Oefening: 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19a | 19b

 

Gesprekken II - Oefening 17 (324-350)

Hoe openbaart U zich in verbondszegen en verbondsvloek?

1. Gesprek als gebed. (324-326)

 

324. O, God van het verbond, hoe ontvangen wij de door u beloofde zegen?
Ik vervul mijn beloften aan Abraham en zijn gehoorzaam nageslacht dagelijks aan velen in allerlei weldaden, Gen. 12:1-3; Hand. 3:11-26; Rom. 4; Gal. 3-4.
Ik schenk u alle vruchten van de Geest die vraagt in de naam van mijn Zoon, Joh. 14:13-14; 15:16-17.
Ik verleen kracht aan mijn Naam waarmee dienaren u zegenen, Num. 6:22-27.
Ik vergeet uw liefdediensten niet en doe u eens stralen van vreugde in mijn Koninkrijk, Mat. 13:43; 25:31-41; Hand. 10:4; Hebr. 6:10; Op. 21 en 22.

 

325. Hebt U, HEER, ooit ongehoorzamen gestraft of zelfs uitgeroeid?
Ik heb, gekrenkt door onderschatting van mijn macht, een generatie van mijn volk veertig jaar door de woestijn laten trekken en uitsterven, Num.14.
Ik heb mij op de Midjanieten gewroken door allen behalve jonge meisjes te laten doden, omdat zij mijn volk tot ontrouw verleidden, Num. 22-25 en 31.
Ik heb meedogenloze Amalekieten laten uitroeien, Ex. 17:8-16; 1 Sam. 15; 30.
Ik heb Israël uit het Noordelijke Rijk laten wegvoeren naar Assyrië en Juda uit het Zuidelijke Rijk naar Babylonië , 2 Kon. 17, 24 en 25

 

326. Kunnen wij als in uw verbond ingewijden uw vervloeking over ons halen?
Ik word diep gegriefd, als u met Mij vertrouwd bent geraakt, met Mij breekt en u schuldig maakt aan verharding, Hos. 9-12; Mat. 13:11-17; Hebr. 10:28-31.
Ik laat uw kerkgebouwen afbreken, neem de kandelaar van het evangelie en de schatten van mijn Koninkrijk van u weg, als u geen vrucht opbrengt en geef deze aan hen die dit wel doen, Mat. 21:32-46; Openb. 2:1-7.
Ik werp u, verharden, met Satan in de vuurpoel, Mat. 13:41-42; 25:41; Openb. 20:7-15; 22:15.
Ik roep u daarom op: ‘Doe niet wat zij deden. Vertrouw en respecteer Mij en u krijgt mijn rijke zegen!’, 1 Kor. 10:1-10; Hebr. 3:7-19; Ef. 1.
2. Is succes zegen en pech vloek en behoren ze bij verbond en offers? (327-330)

 

327. Waarin verschilt, leraar, zegen van puur geluk en vloek van domme pech?
Stel, u mist door een file uw trein. ‘Domme pech’ - zegt de volksmond. Later blijkt dat deze trein met rampzalige gevolgen ontspoorde. Erkent u dan in dit gebeuren de Hand daarachter: ‘de HEER heeft mij bewaard voor een ramp?’, Ps. 121. Toch kan men bij dit ontsporen niet spreken van ‘vloek’, al is onzorgvuldigheid daarvan de oorzaak. Zegen en vloek hebben diepe wortels in Gods verbond. Zegenen is de opzettelijke actie van de Getrouwe, waarin Hij de liefde tot en gehoorzaamheid aan Hem beloont en het leven tot bloei laat komen, Ps. 67; 121; 127; 134. Vervloeken is zijn reactie op haat en ongehoorzaamheid met nare gevolgen; waar haat heerst, vallen doden, woeden oorlogen.

 

328. Waarom komen zegen en vloek voor in het kader van verbond en offers?
Dat komt vooral door de wisselwerking tussen de Getrouwe en zijn volk. Als Israël trouw aan Hem was, bloeide het volksleven; was het ontrouw, dan kwijnde het onder druk van vijanden, Deut. 28-31; Ps. 105-106. Omdat de Israëlieten nooit zonder zonde waren, beval de HEER hen door offers onopzettelijke overtredingen uit te wissen. Priesters moesten hen dan na gebrachte offers zegenen vanaf het altaar, Lev. 9:22-24.
Christus nam met zegenende handen afscheid van de apostelen na het volbrengen van zijn offer, Luc. 24:50-53. De Vader zegent door zijn Zoon, onze pleitbezorger, allen die Hem op hun beurt zegenen met offers van liefde en dank en zijn zegen uitstralen naar de naaste, Ef. 1:3-22; Hebr. 8-9; 1 Pe. 2:5.

 

329. Wilt u voorbeelden noemen, leraar, van voltrekking van zegen en vloek?
De HEER zegende de zevende dag, Gen. 2:3, maar voltrok de sanctie van het paradijsverbond in de doodstraf van allen, Gen. 3:17; 4:19; 1 Kor. 15:56, Oef. 9. Hij bewees de in het Sinaïtische verbond beloofde zegen aan duizenden die Hem liefhebben zoals het geslacht van Boaz, Isaï, David, Hizkia enz., Mat. 1:1-17, maar voltrok de eerder uitgesproken vloek aan zijn volk, Deut. 27-28; 30:19-30. Hij liet in 722 Samaria en in 586 Jeruzalem verwoesten, maar gaf zijn zegen aan een teruggekeerde rest en herstelde zijn verbond, Jer. 31-33; Hand. 2. Hij liet Bileam, die de vloek wilde uitspreken over zijn volk, Israël zegenen en trof hem zelf met de vloekdood bij een strafexpeditie, Num. 22-24; 25:16-18; 31. Niet alle rampspoed is vloek! God beproeft gelovigen en gebruikt leed voor zijn lof, vgl. Job; Ps. 73; Joh. 9, Oef. 7. Ook is zijn barmhartigheid groter dan zijn straffende gerechtigheid voor hen die erkennen en vertrouwen, Ps. 103, Neh. 9.

 

330. Hebben gebeden om Gods straf en vloek voor ons nog betekenis?
Ja, schurken trekken niet aan het langste eind. De Rechter stelt hen te-recht en helpt vertrapten aan recht, Ps. 5; 9/10; 56; 57; 58; 59; 69; 79; 94; 109; 140; 145. Jeremia’s gebed om Gods bestraffing van zijn hardnekkige volk met de dood van kinderen en soldaten is moeilijk te verwerken; toch is dit meer dan een personlijk wraakgebed; de voorbidder voor zijn volk werd één met zijn Toornende Zender, die hem beval op te houden met voorbeden te doen, Jer. 18:13-23. In het NT schuiven de apostelen wraakpsalmen niet als achterhaald aan de kant, vgl. Rom. 3:13-14 met Ps. 5:10. De HEER vervulde de aangekondigde vloek over verraders in Judas’ zelfmoord, Hand. 1:15-26, zoals Hij dat doet met verraders van vrienden, vgl. 1:20 met Ps. 69:26 en 109:4-8. Heiligen bidden om vergelding van martelaren aan schurken, Openb. 6:9-11.
3. Staat in de bijbel Gods liefde meer centraal dan zijn toorn? (331-337)

 

331. Sloeg de Heer in het nieuwe mildere tonen aan dan in het oude verbond?
Ook in het OT staat Gods liefde centraal, maar kan Hij ook ontzaglijk toornen, Ex. 34:6-7 (zeven maal liefde, twee maal straf). In Nahum 1:1-8 tekent de profeet negen maal Gods woede en straf voor vijanden van zijn volk. In het NT predikte Jezus zachtmoedigheid, vredelievendheid en tolerantie voor boeven, maar ook vergelding in de vuuroven, Mat. 5:1-12; 13:24-30; 36-43. Hij pleitte voor liefde voor vijanden en offerbereidheid tegenover elkaar als beelddragers, maar kondigde voor leiders als zonen van profetenmoordenaars ook zware tijden van oorlog aan als godsgericht, Mat. 23-24. Hij leerde zijn volgelingen te zegenen wie hen vervloeken en te bidden voor wie hen smaden maar voorspelde Jeruzalems vernietiging in 70 als vergelding voor haar verharding, Mat. 23:36-39; 24:1-2; Luc. 21:5-24 (‘ dagen van vergelding’). Hij vroeg vergeving voor soldaten en beloofde de misdadiger het paradijs, Luc. 23:43, maar zendt onvruchtbare vervloekten naar het eeuwige vuur, Mat. 25:41.

 

332. Volgden de apostelen een andere koers dan Jezus bij zegen en vloek?
Petrus predikte vergeving voor hen die betreurden dat zij hun messias hadden gedood, Hand. 2:37-39; 3:26, maar uitroeiing voor hen Gods gezondenen verachten, Hand. 3:23. Hij drong aan op geduld bij lijdende getuigen, 1 Pe. 3:13-17, maar sprak de doodstraf uit over liegende leden, Hand. 5:1-11. Paulus drong er op aan vervolgers te zegenen en kwaad met goed te vergelden, Rom. 12:14, 17, maar vervloekte boden van een ander evangelie, Gal. 1:8,9. Hij prees de weg van de liefde als voortreffelijk, 1 Kor. 13, maar vervloekte in dezelfde brief ieder die de Heer niet liefheeft, 1 Kor. 16:21.

 

333. Wat is de tweevoudige beweging?
In het verbond zijn twee partijen God en mens. Daarmee komen overeen twee bewegingen: een van omhoog naar omlaag en een in omgekeerde richting.
a. De Vader zond uit de hoge hemel zijn Zoon tot ons naar de aarde. Hij belaadde Hem met onze schuld en de vloek daarover in onze plaats en rekent hen die in Hem geloven zijn gehoorzaamheid toe, Rom. 4 (negen maal). Wie gelooft hoeft niet meer te zuchten onder de last van de breuk, omdat de Vader het verbond door en in de Zoon voorgoed herstelde.
b. De Zoon betaalde met zijn lichaam schuld en straf in onze plaats aan zijn Vader en verwierf voor ons eeuwige vreugde. Hij steeg daarna omhoog om als Middelaar voor ons bij de Vader te pleiten en ons te zegenen, Jes. 53; Mc. 10: 45; 1 Tim. 2:6; Joh. 1:29, 35; Rom. 3:21-29; 4; Gal. 3:13-14; 4:5; Hebr. 7- 10.

 

334. Droeg Christus de vloek voor heel de mensheid?
Hij deed dit voor de categorie mens, niet voor ieder hoofd voor hoofd. Zijn offer is voldoende voor aller verzoening en verspreidt zegen voor allen maar om aan het behoud deel te krijgen is geloof in Hem nodig, Mat. 8:5-13; 11:20-30; 12:22-37; 13:24-30; Joh. 3:14-21; Hand. 4:12; Rom. 10:5-13. We dienen het heil ieder te verkondigen zonder discriminatie met roep tot ommekeer, DL II, 5-6, BPKN, p. 204.

 

335. Wat spraken Levieten en volk uit op de berg Ebal?
Levieten: “Vervloekt wie de rechten van vreemdeling, wees of weduwe schendt! Vervloekt wie de voorschriften van deze Tora niet hooghoudt en niet volbrengt.”
Volk:“Wij bevestigen de waarheid daarvan met ons amen.”, Deut. 27:19,26.

 

336. Wat staat er van een gehangene en wat schreef Paulus daarover?
Tora: “Want een gehangene is door God vervloekt en u mag de grond die Jahweh uw God u in eigendom geeft, niet verontreinigen.’, Deut. 21:23b.
Paulus: “Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de Wet door zelf voor ons een vloek (= katara) te worden – want er staat geschreven: vervloekt is een ieder die hangt aan het hout - opdat in Christus Jezus de zegen van Abraham over de heidenvolken zou komen opdat wij de beloofde Geest zouden ontvangen door geloof.”, Gal. 3:13-14.

 

337. Wat schreef Deutero-Jesaja over de Knecht en hoe legde Filippus dit uit?
“Hij werd doorstoken vanwege onze opstandigheid, om onze zonden werd Hij gebroken. Zijn straf bracht ons vrede en welzijn, dank zij zijn striemen is er genezing voor ons. Wij dwaalden rond als schapen, ieder van ons is eigen wegen gegaan, maar de HEER heeft de schuld van ons allen op Hem laten neerkomen. Hij werd gefolterd, maar Hij onderwierp zich en heeft zijn mond niet geopend. Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed Hij zijn mond niet open. Door een onrechtvaardig vonnis werd Hij weggenomen. Wie van zijn tijdgenoten nam er notitie van? Hij werd weggerukt uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd Hij geslagen. Jes. 53:5-8.
Evangelist: “Verstaat u wat er staat, ginooskeis ha ana-ginooskeis?” ‘
Hofbeambte: “Hoe zou ik daartoe in staat zijn als niet iemand mij de weg wijst? “
Evangelist: “Filippus sprak hem toe vanuit deze tekst (= Jesaja 53: 7-8) en bracht hem de goede tijding aangaande Jezus.” , Hand. 8:30b, 31a, 35.
4. Wat leert het Nieuwe Testament over eeuwige zegen en vloek? (338-346)

 

338. Wat beloofde de aardse Jezus aan Marta en aan een misdadiger?
Hij presenteerde zich aan de zus van Lazarus als schenker van eeuwig leven.
Jezus: “Ik ben de opstanding en het leven, wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft zal niet sterven tot in eeuwigheid. Gelooft u dat?”
Marta: “Ja, Heer, ik ben ervan overtuigd dat U bent de Christus, de Zoon van God, de in de wereld komende” ‘, Johannes 11:24-27.
Misdadiger: ”Jezus, gedenk mij wanneer U in het Koninkrijk komt.”
Jezus: “Voorwaar, Ik zeg u: heden zult u met Mij in het paradijs zijn.”

 

339. Wat beloofde de hemelse Jezus aan de apostel Johannes?
Johannes: “Toen ik Hem zag, viel ik als dood aan zijn voeten. Maar Hij legde zijn rechterhand op Mij en zei:
Jezus: “Wees niet bang. Ik ben het, de Eerste en de Laatste, de Levende. Ik was dood en zie: Ik leef tot in alle eeuwigheid! En Ik heb de de sleutels van de dood en het dodenrijk.”, Openb. 1:17b.-18.

 

340. Heeft een bijna-dood-ervaring waarde?
Er zijn er die tijdens hartstilstand of andere oorzaak flitsen van de heerlijkheid beleven, heiligen herkennen en horen zingen. Deze ervaring kan voor de betreffende betekenis hebben maar alleen Gods beloften geven zekerheid. Er zijn er namelijk ook die in hun ellende ten onrechte de ervaring hebben dat zij verdoemd worden; ervaringen zijn niet altijd betrouwbaar.

 

341. Wat is de waarde van getuigenissen van uit de hemel teruggekeerden?
Zij bevestigen ons geloof. Mozes en Elia spraken als getuigen van het OT met Jezus over (de noodzaak van) zijn lijden en bemoedigden hem als hemelse heiligen met de komende paasheerlijkheid, Mat. 17:1-13. Heiligen, die op Jezus’ opstandingsdag velen verschenen, leverden het bewijs van het leven in het hiernamaals, Mat. 27:52-53. Toch overtuigen deze getuigenissen ongelovigen meestal niet. Wie niet naar de bijbel luistert, laat zich ook niet teruggekeerden overtuigen, Luc. 16:19-31. Alleen de Geest doet dit.

 

342. Is de hel een verdoemenis-op-termijn met bekeringskansen?
Neen, als in hetzelfde zinsverband eeuwig leven eindeloos geluk inhoudt, betekent eeuwig bij dood niet een beperkte tijd, Mat. 25:46. Dat de Barmhartige niet eeuwig vertoornd blijft op gelovigen betekent niet dat Hij verdoemden kansen tot ommekeer geeft. Nergens getuigt Hij van herroeping van zijn oordeel of alverzoening.

 

343. Kan een mens dit leven nog een keer overdoen voor herkansing?
Neen. Het hindoeïsme leert kansen voor ‘her-vleeswording’ of re-ïncarnatie. De HEER geeft de mens eenmaal het leven, beoordeelt hem eenmaal bij zijn dood en stelt dan een kloof tussen poel en paradijs, Luc. 16:19-31. Hij laat niemand zijn leven overdoen en plaatst geen verwisselbare zielen in nieuwe lichamen.

 

344. Wat bedoelt Paulus met de zin: “zo zal God alles in allen zijn?”
Als de Zoon alle kwade machten heeft onderworpen als Messias, heeft Hij zijn taak volbracht en onderwerpt Hij zich aan de Vader. Het betekent niet dat Hij alle goddelozen redt, 1 Kor. 15:28c; 6:9-11. Ook zijn hymne: ‘iedere tong zal belijden: Jezus is Heer’ Fil. 2:9-11, betekent niet dat God tegenstanders behoudt; want in hetzelfde hoofdstuk belijdt hij hun eeuwig verderf, Fil. 1:28; 3:19.

 

345. Leert de bijbel de hel als eeuwige absentie van ongelovigen?
Neen. Volgens Jehovagetuigen en groep evangelikalen verdwijnen goddelozen als rook in het niets en wordt de mens onsterfelijk door geloof in de Verrezene. Dit standpunt wijst de Kerk af. We kunnen de Alomtegenwoordige nergens onvluchten, ook na de dood niet, Ps. 139. Dood zijn betekent niet er niet-meer-zijn maar Gods gemeenschap missen, kind van Gods toorn zijn, Rom. 1:18-3:20; Ef. 2:1-4; 1 Tess. 1:4-10. Jezus waarschuwt niet tegen het risico van absentie maar tegen spijt wegens gemiste kansen. Hij spoort ons aan alle krachten in te spannen om Gods Koninkrijk binnen te gaan, Mat. 7:13-23; 18:1-9; 25: Luc. 13:23-30. Hij rekent eens af met hen die aan Hem geen gehoor gaven en laat hen laat hen boeten in het eeuwig verderf, 2 Tes. 1:6-10

 

346. Schrikt het u niet af dat het volgens de Heer met velen niet goed komt?
Dat brengt ons diep op de knieën. Wij krijgen geen nieuwe kansen in een volgend tijdperk. Hij plaatst ons niet voor loutering in een ander lichaam. Hij kent geen wederherstelling van alles (= apo-katastasis toon pantoon). Hij beëindigt geen hels tijdperk om verdoemden alsnog te behouden. De Rechter veroordeelde zichzelf niet in Christus’ kruis om alle goddelozen te bevrijden, maar houdt onbekeerden buiten zijn Rijk, Mat. 25:41; 1 Kor. 5:9-10; Op. 22:15b. Beslissend is wat Jezus hierover leert, Mat. 7:13-23; 10:28; 12:22-37; 13:36-43; Luc.13:23-30; 16:19-31 enz. De onbekeerde of dwalende aanvaardt dit niet; alleen door Gods Geest aanvaarden wij zijn paradijsbelofte en afwijzende beschikking van ieder die de leugen liefheeft en doet, Openb. 22:15.
5. Wat leren Kerk en Moskee over de tussentijd, hemel en hel? (347-350)

 

347. Wat leert de Rooms-katholieke kerk over hemel, hel, tussentijd en daarna?
Jezus daalde neer in de hel (Sjeool, Hades) om rechtvaardigen uit het oude verbond te bevrijden, niet om verdoemden uit de hel te halen of deze af te breken. De zielen van in doodzonde stervenden dalen onmiddellijk na de dood af in de hel voor eeuwige scheiding van God. Onvolkomenen, die sterven in vriendschap met God, ondergaan een loutering in het vagevuur (= purgatorium) om de heiligheid te verwerven, nodig voor het binnengaan in de hemel. De zielen in het paradijs zien God en pleiten voor de nog te louteren kerk. Op de oordeelsdag verschijnen allen voor de rechterstoel en heersen heiligen met Hem.

 

348. Wat leert de Protestants-Katholieke Kerk over hemel, hel en vagevuur?
Zij leert de eeuwige vreugde, direct bij het sterven in de hemel, later op de nieuwe aarde, voor allen die in Christus geloven; eeuwige verdoemenis is het deel van Gods vijanden, die daar zonder einde zijn gemeenschap missen. Zij verwerpt het vagevuur omdat de bijbel deze niet kent en God Christus’ volkomen heiliging gelovigen toerekent en schenkt, 1 Kor. 1:30. Zij wijst missen voor doden af en verkondigt dat Hij bij het eindoordeel zielen en lichamen verenigt in uitbundige heerlijkheid en zijn toorn voor goddelozen verschrikkelijk is, Augsb. Bel. h. 17; Heid. Cat. Zo. 22; NGB. Art. 37, Oef. 48-50.

 

349.-350. Wat leert de islam over hemel, hel en tussentijd?
Allah verdoemt de duivel, Iblis. In de tussentijd ondergaat de overledene veertig dagen ongemak in het graf vanwege zijn zonde en is dan buiten bewustzijn tot de oordeelsdag. Een versperring verhindert hen om terug te gaan om het beter te doen (contra reïncarnatie). In de moslim-hel met zeven verdiepingen is de bovenste voor moslims met een tijdelijke straf; deze wordt opgeheven zodra de laatste het paradijs binnengaat. In de andere verdiepingen zijn joden, christenen, afgodendienaars en huichelaars. De hel duurt eeuwig, maar volgens enige overleveringen gaan na loutering ook niet-moslims naar de hemel met als hoogste genot de Godssaanschouwing.

 

Oefening: 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19a | 19b