Oefening: 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19a | 19b

 

Gesprekken II - Oefening 11 (218-235)

Hoe openbaarde U zich in het verbond met Abraham?

1. Gesprek als gebed. (218-220)

 

218. Met welk doel hebt U, HEER, Abraham geroepen?
Ik riep hem in Ur en Haran om een begin te maken met de uitvoering van mijn wereldwijde plan.
Ik beloofde hem:
ĎIk zal u tot een groot volk maken.
Ik zal u zegenen, u aanzien geven en u voor anderen tot zegen stellen.
Ik zal zegenen die u zegenen en vervloeken die u verwensen.
Alle geslachten op aarde zullen in u gezegend worden.í, Genesis 12:1-3.

 

219. Waarom richtte U daarna met hem een verbond op?
Ik achtte het nodig voor dit grootschalige project onze relatie vast te leggen in een afspraak van liefde en trouw op lange termijn met sancties.
Ik stelde hem aan tot vertegenwoordiger van het volk dat Ik uit hem zou doen voortkomen en tot vader van allen die Mij uit alle volken zouden aanbidden.
Ik bevestigde dit met het teken van de besnijdenis van alle jongens, Gen. 17.

 

220. Wat is, HEER, de betekenis van dit verbond voor uw mensheid?
Ik maakte mijn identiteit als God-van-Abraham, God-van-Isaak en God-van-Jakob tot grondslag en criterium van alle latere openbaringen.
Ik was voor velen uit IsraŽl en de volken tot-God als de hen begeleidende Vader, als verlosser in Jezus Christus en als Geest van gemeenschap.
Ik gaf hem en zijn nazaten voor altijd Kanašn in bezit als teken dat mijn volk op weg is naar de nieuwe aarde als land van beloften.
2. Waarom verbond de Almachtige zich met drie aartsvaders? (221-222)

 

221. Wat betekent, leraar, de belofte:ĎIk-zal-u-tot-God-zijní?
De Almachtige kondigde af: ĎIk ga met u en uw nakomelingen een vaste relatie van liefde en trouw aan!í, Gen. 17:7. Zoals een kind een vader en moeder krijgt, zo koos de HEER zijn volk om dit zijn liefde en hulp te tonen zonder van te voren te vragen of het daarmee akkoord zou gaan. Hij verwachtte van hen daarop wel als antwoord liefde, trouw en vertrouwen.

 

222. Waarom verbond de HEER zich met de drie aartsvaders?
Hij maakte zich vier eeuwen na Abraham aan Mozes bekend als: ĎIk ben God-van-Abraham, God-van-Isaak en God-van-Jakobí om daarmee zijn vertrouwen te wekken: ĎIk ben kenbaar aan deze namen en ben nog steeds dezelfde!í, Ex. 6:3. Jezus bevestigde door het aanhalen van dit woord aan Mozes dat de HEER God-van-de-aartsvaders blijft, ook bij en na de opstanding, Mat. 22:31-32. Dit drietal wijst als eenheid naar de Drie-Ene:
Abraham, vader van Isaak en alle gelovigen, wijst vooruit naar God de Vader.
Isaak, de offerbereide zoon, wijst vooruit naar God de Zoon en zijn offer.
Jakob, derde aartsvader, voor wie Hij de hemel opende, wijst vooruit naar God de Heilige Geest, die eeuwig met de Kerk is, vgl. Gen. 28:15 met Mat. 28:20; Oef. 1 en 34.
3. Hoe werkt de Getrouwe en Vrijmachtige in zegen en vloek? (223-225)

 

223. Wat is het verschil Trouw en Vrijmacht?
Als Getrouwe handhaaft de HEER zijn verbond zo zeker als Hij de zon volgens een vaste orde zijn loop doet nemen tot verlichting van de aarde, Jer. 31:31-37. Hij verbrak de relatie met IsraŽl niet, toen velen Hem vaarwel zeiden. Hij liet in heilige toorn hen in rampspoeden voelen hoe erg het is wat zij Hem aandeden en gaf hen over aan zichzelf, maar bouwde uit de trouwe Ďrestí een nieuw volk, Jes. 1:9; 4:2; 10:22-23; Rom. 9:27. Als Vrijmachtige is Hij vrij om over hen te beschikken. Hij zegent rechtvaardigen en vervloekt hardnekkig afkerigen. Het verbond is geen automaat: het spreekt niet vanzelf dat kinderen van gelovigen dezelfde weg gaan als gelovige ouders. Hij snoeide takken uit IsraŽl - de edele olijf - en ent gelovigen uit de heidenen - de wilde olijf - op IsraŽl en kan takken van de wilde olijf wegsnoeien en gelovigen uit IsraŽl weer op de edele olijf enten, Rom. 9-11.

 

224. Voerde de HEER zijn beloften en bedreigingen ook uit?
Hij bevrijdde zijn volk uit Egypte, Ex. 14-15, begeleidde hen in de woestijn, gaf hun voedsel (manna) en leste hun dorst, Ex. 16; Ps. 105-106. Als boete voor hun wantrouwen liet Hij hen veertig jaar zwerven in de woestijn, Num. 14. Hij gebood de stammen Simeon, Levi, Judas, Issakar, Jozef en Benjamin op de berg Gerizim zegeningen uit te spreken ter bemoediging voor de toekomst, Deut. 27:11-12, 28:1-14. Hij heeft hen vele jaren rijk gezegend in Kanašn met welvaart. Hij beval Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali op de berg Ebal vervloekingen om hen af te schrikken van afval, Deut. 27:13-26; 28:15-68. Hij stuurde bij ontrouw vijanden op hen af om hen tot inkeer te brengen en deporteerde hen wegens ontrouw, Deut. 29:27-28; 2 Kron. 36:16-21; Ps. 79.

 

224.1. Gelden zegeningen en vervloekingen ook in het nieuwe verbond?
Jezus Christus zegent rechtvaardigen. ďKomt, gezegenden van mijn Vader, neemt het Koninkrijk in bezit dat vanaf het begin van de schepping voor u klaar ligt.Ē, Mat. 25:34. Hij vervloekt hen die in gebreke bleven om goede werken te doen. ďGa weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwige vuur, dan aangelegd is voor de duivel en zijn engelen.Ē, 25:41; Oef. 12 sub. 241; Oef. 17.

 

225. Wat zijn bedelingen van het verbond?
Dit zijn tijdperken met beloften en geboden die de HEER in een volgend tijdperk afschafte of achterhaalde. Zoín bedeling, huishouding of oikonomia (oikos = huis) heeft eigen regels. Zo wisselde Hij de SinaÔtische bedeling van de wet (de Ďletterí) voor IsraŽl af met die van de Heilige Geest voor IsraŽl en de volken, Hand. 2; 10; 15; 2 Kor. 3. Hij liet voor IsraŽl spijswetten en een strenge sabbatsviering gelden, die voor de Kerk niet meer gelden, Hand. 10. Deze viert de zondag als dag van Jezusí opstanding.
4. Is iedereen lid van het genadeverbond of uitverkoren? (226-230)

 

226. Is ieder mens deelgenoot van het genadeverbond?
Nee, de HEER richtte het werkverbond op met alle beelddragers, maar zijn genadeverbond met Abraham, zijn volk, alle gelovigen en de kring om hen heen. Hij roept wel ieder op om in zijn Zoon te geloven en van dit verbond deelgenoot te worden, Joh. 3:16-21; Rom. 5:12-6:14; 2 Kor. 5:11-21; 2 Pe. 3:9.

 

226.1. Is Ďpartnerí een geschikte term voor de mens als relatie van God?
Nee, deze is ongeschikt omdat deze gekleurd is door gelijkwaardigheid. De Almachtige en zijn beelddrager zijn geen gelijkwaardige partners. Daarom verdient deel-, gunst- of bondgenoot de voorkeur. God heeft bij de schepping zijn vrijheid of macht niet ingekort ten behoeve van de mens. Hij smachtte niet naar een Ďpartnerí. Hij heeft ons niet nodig en is niet van ons afhankelijk. De Soevereine hield de teugels in handen, toen zijn mensen ongehoorzame kinderen van zijn toorn werden.

 

227. Bleef het verbond een eenheid, toen het volk in groepen uiteenging?
Ja, dit is ondeelbaar. Na Salomo viel IsraŽl uiteen in twee delen, het Noordelijke rijk van EfraÔm, het Zuidelijke van Juda, 1 Kon. 11-12; beide gingen in de cultus eigen wegen maar braken Gods verbond niet in tweeŽn. In 722 viel Samaria, hoofdstad van het Noordelijke rijk, in 586 Jeruzalem, hoofdstad van het Zuidelijke rijk, maar de HEER herenigde de verstrooide schapen onder ťťn Herder, Ez. 34:23-33; 37:15-28; Joh. 10:1-18. Alle kerken behoren als familieleden tot dit ene ondeelbare genadeverbond, Oef. 12 sub. 244.

 

228. Wat voor waarde heeft de besnijdenis?
De verbintenis met Abraham heet verbond van de besnijdenis (= berieth ham-mielah) omdat een deel van de huid van het geslachtslid verwijderd werd. Dit was het teken van de Getrouwe in het lichaam: Ďu en uw vruchtbaarheid horen aan Mij, Jahweh.í Het versplinterde joodse volk dankt mede aan dit teken van zijn liefde zijn saamhorigheid; het blijft een roep tot toewijding aan Hem. Messiaanse christenen laten jongens besnijden en kinderen dopen, Oef. 12 en 40.

 

229. Is het verbond hetzelfde als uitverkiezing?
Neen, het verbond is breder van omvang. De ambtelijke verkiezing van IsraŽl tot volk Gods en van de enkeling tot koning valt niet samen met de persoonlijke (uit)verkiezing. Binnen het verbond zijn uitverkorenen en verworpenen. Jakob en Ezau bewandelden tegengestelde wegen, Gen. 25-36. Saul, deelgenoot van Gods verbond en ambtelijk gekozen tot koning, ging in tegen de HEER, 1 Sam. 9-31. Deze zet bij afval zijn verbond voort met de trouwe kern, Jes. 1:9; 4:3; 6:8-13 (stronk), 10:21-22 (rest). ďZo geldt ook in dit tijdsgewricht: een rest is overgebleven dank zij de uitverkiezing (ek-loge) van genade.Ē, Rom. 11:5.

 

230. Waaruit blijkt het missionair karakter van het verbond?
De HEER beloofde Abraham alle geslachten van de aarde in hem te zegenen, Gen. 12:3. Hij maakte hem tot vader van alle gelovigen uit alle volken, Gen. 17:4-5; Rom. 4. Hij stortte zijn Geest uit op Joden uit de omliggende landen als eersteling uit de volken en vervulde daarmee zijn beloften aan Abraham, Hand. 2:39; 3:24-25; vgl. Gen. 12:3; 17:5-6; 18:18; 22:18; 26:4; Gal. 3:8. Hij bewerkte de eerste grote doorbraak van gelovigen uit de heidenen, die als proseliet of jodengenoot een link hadden met het verbond, in Caesarea, Hand. 10. Hij zond als eerste zendelingen onder heidenen joden uit, Barnabas, Simeon, Lucius, Saulus, Hand. 13:1-3, Oef. 12 sub 247, Oef. 26-28.
5. Gelden de landbeloften voor de huidige staat IsraŽl? (231-235)

 

231. Blijft de landbelofte gelden voor IsraŽl?
Ja, de HEER vervult voorzeggingen meermalen. Abraham nam het hem beloofde aardse Kanašn niet in bezit maar trok naar het eeuwige Kanašn van de volkomen vervulling, Hebr. 11:8-11. IsraŽl kreeg Kanašn onder Jozua in beheer als pachter van de Landeigenaar. ďVerkoop van het land mag terugkoop niet uitsluiten; want het land behoort aan Mij, u bent er vreemdelingen (geriem) en gasten (tosjabim),í, Lev. 25:23. Toen de pachters slechte vruchten voortbrachten en zich op hun erfdeel niet als waardige erfgenamen gedroegen, verdreef Hij hen door AssyriŽrs en BabyloniŽrs in de zevende/zesde eeuw v.C., 2 Kon. 25; Ez. 21-22.
Hij liet een rest naar Kanašn terugkeren, Ez. 37, onder koning Cyrus (= Kores), Ezra 1, maar verdreef hen na zes eeuwen opnieuw met gruwelijk geweld door Romeinen in 70 n. , Luc. 21:16-21. Omdat Hij de profetieŽn meervoudig vervult, kan IsraŽls hervestiging in Kanašn in de 19e/20e eeuw daaronder vallen, maar altijd gaan samen de geestelijke en nationale herleving, Ez. 36 en 37.

 

232. Behoort Kanašn nog aan het volk van Abraham?
De eigenaar Jahweh verpacht dit aan vertrouwden en verwacht dat deze pachters vruchten opbrengen voor Hem, Jahweh, de Vader van Jeshuah hamassiach, Gen. 12:1-3; 15:12-19; 17:1-8; 35:9-15.; Ex. 3:6; Ez. 37:25-27; Joh. 5:19-47; Rom. 9-11. Hij gaf dus nieuw-IsraŽl landrechten, maar kan die terugnemen, als dit Hem niet dient; landbezit en godsgemeenschap zijn onafscheidelijk verbonden; indien het geestelijk leven niet opbloeit, kan er een volgende catastrofe en Diaspora volgen. Abraham kreeg in een visioen een scherp omlijnd beeld van de geografische omvang van het beloofde land, Gen. 15:19-20, maar de grenzen waren later elastisch en vloeiend. De staat IsraŽl dient rekening te houden met politieke omstandigheden en inwoning.

 

233. Wat zegt u, leraar, van de vervangingsleer?
Jezus waarschuwt IsraŽl en de Kerk dat zij hun erfenis door ongehoorzaamheid verspelen, Mat. 21:33-46. Dit houdt geen vervanging in om drie redenen.
Volgens de restleer zet de Getrouwe zijn verbond voort met de heilige vitale rest als deel voor het geheel; dus is er dus continuÔteit tussen verleden en heden.
Volgens de entleer ent Hij gelovigen uit de volken als vreemde takken op de edele olijf, en zet Hij zijn verbond daarin met de eerst rechthebbende voort; dus is de continuÔteit tussen het tweede en eerste verbond groter is dan de breuk.
Volgens de meervoudige vervullingsleer maakt Hij zijn beloften meermalen waar in de weg van ommekeer en ontferming en kan Hij ook afvallige takken enten op de edele olijf zodat er ook in dit opzicht er continuÔteit is, Neh. 9.

 

234. Welke groepen hebben een kopgroepfunctie?
Messias belijdende joden en Palestijnse christenen mogen het voortouw nemen voor verkondiging van Jesjoeah ha-massiach in de staat IsraŽl.

 

235. Waarom is meer informatie nodig voor Moslims?
Onbekend met de landbelofte menen zij dat Kanašn valt onder het gebied van de islam en door het Westen aan haar is ontrukt. Waarom leest men op school en in de moskee niet eens bijbelgedeelten over de landbeloften aan IsraŽl? Dan krijgen de aanwezigen meer begrip voor de overtuiging van IsraŽliís en de positie van de staat IsraŽl in het Midden-Oosten, Gen. 12-50; Ex. 3:6-9; Deut. 32; Jer. 31-33; Ez. 36-38; 37:25-28; Luc. 21:24; Rom. 9:1-5, Oef. 13-14.

 

Oefening: 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19a | 19b