij zijn Woord aan het hart en verstand van allerlei slag mensen in alle streken wil brengen. De Wycliffe bijbelvertalers richten zich vertalingen in honderden streektalen; zij heten naar John Wycliffe (1328-1384), die de eerste Engelse bijbelvertaling verzorgde. Er zijn jeugdbijbels, kinderbijbels en geďllustreerde bijbels nodig om allerlei kringen te bereiken. Hij oogst door begrijpelijke vertalingen meer vrucht. Waar Hij het Woord in goede aarde doet vallen, dragen hoorders honderd, zestig of dertig procent vrucht, Mat 13:23.

 

487. Wat is de Septuaginta?
Ongeveer een eeuw lang gebruikten Nederlanders de Luthervertaling van 1521 (NT) en 1534 (hele bijbel). Velen vonden deze in het Nederlands omgezette Duitse vertaling te vrij en drongen aan op een strakkere vertaling rechtstreeks uit Hebreeuws en Grieks. De Nationale Synode van 1618/19 besloot daartoe. Meer dan drie eeuwen was de Statenvertaling de volksbijbel, geautoriseerd en goedgekeurd door de Staten-Generaal op 29 juli 1637, vergelijkbaar met de King-James-Version van 1611, die op last van koning Jacobus I tot stand kwam. Zij werd in 1951 aangevuld met de vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap en in 2004 met de Nieuwe Bijbelvertaling, maar er zijn nog vele in taal vernieuwde, herziene statenbijbels in gebruik.

 


 

Bruin, C.C. de. De Statenbijbel en zijn voorgangers, Sijthoff’s Uitgeversmaatschappij N.V. 1937.
Buitenwerf Rieuwerd, Groot Nieuws Bijbel, Willibrordvertaling en De Nieuwe Bijbelvertaling, in: Met andere woorden, 23e jaargang, 2004, p. 3-10.
Jaakke A.W.G. en en E.W. Tuinstra (red.), Om een verstaanbare bijbel.
Nederlandse Bijbelvertalingen na de Statenbijbel, Nederlands Bijbelgenootschap, Haarlem, Belgisch Bijbelgenootschap, Brussel, 1990.

 

 

Oefening: 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27