Oefening: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8a | 8b

 

Gesprekken II - Oefening 1 (1-21)

Wie bent U, Geheimzinnige, en hoe bent U te kennen?

1.Gesprek als gebed. (1-1.1)

 

1.Wie bent U toch naar Wie de mensheid op zoek is?
Zoek Mij in het heelal als spiegel van mijn grootheid!
Als het u niet gelukt Mij daar te vinden, - zoek Mij dan in de mens, die Mij weerspiegelt in liefhebben, weten en beheren.
Gelukt het u niet om Mij in mijn beelddragers te herkennen, - lees dan de verhalen rondom de aartsvaders Abraham, Isaak en Jakob.
Ga eens na hoe Ik Mij in de omgang met hen liet kennen.

 

1.1. U maakt mij nieuwsgierig: wat deed U met hen?
Ik sloot met hen een verbond, dat de tot op de dag van vandaag de geschiedenis van Israël en de mensheid kleurt en voortstuwt.
Ik heet voor eeuwig naar deze drie aartsvaders, Genesis 12-50; Exodus 3:15; Matteüs. 22:30-32; Handelingen 7, Oef. 11; 12.
2.Wie is de God-van-Abraham, God-van-Izaak, God-van Jakob? (2-6)

 

2. Wanneer, leraar, noemde de HEER zich God van de aartsvaders?
Hij openbaarde zich aan Jakob als God van zijn grootvader en vader, toen deze op de vlucht was voor zijn tweelingbroer Esau, die hem wilde vermoorden om zijn diefstal van het eerstgeboorterecht door bedrog. Hij zei: “Ik ben Jahweh, God van uw (groot)vader Abraham en God van Isaak.”, Gen. 28:13a. ‘Die namen ken ik!’, dacht Jakob, ‘nu weet ik wie er met mij contact maakt en dat ik niet alleen ben.’

 

2.1. Noemde Hij zich vaker met deze naam?
Hij presenteerde zich vier eeuwen later aan Mozes, herder en vluchteling in de woestijn van de Sinaï in een brandende braamstruik. ”Ik ben de God van uw vaderen, God-van-Abraham, God-van Isaak en God-van-Jakob.”, Ex. 3:6; 3:16. Hierop beriep zich meer dan twaalf eeuwen na Mozes Jezus Christus om aan te tonen dat Hij de God is van levenden (ook van levende aartsvaders), niet van doden, Mat.22:31-32.

 

2.2. Gaf de HEER, leraar, dit drietal een sleutelpositie?
Ja, Hij gaf hun deze sleutelrol in de heilsgeschiedenis, in het Godsbeeld en in de bijbel. Zij vertegenwoordigen de God van het verbond, zijn verbondsvolk Israël en zijn volk uit de volken. Hij maakte zijn beloften van gemeenschap, hulp en vruchtbaarheid aan hen waar. Hij zegende Abraham, vader van alle gelovigen, Gen. 12-22; Rom. 4; Gal. 3; Isaak, Gen. 21-26; Jakob, Gen. 27-50; heel Israël en in hen alle volken, Ps. 87; Jes. 56:1-8; Hand. 2-28; Ef. 2-3. Zij voorafschaduwen God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Petrus greep op de Pinksterdag terug op de verbondsbeloften. ‘De HEER heeft Jezus verhoogd tot Heer en troongenoot en schonk zijn Heilige Geest aan gelovigen uit Abrahams volk’, Hand. 2:14-40; 10-11. Bij de wording van de eerste gemeente uit heidenen in Caesarea bracht Lucas alle Drie personen als sprekende, handelende of verkondigde personen in beeld, Hand. 10. De Vader vermeldt hij minstens vijftien maal, Hand. 10:2, 3, 14, 15, 28, 31, 33, 34, 38, 39, 40, 41, 42; Jezus Christus en de Heilige Geest minstens vier maal, 10:19, 36, 38, 42, 43, 44, 45, 47, 48. De God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob bleek identiek te zijn met God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest.

 

2.3. Hoe wisten, de door God aangesprokenen dat Hij het was?
Hij legde door zijn Woord en Geest zo beslag op hen dat zij vertrouwden dat Hij het was wie Hij voorgaf te zijn, Gen. 12-17; Ex. 3:14-15; 30:2-3. Hij bevestigde in openbaringen en wonderen zijn profiel van God-van-Abraham, God-van-Isaak en God-van Jakob, Ex. 3:6,15; 4:3; Ps. 105; Mat. 22:31-32; Hand. 2-11, Oef. 23.

 

3. Waarom presenteerde de HEER zich als ‘ God-almachtig’?
Hij vestigde daarmee Abrahams aandacht op deze deugd, Genesis (= Gen.) 17:1 v. Welke gedachten komen er bij u op als u Hem tot een bijna honderdjarige hoort zeggen: ‘u zult bij uw onvruchtbare negentigjarige vrouw een zoon krijgen.’?, Gen. 18:10. Hij deed de spotlachende Saraï en kring om haar heen beschaamd blij lachen, Gen. 21:6; vgl. 18:13-15, en drukte ironie en vreugde uit in de naam Isaak: ‘Hij lacht’ of ‘Hij doet lachen’. Abraham, vader van vele volken en gelovigen, voorafschaduwt de Vader van zijn Zoon, tevens zijn nazaat, Mat. 1:1-17, de Almachtige, van wie we alles mogen verwachten en alle zorgen wegneemt, Jes. 40:12-31

 

3.1. Liet de Almachtige mensen vaak juichen om verrassingen?
Heel vaak! Hij wekte de vreugdelach bij Israëls uittocht uit Egypte, Exodus 14-15, en bij Gideon en zijn volk verwondering en gejuich door de overwinning van driehonderd soldaten op de overmachtige vijand, Richteren 6-7. Hij deed een leger engelen juichen bij Jezus’ geboorte en maakte herders blij met het bericht van de komst van de Messias, Luc. 2:1-14; Openb. 19. Hij wekte op 9 november 1989 uitbundige vreugde bij de mensheid na de spanningsvolle tijd van de koude oorlog door de val van de muur in Berlijn, waarvan de bouw op 12/13 augustus 1961 was begonnen. Hij haalde kort daarna, in 1991, ook het ijzeren gordijn, dat Oost en West-Europa scheidde, neer tot opluchting van miljoenen. Uit deze daden blijkt dat de Almachtige gebeden verhoort en meer bewerkt dan wij kunnen bidden of bedenken, Ef. 3:14-21.

 

4. Hoe toonde de HEER zijn identiteit aan en door Isaak?
Isaak belichaamt de Eisende en Beproevende, Beschikkende en Verlossende God. Hij eiste van Abraham en Isaak het offer van de zoon van de beloften maar zegende hun geloof door zelf aan zijn eis te voldoen met een plaatsvervangend offer, Gen. 22:1-19. Hij wees daarmee vooruit naar de offers in de tempel en de vervulling daarvan in Jezus’ offer in onze plaats, Joh. 3:16; Luc. 21:43-47; Hebr. 4-10. Isaak belichaamt ook Gods leiding in het beschikken van een gelovige echtgenote door het optreden van een zorgzame vader, wijze bemiddelaar en engel, Gen. 24.

 

5. Hoe toonde de Getrouwe zijn identiteit aan en door Jakob?
Hij deed zich aan hem kennen in een droom op zijn vlucht naar Haran in Syrië, Gen. 28:10-22.
a. Hij toonde hem daar de God-van-gemeenschap in een ladder met de top in de hemel en daarop neerdalende en opstijgende engelen. Ook Gods Zoon leefde onder een open hemel: engelen stegen op een daalden neer boven de mensenzoon, Joh. 1:51. Jezus beloofde ons: ‘Ik ben met u alle dagen tot de voleinding van de wereld.’, Mat. 28:20b; Jh. 15:26 tot 16:15; Rom. 8. De Geest van gemeenschap woont in ons, 2 Kor. 13:13
b. Hij bevestigde de aan Abraham en Isaak gedane beloften van zijn leidend herderschap. ‘Ik ben met u; Ik zal u behoeden waar u ook bent en u terugvoeren naar dit land (= Kanaän). Want Ik zal u niet verlaten tot Ik mijn belofte heb vervuld.’, Gen. 28:15.
c. Hij openbaarde zich aan de bedrieger Jakob als Rechtvaardige, die zondaren kan doden maar schuldbewuste strijders rechtvaardigt ten leven, Gen. 32:23-33; Rom. 3-5. Na zijn worsteling bij de Jabbok noemde God hem Isra-El (= ‘hij strijdt met God’), 32:29, een naam die overging op (een deel van) het volk als strijders voor Jahweh.
Aan de hand van de ervaringen van deze patriarchen herkent u de Getrouwe, die met ons eeuwig omgang heeft, als de IK-BEN-ER-BIJ vaak tot uw verrassing soms tot uw verbijstering, Ex. 3:6- 5; Jes. 43-44; Mat. 22:31-32; Rom. 4; Openb. 4-22.

 

6. Verwijzen zij ook als eenheid samen naar de Drie-Enige?
Zij belichamen Hem in de Midden-Bronstijd en wijzen naar de Ene in drie personen in alle tijdperken. Ieder van hen drukt afzonderlijk een deugd, meerdere deugden of zelfstandigheid van Hem uit; samen geven zij een veelzijdig beeld van Hem. Abraham, vader van vele volken en gelovigen, voorafschaduwt de Almachtige Vader van de Zoon, tevens zijn nakomeling, en de rechtvaardiging door het geloof, Mat. 1:1-17; Rom.4. Isaak, de gehoorzame, voorafschaduwt God de Zoon, die zich tot de dood toewijdde aan zijn Vader en rijk beloond werd met zijn opstanding en verhoging boven alle machten, Hand. 2:22-36; Hebr. 11:17-19. Jakob, voor wie Hij de hemel opent, voorafschaduwt de Geest van gemeenschap, rechtvaardiging en heiliging in de strijd tussen de neiging ten kwade en die ten goede, Mat. 28:20; Rom. 1:18-8:17.
3. Wat betekent Jahweh? Hoe deed Hij zich aan ons kennen? (7-11)

 

7. Hoe wilde God voor altijd worden aangesproken?
Toen Hij aan Mozes verscheen, vroeg deze: ‘Hoe is uw Naam?’ God antwoordde daarop eerst: ‘Ik-ben die Ik-ben’, Ex. 3:2. Daarna gaf Hij hem opdracht om Hem aan zijn volk bekend te maken met de Hebreeuwse naam JHWH. ”Jahweh, de God van Abraham, God van Isaak en God van Jakob heeft mij naar u gezonden; dit is mijn naam voor altijd; zo moet u Mij aanspreken in alle generaties.”, Ex. 3:15. Jahweh komt van het werkwoord ‘er-bij-zijn’ als actief aanwezig zijn en kan vertaald worden als HIJ-IS-ER-BIJ, Betrokkene. In vele vertalingen is deze naam niet letterlijk vertaald, maar in navolging van de LXX (Kurios) weergegeven door Dominus, Lord, HEERE. HERE of HEER, met hoofdletters, omdat het geen vertaling is en Adonai vertaald wordt als Heer met kleine letters, Oef. 2 onder 24-27.

 

8. Welke deugden riep God uit aan Mozes?
Hij proclameerde op de Sinaï zijn barmhartigheid en genade, geduld (tolerantie), liefde en trouw, goedheid en straffende gerechtigheid, Ex. 34:6-7. De nagalm daarvan beluisteren we in de hele bijbel, Ps. 86; 103; Luc. 6:36-50; 1 Kor. 13. Ook de koran vermeldt aan het begin van alle hoofdstukken (soera’s) op een de Barmhartige Erbarmer. Elders openbaart Hij zich ook als Alwetende en Alhorende, Eeuwige en Alomtegenwoordige, Oef. 2 sub 23, 28-36.

 

9. Door welke middelen maakte God zich kenbaar?
Hij verscheen soms zelf in eigen persoon zoals aan zijn vriend Mozes en sprak dan met Hem van mond tot mond, Ex. 33. Hij zond engelen, met wie Hij zich vereenzelvigde, Richt. 2:1-4 (Bokim). Hij deed zich kennen door dromen en visioenen, Gen. 28:10-22 (Jakob), Hand. 10:9-16 (Petrus) en profeten, Deut. 18:15-18, door Christus als zijn Beeld, Joh. 1;18; 14:8-10; Kol. 1:12-20, en door apostelen, die zijn boodschap doorgaven.

 

10. Wie is de Engel-des-HEREN (= Mal-ak-Jahweh)?
Dit is een hoofdengel die bij mijlpalen verlossing of straf aankondigt. God is zo sterk in hem tegenwoordig dat Hij zich met deze vereenzelvigt en zijn ‘ik’ in Gods ‘Ik’ overgaat, maar zij zijn niet dezelfde; een schepsel kan nooit overgaan in de Schepper.
  • Hij maant de vluchteling Hagar in de woestijn: ‘keer terug naar Saraï, Ik zal u veel nakomelingen schenken.’, Gen. 16:7-14.
  • Hij verscheen aan Mozes bij de Gods-berg, de Horeb, in een vlam in een doornstruik, die niet verbrandde, Ex. 3:2. Als de engel het woord neemt om hem te roepen tot leider-bevrijder, spreekt de HEER zelf, Ex. 3:4-22; 4:1-16.
  • Hij verscheen als Engel-des-HEREN aan Bileam, Num. 22:1-41 (elf maal Mal’ak-Jahweh), aan Gideon, Richt. 6, aan Manoah en zijn vrouw, Richt. 13, aan David als wreker met een getrokken zwaard, 1 Kron. 21:7-30 (vijf maal), en aan Zacharia, Zach. 1:1-17.

 

11. Op welke manieren openbaart God zich in onze tijd?
Hij doet dit door de bijbel en prediking daarvan, door Geestes-werkingen en -gaven, voor- en tegenspoed, werken van schepping, onderhouding en voorzienigheid, en door ervaringen van particuliere en collectieve aard, Ps. 19; 33; 91; 104; 105-106; Openb. 5-21.
4. Waarom is het nodig ons te verdiepen in bijbel en leer? (12-13)

 

12.-13. Waarom is het zo nodig de bijbel en de leer te kennen?
  • Wij kennen God alleen door zijn Woord en komen alleen tot bloei in liefde en vreugde als wij in Christus en zijn Woorden blijven, Joh. 15:1-7.
  • Wij hebben aansporingen nodig om onze traagheid te overwinnen en leiding om de juiste weg te zoeken en te vinden, Ps. 119.
  • Alleen als wij God kennen en zijn geopenbaarde waarheid grondig verwerken, zijn wij in staat gemotiveerd en vruchtbaar voor Hem te leven en te werken en op te treden als leermeesters van de volken, Mat. 28:18-20.
  • Wij staan op de schouders van het voorgeslacht en dragen Gods waarheid over aan volgende geslachten, Ps.78; 81; 105-106.
  • Alleen als we ons trainen in het hanteren van alle wapenen van onze wapenrusting, zijn we als christensoldaten in staat om ons te verweren tegen boze geesten en leugenzaaiers, Mat. 13; Ef. 6:10-20.
  • Wij moeten leren onze charismata of geestesgaven te gebruiken om het ene lichaam van Christus op te bouwen, 1 Kor. 12-14.
  • Tijdgenoten verwachten van kerkleden dat zij goed weten en kunnen verwoorden waarvoor zij staan in gezin en werkkring, in de omgang en op de barricaden, in leven en sterven.
5. Wat zeggen we tot hen die God loochenen of zijn beeld verminken? (14-19)

 

14. Wat zijn atheïsten en hoe helpen wij hen uit de boze droom?
A-theïsten (= god-lozen) ontkennen met hart en verstand dat God bestaat; dat Hij de wereld geschapen heeft; en dat Hij recht op hun leven heeft. Zij verklaren het ontstaan van de wereld uit zichzelf. Zij leiden als humanist menigmaal een fatsoenlijk leven, maar bewegen zich op een hellend vlak, omdat het loslaten van de bron van het goede tot ontaarding leidt. God-lozen kunnen godde-loos worden, Rom. 1:18-3:20. Contra. We erkennen ootmoedig dat de kiemen van atheïst en godloochenaar, ‘ietsist’ en ‘nietsist’ (nihilist) in ons allen zitten, maar Hem ontkennen is zichzelf ontkennen. Atheïsme is vreemd aan het mens-zijn zoals God dit schiep en bedoelde. Hij maakte ons tot zijn beelddragers met een relatie tot Hem en houdt deze dagelijks in stand. Wie niet voor Hem buigt, knielt wel voor surrogaten, de afgoden van roem en bezit, sport en wetenschap, Ps. 115. Onze boodschap voor hen is: ‘ook voor u is er redding door het geloof in Jezus Christus; in zijn gemeenschap gaat u pas goed en eeuwig leven! U leeft on-natuurlijk; u bent van huis uit op Hem aangelegd; er zijn geen volken zonder religie. We weten ons herders, en zijn mede verantwoordelijk voor uw eeuwig heil: laat u, dwarsliggers, die Hem straal negeert, loochent en lastert, toch bevrijden uit uw boze droom en waan! Ez. 33:1-17; Hand. 20:17-38

 

15. Wat zijn praktiserende atheïsten?
Zij ontkennen Gods bestaan niet, zijn vaak opgenomen in het verbond en weten soms veel af van geloofsleer maar hun geloof zit niet in hun hart, zij hebben geen liefde voor Hem en leven niet volgens zijn wil. - Dichters diskwalificeren praktiserende goddelozen als dwazen, Ps. 14; 53. Jezus striemde vooraanstaande kenners van de Tenach (= OT) die hun vroomheid etaleerden maar er wanpraktijken op na hielden, Mat. 23. Steile orthodoxen kunnen ontaarden in koele moordenaars. Jezus en Stefanus werden hun slachtoffer. Jakobus waarschuwde tegen gelovigen zonder hart en zonder daad (= intellectualisten): ‘boze geesten zijn vaak nog minder slecht, omdat zij sidderen voor hun Rechter!’, Jak. 2:14-26.

 

16. Wat zijn ietsisten?
In de leegte van hun onbevredigend leven zonder Zingever zoeken zij naar Iets boven hen en Iets na dit leven. Is ons bewustzijn niet eindeloos? Is er zoiets als een volmaakt bestaan hierna? Contra. Verlangen naar iets of een ideaal kan een stap in de richting van de Verhevene zijn maar is niet voldoende voor Godskennis en behoud. Om de Vader te kennen is het nodig te vertrouwen op Jezus Christus; dit vraagt overgave en is een gave van de Heilige Geest.

 

17. Wat zijn agnosten (= niet-weters)?.
Deze ontkennen Gods bestaan niet maar bevestigen dit evenmin, omdat wij daarvoor te weinig tastbare gegevens zouden hebben. Contra. De niet-weter in ons wil tastbare verschijningen en wonderen als Godsbewijs om zekerheid te krijgen. Jezus stelt daartegenover dat wat in het OT staat voor ons voldoende bewijs moet zijn van Gods identiteit en zijn zending. Hij verplaatst het probleem van de behoefte aan aanschouwelijkheid naar dat van het verblinde hart; voor wie geen oog heeft voor wonderen in het verleden, helpen wonderen in het heden ook niet tot geloof te komen, Joh. 5:45-47.

 

18. Wat zijn (quasi)atheïsten, die de Tussen-menselijke belijden?
Zij geloven niet in God als Onafhankelijke boven en zonder ons, wel in God-midden-onder-ons, de mens-God. Zij zijn geen a-theïsten maar gelovigen met een gereduceerd godsbeeld. Dit heeft wel vele gevolgen voor allerlei onderdelen van de geloofsleer. Contra. Hij-Is-Er-Bij (= Jahweh) is inderdaad God-met-ons (= Im-manu-EL), maar ook God-zonder-ons en God-boven-ons en bestaat op en voor zichzelf (= a-se-itas). Voor de schepping van de wereld verheugde de Zoon zich in de Vader, Joh. 17:5. Er was verzoening nodig tussen de zondaar en de Heilige; daarom is Jezus als de Middelaar op aarde gekomen. Gods nabijheid veronderstelt zijn verhevenheid. Wie God exclusief voorstelt als de Tussenmenselijke doet tekort aan zijn volheid en onafhankelijkheid van ons en snijdt een eigenzinnig beeld van de Verhevene.

 

Jezus:
“Wie de Zoon niet erkent, erkent ook de Vader niet die Hem gezonden heeft. Waarachtig, Ik verzeker u, wie naar mijn Woord luistert en HEM GELOOF DIE MIJ GEZONDEN HEEFT bezit eeuwig leven. Voor hem is er geen oordeel meer; hij is al overgegaan van de dood naar het leven.’, Joh. 5:23b-24.
Jezus over geloof en wonderen De Zoon zonder ons
“Want als u Mozes (= OT) zou geloven, zou u ook Mij geloven; over Mij heeft immers Mozes geschreven. Maar als u al EEN GELOOF SCHENKT AAN ZIJN GESCHRIFTEN - hoe zou u dan geloof schenken aan mijn Woorden?’, Joh. 5:47. ‘Verheerlijk Gij Mij nu, Vader aan uw zijde, en bekleed Mij met de heerlijkheid die ik bezat VOOR DE WERELD BESTOND, pro tou ton kosmon einai para soi’, Joh, 17:5.
Petrus:
“Door niemand anders komt de redding; want er is onder de hemel GEEN ANDERE NAAM aan de mensen gegeven waardoor wij behouden moeten worden.’, Hand. 4:12.
Paulus:
“Want als u mond belijdt dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, ZULT U GERED WORDEN. Het geloof van uw hart brengt gerechtigheid en de belijdenis van uw mond brengt REDDING, SOOTÈRIAN, SALUTEM’, Hand. 10:9-10.

 

19. Vormen wetenschap en geloof een tegenstelling?
Beslist niet. De Schepper van codes is de Betrouwbare bij uitstek en de meest Geloofwaardige. De mens is niet te splitsen in hoofd en hart. De juiste grondslag van alle wetenschap is het ontzag voor en liefde tot de HEER, Ps. 111:10, Deut. 6:4. Wie Hem niet eert, laat zich door andere bronnen, machten en invloeden (mis)leiden.
6. Wat leert de islam over God? (20-21)

 

20. Is God zelf kenbaar volgens de islam?
De Koran geldt als de door Allah aan Mohammed woord voor woord geopenbaarde oplezing van het origineel daarvan in de hemel en bezit daarom een volstrekte superioriteit, s. 3:7;12:2; 43:2-4; 85. Allah’s wil is duidelijk en kenbaar. Hij heeft (meer dan) 99 eigenschappen; Hij is de Barmhartige (Ar-Rahmaan), de Heerser (Al Malik), de Heilige (Al-Qoddoes), de Vredestichter (As-Salaam), de Beschermer van het geloof (Al-Mo’min), de Onweerstaanbare (Al-Djabbaar) enz. Toch blijft Hij de omsluierde en moeilijk toegankelijke. In de bijbel is God ook de boven de mens verheven Schepper maar Hij daalde neer tot de mens, paste zich aan hem aan en is kenbaar in zijn Zoon Jezus Christus. Het christelijk geloof gaat uit van de innige verhouding van God tot de mens als de Vader staat tot zijn kind, al is hij ook dienaar van zijn Heer. De islam noemt God geen Vader en de gelovigen niet zijn kinderen maar stelt deze verhouding vooral als die van de Heer(ser) staat tot zijn dienaar.

 

21. Kunnen moslims en christenen samen bidden en zingen?
Er is geen identiteit tussen Allah en de Vader van Jezus Christus, maar in bepaalde eigenschappen lijken zij op elkaar. Christendom en islam zijn geen godsdiensten van ‘min of meer hetzelfde snit’, maar hebben wel enige overeenkomsten. Het is in strijd met de liefde om alle contact te vermijden. In een gesprekskring met goede communicatie kan de behoefte zich voordoen aan het gebed; we kunnen dan een stilte inlassen voor gebedsintenties. We mogen nooit het geloof prijsgeven dat de soevereine Geest bij machte is blokken te doorbreken en harten tot de HEER en elkaar te neigen. Petrus eindigde zijn verslag van zijn verrassende ervaringen in Caesarea op de ‘synode’ te Jeruzalem met de uitroep: ‘Wie ben ik, Petrus, dat ik God de Heilige Geest had kunnen tegenhouden om zijn intrek te nemen bij gelovigen uit de heidenen?’, Hand 11:17; vgl. 10 en 11.

 


 

Wie zich verder wil verdiepen in de Godsleer, raadplege De Grote Catechismus, oefening 1 en 2, verkrijgbaar bij de auteur.

 

 

Oefening: 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8a | 8b