Oefening: 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19a | 19b

 

Gesprekken II - Oefening 15 (295-306)

Wat beoogt U met het verbond met IsraŽl op de SinaÔ?

1. Gesprek als gebed. (295-295.1)

 

295. HEER, waarom en hoe richtte U het verbond op met IsraŽl op de SinaÔ?
Ik maakte dit volk tot mijn privť-bezit en riep mijn heerschappij over hen uit.
Ik droeg hen op mijn naam door woord en gedrag uit te beelden en bekend te maken onder de volken, Ex. 19:5; 20:1; Deut. 7:6-8; Ps. 33; 67; 87; 97; 98.
Ik gaf hun een grondwet in de Tien Geboden, ging wonen in een speciaal daarvoor opgerichte tent en gaf regels voor de eredienst, Ex. 19-40.
Ik beloofde hen naar Kanašn te begeleiden en liet het verbondsboek voorlezen, waarmee het volk zijn instemming betuigde, Ex. 24:6.

 

295.1. Bent U, Almachtige, op de SinaÔ echt zelf in glorie verschenen?
Ik daalde neer op de top van deze berg onder bliksem en donder, vuur en bazuingeschal, opdat zij ontzag voor Mij zouden koesteren en vertrouwen dat Ik alle weerstanden op hun tocht zou overwinnen.
Ik riep mijn deugden uit aan Mozes en liet hem flitsen van mijn heerlijkheid zien zien zodat zijn gezicht schitterde en het volk hem respecteerde, Ex. 33 en 34.
Ik overdekte en vervulde de tabernakel en trok met hen op in de wolk, waarmee Ik hen overdag beschermde tegen de zon en ís nachts verlichtte, Ex. 40:34-38.
2. Hoe verliep de verbondssluiting op SinaÔ, hoe luidt IsraŽls credo? (296-297)

 

296. Welke afspraken maakte, leraar, de HEER met Mozes en het volk?
Jahweh: ďAls u naar mijn Woord luistert en mijn verbond nakomt, zult u van alle volken mijn particulier eigendom (= segoelah, zegel) zijn; want aan Mij behoort de aarde. U zult Mij zijn een koninkrijk van priesters en heilig volk. ď, Ex. 19:5.
Volk: ďAlles wat Jahweh zegt zullen wij volbrengen.Ē, Ex. 19:8.
Jahweh: ďIk kom naar u toe in een dichte wolk zodat het volk Mij met u hoort spreken en voor altijd vertrouwen in u zal krijgen. ď, Ex. 19:9.

 

296.1. Welke Woorden sprak God en uit welk boek las Mozes voor?
De Koning proclameerde de tien geboden als grondwet voor het volk, Ex. 20, en grifte later deze verbondswoorden in stenen platen, Ex. 34:28. Mozes las hen voor uit het Verbondsboek met rechtsregels voor huwelijk en gezin, slaven en vreemdelingen, handel en feesten, Ex. 21-24. Het volk antwoordde: ĒAlles wat de HEER zegt, zullen wij doen en ter harte nemen. ď, Ex. 24:7b. Daarna sprenkelde Mozes bloed over het volk en sprak: ďDit is het bloed van het verbond dat de HEER op grond van al deze woorden met u opricht.Ē, Ex. 24:8.

 

296.2. Hoe luidt IsraŽls Credo of het Sjemaí?
ďHoor (= Sjemaí), IsraŽl, Jahweh is onze God, de HEER is de Enige. U zult de HEER uw God liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en al uw krachten. De geboden die Ik u heden voorschrijf moet u in uw hart prenten. Spreek er met uw kinderen telkens opnieuw over, thuis en onderweg, als u slapen gaat en opstaat. Bind ze als een teken op uw hand en als band op uw voorhoofd. Grif ze in de deurposten van uw huis en op de poorten van uw stad.Ē, Deut. 6:4-9.

 

296.3. Waarom eiste, leraar, onze HEER de toewijding van zijn volk?
Hij heeft als hun Schepper-Redder recht op hun dank en gehoorzaamheid, Ex. 20:1-2; Deut. 5:6; Jes. 40:12-31.
Hij koos als Soevereine hen uit om anderen liefde te tonen, Deut. 10:12-22.
Hij had als de Enige recht op hun aanhankelijkheid, vertrouwen en eerbied en duldt als Jaloerse niet dat concurrenten hun hart in beslag nemen, Deut. 5:9.
Hij eist als Betrouwbare trouw in woord, handel en wandel, Deut. 10:20.

 

296.4. Wat zag de bezoeker die stadspoorten en huizen passeerde?
Hij leidt uit teksten, die soms bij Samaritanen nog op stenen geschreven worden (Ďgraffitií), af: Ďhier wordt Jahweh gediend!í Later bevestigde men aan de deurpost (= mezoezah) een metalen of houten koker. De naam van de deurpost ging over op de koker, met Deut. 6:4-9 en 11:13-21 erin; deze herinnert huisgenoten en bezoekers aan hun plicht en de zegen daarop, Num. 15:37-41; Deut. 11:21. Andere tekenen van Godsverering zijn de gebedsriemen (tefillim) met doosje of kokertje op hoofd en linkerarm.

 

297. Wat beoogde de HEER met het isolement van zijn volk onder de volken?
Hij wilde dat zijn eigendom uitblonk in eerbied en correct gedrag, Lev. 19.
Hij behoedde hen voor vermenging met heidenen en afgoderij om hen daardoor op lange termijn voor allen tot zegen te stellen, Deut. 7; Gen. 12:1-3.
Hij reikte zo de Kerk een combimodel aan van integratie en distantie, Oef. 16.
3. Waarom waarschuwde de HEER zo vaak tegen afgoderij? (298-299)

 

298. Wat is afgoderij?
Afgoderij is vervanging van de HEER door uitvergrote mensen of dingen in deze wereld (= seculum, secularisme), zoals familie en eigen kerk, geld en goed, waarop de mens vertrouwt, Luther, BPKN 66.
Het eerste gebod luidt: ď U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.Ē, Ex. 20:3. Daarin stelt de HEER scherpe dilemmaís:
Ik, Jahweh of ....Bašl-Astarte, Vruchtbaarheid en Sex en idolen;
Ik, de HEER of.... Welvaart, CarriŤre en Humaniteit;
Ik, Koning Jezus of....Koning Sport, Voetbal en Mammon!

 

298.1. Had afgoderij ook nare, ja vreselijke gevolgen?
Ja. Wie in IsraŽl aan afgoden offerde moest vernietigd, Ex. 22:19, wie anderen tot afval verleidde gestenigd, een stad met afvalligen verwoest worden, Deut. 13. Elia liet 450 bašlpriesters slachten, 1 Kon. 18:20-40. Afgoderij met de Tora, traditie en macht leidde tot moord op rechtvaardigen of profeten. Jezus noemde heel wat theologen zonen van profetenmoordenaars, Mat. 23:21. De Raad stenigde Stefanus vanwege kritiek op hun ongeloof en tempelverafgoding, Hand. 7. Wetsfanatici bedreigden Paulus, die eens instemde met Stefanusí doodvonnis, Hand. 8:1, omdat hij Jezus als Heer en Verlosser beleed, Hand. 9:23; 14:15; 22:22; 23:12-22. De christen geworden jood geldt als afvallige.

 

298.2. Heeft afgoderij nog verschrikkelijke gevolgen?
Ja, als men het zwaartepunt van God verlegt naar de mens, gaan het (groeps)ik en eigen traditie, sport en staat, wetenschap en publieke opinie alles overheersen als Ďgodí, Ďdictatorí. De HEER zelf raakt uit beeld. Hieruit komen bloedige oorlogen voort, ook religieuze en kerkelijke zoals in Europa en onder moslims.

 

299. Wat is beeldendienst en wat zijn de gevolgen daarvan?
Beeldendienaren stellen de HEER voor naar eigen zilveren idee of gouden ideaal zoals Ašron het gouden stierkalf, symbool van kracht, Ex.20:4-6; 23; 32. Gods Toorn brak los tegen hen zodat Levieten er drieduizend doodden, Ex. 32:26-29. Koning Jerobeam (10e eeuw v.C. ) richtte beelden op in Dan en Bethel om Hem te eren, 1 Kon.12. De HEER kondigde hierover het gericht aan, 1 Kon. 13. gaf in 722 v. C. Samaria in handen van de AssyriŽrs en verstrooide de tien stammen. Hij strafte (overgroot)ouders met de beeldvervalsing in de verkilling van (achterklein)kinderen, Ex. 20:5. Hij zegent generaties die Hem dienen naar zijn ware beeld in de bijbel en niet naar eigen idee, Ex. 20:6.
4. Wat wil de HEER met de overheid en gerechtigheid? (300-302)

 

300. Welke plaats gaf de HEER de overheid in het SinaÔtisch verbond?
Hij eiste eerbiediging van zijn Naam en gehoorzaamheid aan de geboden. Hij gaf de koning de titel Ďzooní om namens Hem zijn gerechtigheid toe te passen als straf voor rechtsverkrachters; als bijstand voor vreemdelingen, weduwen en hongerenden; en als bescherming van burgers tegen vijanden, Ps. 72; 146.

 

301. Betrof deze gerechtigheid ook het voorkomen of verhelpen van armoede?
Ja, het Oude Testament bevat richtlijnen voor een hulpprogramma.
God beloofde zijn volk zoveel zegen in de landbouw dat er genoeg voedsel zou zijn en er geen hongerenden of armen behoefden te zijn indien zij Hem als Eigenaar en Gever dienden in gerechtigheid, Deut. 11:19-17; 15:4-6. Er is een innig verband tussen de dienst aan de HEER, recht doen en stoffelijk welzijn.
Vervielen er toch volksgenoten tot armoede, dan moesten de met meer goederen gezegende hen bijstaan, Deut. 15:7-11, een aanwijzing om als kerken, volksgenoten en volkeren elkaar in nood en honger, op grote schaal bij te staan.
Om bezitsopeenhoping te voorkomen moesten crediteurs in het zevende jaar de schuld van debiteurs kwijtschelden, Deut. 15:1-2, 9. Hierin ligt een wenk om schulden van volken, die vanwege afbetalingslasten in steeds dieper armoede vervallen, te verminderen of deze kwijt te schelden.
Eigenaars moesten in het 49ste (50ste) jaar het door hen van anderen verworven bezit aan oorspronkelijke eigenaars teruggeven, Lev. 25:8-13; dit bevordert de bezitsspreiding over velen, Oef. 16, 321.

 

302. Gelden verplichtingen van oud-IsraŽl ook Joden van nu en de staat IsraŽl?
Niet in alles, wel in hoofdlijnen. Oud-IsraŽl is niet identiek met het huidige volk der Joden en evenmin met de in 1948 heropgerichte staat IsraŽl. God sloopte de scheidingsmuur tussen IsraŽl en de volken en liet vele wetten, ook die van het verbod van het eten van onreine dieren, vervallen, Hand. 2; 10-11; 15. Altijd geldig blijft de dienst aan Hem en zijn Messias en het recht doen aan alle groepen, Oef. 16 en 18.
5. Waarom had de HEER een paleis en vroeg Hij dierenoffers? (303-305)

 

303. Waarom was er een centraal heiligdom nodig?
De HEER wilde als Koning in een heiligdom (= mikdasj) of paleis - afbeelding van zijn hemelse woning - onder zijn volk verblijven, Ex. 25:8-9; Hand. 7:33, 48-50; Hebr. 8:5; 9:11, 24. Hij openbaarde zich in tabernakel en tempel en nam er de offers in ontvangst. Hij verenigde daar het volk in de lof op zijn Naam en remde daarmee ook de zuigkracht van de heidense eredienst. Eerst stond Hij IsraŽl toe offers brengen op elke heilige plaats waar Hij zijn Naam openbaarde; dus niet op alle willekeurige plekken, Ex. 20:24-26.

 

303.1. Bleef Gods paleis bestaan?
Nee, maar gaf het wel eeuwen een centrale plaats. Alle mannen moesten mannen drie maal per jaar voor Hem verschijnen op PŤsach, Wekenfeest en Loofhutten, Ex. 23:14-17; 34:18-26. Hij vervulde in de woestijn de tent met zijn heerlijkheid en leidde hen door een wolk als parasol en lamp, Ex. 34:34-38. Hij woonde in de tabernakel in Silo boven de ark, die door de Filistijnen werd buitgemaakt en elders teruggeplaatst werd, 1 Sam. 1-6. Hij woonde daarna in de tempel, gebouwd door Salomo in de het 480ste jaar van de uittocht (= ongeveer 933 v. C.), 1 Kon. 6. Hij liet zijn tempel in 586 v.C. verwoesten en later vervangen door een tweede, die Hij in 70 n.C. ook weer liet vernietigen, Oef. 16.

 

304. Waarom moest het volk miljoenen offers brengen?
Dit lijkt dieronvriendelijk, maar de HEER wilde geen mensenoffers zoals omliggende volken die aan hun goden brachten. Dieren namen de plaats van mensen in. God wilde door offers bevorderen dat het volk Hem meer heiligde; dankoffers hielden afhankelijkheid en toewijding levend: Ďal uw bezit hebt u aan Mij te danken!í Offers van schuld en uitwissing deden een beroep op hun geweten: Ďu kunt alleen met Mij omgaan als u geheel bent gereinigd!í Leviticus is gewijd aan Gods omgang met zijn volk. Hij voorafschaduwde in de offers het offer van Jezus Christus, door wie Hij als Vader met ons omgaat.

 

305. Welke vijf betekenissen van de offers staan voorop?
De eerste betekenis is die van solidariteit en gemeenschap. De offeraar vereenzelvigde zich met het dier en legde als teken daarvan zijn hand op zijn kop, uitte zijn dank of beleed zijn schuld.
De tweede betekenis is die van plaatsbekleding. De offeraar droeg zijn dank of schuld over op het dier, dat hij in zijn plaats als offer van dank of uitdelging slachtte; daarna sprenkelde de priester bloed tegen het altaar.
De derde betekenis is die van vertegenwoordiging. Hogepriester trad eenmaal per jaar het heilige der heilige binnen namens God en namens het volk om eigen zonden en die van het volk uit te delgen. Hij vertegenwoordigt zijn Zender HEER en vertegenwoordigde het volk als middelaar, Lev. 17.
De vierde is die van vergelding. De offeraar voldeed aan Gods eis als gebod en vergelding door de schuld in het offer uit te delgen of te wissen (kipper). God herstelde op grond van de bedekking, uitdelging of uitboeting door bloed als zetel van het leven de gemeenschap met Hem; dit heet in een vaste formule verzoening (kat-allagŤ) door voldoening. ĎZo zal de priester de uitdelging of reiniging voltrekken en wordt hem vergeving geschonken.í, Lev. 4:20, 26,31.
De vijfde betekenis is die van dankoffer. De offeraar verheerlijkt God door in een dankoffer zichzelf, de groep of het volk aan Hem te wijden, Oef. 16, 320.
6. Kende het SinaÔtisch verbond ook regels voor vreemdelingen? (306)

 

306. Hoe wilde God dat oud-IsraŽl met vreemdelingen in hun midden omging?
Hij wilde dat zij hulpbehoevende vreemdelingen goed en tegemoetkomend behandelden; velen hadden zelf de ellende daarvan zelf ervaren, Ex. 22:20; Deut. 10:18-19; Jer. 7:6; Ez. 22:7; Zach 7:10. Vreemdelingen hadden geen grondbezit, wel nagenoeg dezelfde rechten als de geboren IsraŽliet, Lev. 19:33-34. Zij waren verplicht om zich aan te passen aan de verering van de HEER.
Zij mochten op de sabbat geen slaafse arbeid verrichten, Ex 20:10, en bij de viering van PŤsach geen zuurdeeg in huis hebben, Ex. 12:18-20.

 

306. 1. Maakte men ook onderscheid tussen goedwillende en kwaadwilligen?
Asielzoekende vreemdelingen vormden een andere categorie dan de vijandige volken die gemeden, verdreven of gedood moesten worden, Ex. 23:20-23; Deut. 2:26-3:13; Richt. 6-8. Dit is een wenk om onderscheid te maken tussen asielzoekers en vluchtelingen in nood enerzijds Ťn profiteurs en kwaadwilligen anderzijds.

 

306.2. Geldt het gebod van uitroeiÔing nog steeds?
Neen, dit is achterhaald door de voortgang van de heilsgeschiedenis. God geeft thans de staat IsraŽl geen opdracht om geheel af te rekenen met vijanden zoals oud-IsraŽl dit moest doen in het boek Jozua. In de huidige bedeling van de Heilige Geest geldt dit gebod niet meer. De status van IsraŽl is totaal veranderd. Ook Israel moet rekening houden met de komst van Jezus als Messias, maar dit is niet tot allen doorgedrongen. Ook de veranderde samenstelling van de bevolking in Kanašn eist mensenrechten voor alle groepen.

 

Oefening: 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19a | 19b